id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.3 Rolnummer: F.05.0007.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 185 - laatst gezien 2026-07-03 06:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche De verplichte vermelding van de berekeningswijze in het aanslagbiljet van de leegstandheffing is er op gericht de belastingplichtige volledig in te lichten en hem in staat te stellen zijn rechten te verdedigen door de aanslag concreet en gericht te betwisten; hieruit volgt dat het aanslagbiljet, naast onder meer de belastbare grondslag, melding moet maken van de concrete gegevens en parameters aan de hand waarvan de verschuldigde leegstandheffing in concreto werd berekend; dit impliceert dat het niet volstaat dat er in het aanslagbiljet wordt aangegeven op grond van welk kadastraal inkomen de heffing wordt opgelegd zonder vermelding hoe op grond hiervan de leegstandheffing wordt berekend. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandheffing - Aanslagbiljet - Verplichte vermeldingen - Berekeningswijze van de heffing Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Art. 39, § 1, vierde lid Tekst van de beslissing Nr. F.05.0007.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening met kabinet te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, tegen STRACO, naamloze vennootschap, met zetel te 9250 Waasmunster, Fazantenlaan 20, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 39, ,§1, vierde lid, decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, B.S. 30 december
- Deze bepaling luidt als volgt: "Het aanslagbiljet dat de belastingplichtige ontvangt, vermeldt op straffe van nietigheid het aanslagjaar, de grondslag van de heffing, het te betalen bedrag, de berekeningswijze, het tijdstip van betaling en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd". Grieven Het Hof van Beroep te Gent, 5de Kamer, schendt deze bepaling in zijn arrest dd. 9 maart 2004, aangezien het hof het aanslagbiljet nietig verklaart omdat het aanslagbiljet strijdig zou zijn met voormelde bepaling. Het hof wijst terzake: "De eerste rechter ging op deze vordering niet in omdat de berekeningswijze uitvoerig beschreven wordt op de achterkant van het aanslagbiljet, waarbij bovendien werd beschreven wat er in abstracto onder grondslag moest worden begrepen. Anderzijds werd de heropening van de debatten bevolen omdat de rechtbank niet kon nagaan of bij de berekening van de bestreden heffing op een correcte wijze rekening werd gehouden met de bepalingen van artikel 36, ,§2, van het decreet van 22 december 1995 nu de gegevens van de beheerder van de inventaris m.b.t. de exacte oppervlakte van de woning die in de inventaris is opgenomen en de exacte totale oppervlakte van de gebouwen en/of woningen die zich op het kadastrale perceel bevinden niet voorlagen. Deze beslissing tot heropening van de debatten betreft duidelijk een vraag naar de berekeningswijze. Beide motieven zijn onderling tegenstrijdig. Het is pas bij de behandeling door de gemachtigde ambtenaar voor de Vlaamse Regering dat op een duidelijke manier werd uiteengezet op welke manier de verhouding van de belaste woning tot het geheel van het belaste pand werd bepaald, hoe groot het kadastraal inkomen is en met welke indexcoëfficiënt het kadastraal inkomen werd vermenigvuldigd om op die manier het bedrag van de verschuldigde heffing te berekenen. Bij toepassing van artikel 39, ,§1, in fine van het decreet van 22 december 1995 moet het aanslagbiljet op straffe van nietigheid de belastbare grondslag en de berekeningswijze vermelden. Vanaf het ogenblik van het vestigen van de aanslag moet de belastingplichtige de mogelijkheid hebben zijn of haar verweer voor te dragen. De niet-vermelding van de berekeningswijze maakt het aanslagbiljet nietig (artikel 39, ,§1, decreet 22 december 1995)." Aldus geeft het hof een volkomen verkeerde uitleg aan artikel 39, ,§1, lid 4, van het decreet van 22 december
- Het hof verliest uit het oog dat onder artikel 39, ,§1, lid 4, wordt aangegeven welke vermeldingen het aanslagbiljet dient te bevatten. Daarbij geeft het hof een verkeerde uitleg aan de diverse termen van artikel 39, ,§1, lid
- De bij dit lid opgelegde verplichtingen strekken er dus toe dat de belastingplichtige kennis kan nemen van diverse gegevens. Aldus kan de belastingplichtige kennis nemen van het aanslagjaar, de grondslag van de heffing, het te betalen bedrag, de berekeningswijze, het tijdstip van betaling en de formaliteiten die moeten worden nageleefd. Daarbij wordt volledig ten onrechte het onderscheid uit het oog verloren tussen het weergeven van de verplichte vermeldingen enerzijds, de vraag of hetgeen, krachtens de verplichting, vermeld werd, ook correct is. Aldus wordt er een volkomen verkeerde uitleg gegeven aan artikel 39, ,§1, lid 4, zowel wat de ratio van dit artikel betreft als wat de letter van het voorschrift betreft. De ratio van artikel 39, ,§1, lid 4, is dat de belastingplichtige zelf de nodige gegevens bekomt, aan de hand waarvan hij zijn verweer desgevallend kan opbouwen. Dit werd overigens terecht onderkend door het hof, in de laatste considerans. Bovendien kaderde huidig de verweerster in cassatie deze verplichting in de wet van 29 juli 1991 houdende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De weergave van de verplichte vermeldingen kan gebeuren op een wijze dat hetgeen vermeld wordt, materialiter betwist wordt en eventueel niet correct wordt bevonden. Het feit dat de weergegeven vermeldingen materialiter niet correct zouden zijn, impliceert echter niet dat de verplichte vermeldingen niet zouden vermeld zijn. Integendeel, de verplichting van de vermelding strekt er precies toe dat de belastingplichtige met meer kennis van zaken zal kunnen nagaan of hetgeen vermeld wordt, al dan niet correct is. De verplichte vermeldingen strekken er toe de fiscale procedure transparanter te maken. De beoogde transparantie moet het de belastingplichtige des te beter mogelijk maken na te gaan of de gegevens waarop de aanslag is gegrond, al dan niet correct zijn. Ten onrechte verwart het hof het formele aspect met het materiële aspect ten onrechte verwart het hof de beoogde en bekomen transparantie, met hetgeen dankzij deze transparantie kan ontwaard worden. Aldus onderkent het hof volkomen ten onrechte een tegenstrijdigheid in de motivering van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Precies omdat het KI dat in rekening werd gebracht, op het aanslagbiljet was vermeld, kon er een vraag gesteld worden naar de correctheid van dit KI. Of het vermelde KI, dat overeenkomstig de verplichting wel degelijk was vermeld op het aanslagbiljet, beantwoordde aan de realiteit, zoals bepaald door artikel 36 van het decreet, bleek niet naar behoren uit het voorgelegde administratieve dossier. Maar precies het feit dat een en ander niet naar behoren werd vastgelegd, kon als rechtsfeit in vraag worden gesteld, omdat de belastingplichtige en verder de rechter aan de hand van de verplichte vermelding wist op welk KI er een berekening werd doorgevoerd. Bijaldien heeft het hof dus een volkomen verkeerde uitleg gegeven aan de verplichting de berekeningswijze te vermelden op het aanslagbiljet en aan de verplichting om de grondslag van de heffingen te vermelden. Het hof heeft volkomen verkeerdelijk gewezen dat in geval een verplichte vermelding bij nader inzien geen materiële grondslag in het dossier zou vinden, deze inhoudelijk niet correct bevonden vermelding niet als een vermelding in de zin van artikel 39, ,§1, vierde lid, zou kunnen aanzien worden. Bovendien wordt artikel 39, ,§1, lid 4, op een tweede wijze verkeerd uitgelegd, omdat het hof er klaarblijkelijk van uitgaat dat de berekeningswijze van de berekeningswijze al evenzeer zou moeten geëxpliciteerd worden. Er is aangegeven krachtens welk KI er een heffing werd opgelegd en er valt niet uit artikel 39, ,§1, lid 4, af te leiden dat vervolgens ook nog eens zou moeten uitgelegd worden hoe het overeenkomstig artikel 39, ,§1, lid 4, te vermelden KI, verder zou berekend zijn. De vermelding van de berekeningswijze en de vermelding van de grondslag, strekken er toe de belastingplichtige het mogelijk te maken na te gaan of de correcte grondslag is vermeld en of er verder correct is berekend. Meer vermeldingen zijn niet verplicht. En er valt ook niet in te zien hoe er zou kunnen verwacht worden dat in het aanslagbiljet reeds zou geanticipeerd worden, via een uitleg over berekening van de berekening, op wettigheidskritiek die de belastingplichtige desgevallend zou kunnen formuleren. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 39, ,§1, vierde lid, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 bepaalt dat het aanslagbiljet dat de belastingplichtige ontvangt, op straffe van nietigheid, het aanslagjaar, de grondslag van de heffing, het te betalen bedrag, de berekeningswijze, het tijdstip van betaling en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd, vermeldt.
- De verplichte vermelding van de berekeningswijze is er op gericht de belastingplichtige volledig in te lichten en hem in staat te stellen zijn rechten te verdeâdigen door de aanslag concreet en gericht te betwisten. Hieruit volgt, enerzijds, dat die verplichting niet louter formeel is, en, anderzijds, dat de onjuistheid van een of meer elementen van de berekeningswijze niet gelijk te stellen is met het ontbreken van de vermelding van de berekeningswijze. Het aanslagbiljet moet, naast onder meer de belastbare grondslag, melding maken van de concrete gegevens en parameters aan de hand waarvan de verschuldigde leegstandheffing in concreto werd berekend. Dit impliceert dat het niet volstaat dat er in het aanslagbiljet wordt aangegeven op grond van welk kadastraal inkomen de heffing wordt opgelegd zonder vermelding hoe op grond hiervan de leegstandsheffing wordt berekend.
- In zoverre het middel uitgaat van een andere opvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters stellen vast: "Het is pas bij de behandeling door de gemachtigd ambtenaar voor de Vlaamse regering dat op een duidelijke manier werd uiteengezet op welke manier de verhouding van de belaste woning tot het geheel van het belaste pand werd bepaald, hoe groot het kadastraal inkomen is en met welke indexcoëfficiënt het kadastraal inkomen werd vermenigvuldigd om op die manier het bedrag van de verschuldigde heffing te berekenen". Vervolgens oordelen zij dat "de niet-vermelding van de berekeningswijze het aanslagbiljet nietig maakt".
- Aldus laten de appelrechters, anders dan het middel voorhoudt, hun beslissing niet steunen op een fout of vergissing in de vermelde berekeningswijze, maar wel op een gebrek aan vermelding van de berekeningswijze. Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 174,11 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 19 januari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div