id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.4 Rolnummer: F.05.0008.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-11-13 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-07-03 06:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepaling in een op grond van artikel 143, § 1, 2°, van het Decr. Vl. Parl. van 18 mei 1999 getroffen gemeentelijk belastingreglement op niet-bebouwde gronden, dat de vaststelling van het aantal niet-bebouwde gronden gebeurt volgens de criteria gehanteerd door de diensten van het kadaster volgt dat een perceel dat volgens die criteria als bebouwd wordt gerekend, voor de toepassing van het belastingreglement niet als niet-bebouwd kan aangezien worden onder voorwendsel dat de opgerichte bouwwerken niet zouden beantwoorden aan de criteria vervat in een andere bepaling van dat reglement. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: Belastingreglement op niet-bebouwde gronden - Niet-bebouwde grond Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 143, § 1, 2° Tekst van de beslissing Nr. F.05.0008.N GEMEENTE WILLEBROEK, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2830 Willebroek, A. Van Landeghemstraat 99-101, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassaâtie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- L.M.
- G.L. verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 oktober 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 143, ,§1, 2°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; - de artikelen 5 en 6 van het besluit van de gemeenteraad van Willebroek van 19 december 2000 betreffende belasting op de niet-bebouwde gronden, gelegen in gebieden bestemd voor wonen en industrie volgens het plannenregister en palende aan een openbare weg die voldoende is uitgerust. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest doet de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek van 23 december 2002 teniet, het zegt voor recht dat de belasting op onbebouwd perceel door de eiseres lastens de verweerders gevestigd volgens aanslagbiljet van 11 juni 2002 onder kohierartikel 00315
(1346)voor het aanslagjaar 2001 en dienstjaar 2002 ten onrechte werd gevestigd en het veroordeelt de eiseres om aan de verweerders de som van 247,89 euro te betalen, op de volgende gronden: De betwisting betreft de toepassing van het gemeentelijk belastingreglement op de niet-bebouwde gronden en met name de vraag of het perceel van de verweerders aan de Vaartstraat te Willebroek al dan niet een bebouwde grond is. Het wordt niet betwist dat op het kwestieuze perceel zes garages staan. Volgens de eiseres betreft het evenwel een niet-bebouwde grond en dient bij het bepalen van het bebouwd of onbebouwd karakter van een perceel grond een onderscheid gemaakt te worden al naargelang de toepasselijke fiscale wetgeving. De eerste rechter stelt dat een perceel grond niet tegelijk bebouwd en onbebouwd kan zijn. Op het kwestieuze perceel zijn zes garages opgericht, wat volgens de eerste rechter bebouwing impliceert. Tevens verwijst de eerste rechter naar het feit dat verweerders in de onroerende voorheffing jaarlijks worden aangeslagen voor dit perceel als zijnde "bebouwde goederen". Uit de voorliggende stukken blijkt dat het kwestieus perceel volgens het kadaster beschouwd wordt als `bebouwde goederen' en als dusdanig belast wordt in de onroerende voorheffing en dat het grootste gedeelte van deze onroerende voorheffing (ruim 80 %) aan de eiseres toekomt. Volgens artikel 6 van het belastingreglement gebeurt de vaststelling van het aantal niet-bebouwde gronden volgens de criteria gehanteerd door de diensten van het kadaster. De eiseres verwijst dan ook naar de gegevens van het kadaster. Vermits het kwestieus perceel van verweerders kadastraal gekend is als "bebouwde goederen" dient eiseres het perceel ook voor de toepassing van het belastingreglement als een bebouwde grond te aanzien en kan zij derhalve voor dit perceel geen belasting heffen op grond van het belastingreglement van 19 december
- Grieven Eerste onderdeel De gemeenten kunnen krachtens artikel 143, ,§1, 2°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een jaarlijkse belasting heffen op de niet-bebouwde gronden, gelegen in gebieden bestemd voor wonen en industrie volgens het plannenregister en palend aan een openbare weg die voldoende is uitgerust. Krachtens dit artikel heeft de gemeenteraad van Willebroek bij besluit van 19 december 2000 voor het aanslagjaar 2001 een jaarlijkse rechtstreekse belasting geheven op de niet-bebouwde gronden, gelegen in gebieden bestemd voor wonen en industrie volgens het plannenregister en palende aan een openbare weg die voldoende is uitgerust (zie het bij deze voorziening gevoegde stuk nr. 1). Volgens het artikel 5 van het besluit van de gemeenteraad van Willebroek van 19 december 2000 worden als "bebouwde gronden" beschouwd de gronden bebouwd met bouwwerken die thuishoren in de woonzone of in de industriezone alsmede deze waarop ingevolge een verleende bouwvergunning de bouwwerken werden aangevat op 1 januari van het dienstjaar waarop de belasting slaat en in de loop van het belastingjaar een normale afwerking kennen. Belastingontheffing zal verleend worden aan de belastingplichtige die, alhoewel op 1 januari van het belastingjaar de bedoelde werken niet aangevat hebbende, het bewijs overlegt dat hij in de loop van het belastingjaar op de belastbare grond bouwwerken bestemd voor bewoning onder dak heeft gebracht. De belasting ingevoerd krachtens artikel 143, ,§1, 2°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 is inderdaad bestemd ter ondersteuning van het gemeentelijk grondbeleid om het bewoonbaar maken of bebouwen van percelen die daartoe bestemd zijn te stimuleren en om de grondspeculatie tegen te gaan zodat onder "bouwwerken" elke constructie dient verstaan die bestemd is voor bewoning en tevens om ter plaatse te blijven en zodat geen belastingontheffing kan worden verleend voor bouwwerken die niet bestemd zijn voor bewoning. Het bestreden arrest stelt vast dat op het kwestieuze perceel van de verweerders zes garages staan. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat de eiseres voor het kwestieus perceel geen belasting kan heffen op grond van het belastingreglement van 19 december 2000 omdat het kwestieus perceel kadastraal gekend is als "bebouwde goederen" zodat het perceel ook voor de toepassing van het belastingreglement van 19 december 2000 als een bebouwde grond dient aanzien. Een perceel waarop enkel garages opgetrokken worden, kan immers niet beschouwd worden als "bebouwde grond" in de zin van artikel 5 van het belastingreglement van 19 december 2000 vermits garages niet bestemd zijn voor bewoning in de zin van artikel 143, ,§1, 2°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999, ook al is het perceel kadastraal gekend als "bebouwd goed" (schending van de artikelen 143, ,§1, 2°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999, 5 en 6 van het besluit van de gemeenteraad van Willebroek van 19 december 2000). Tweede onderdeel De gemeenten kunnen krachtens artikel 143, ,§1, 2°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening een jaarlijkse belasting heffen op de niet-bebouwde gronden, gelegen in gebieden bestemd voor wonen en industrie volgens het plannenregister en palend aan een openbare weg die voldoende is uitgerust. Krachtens dit artikel heeft de gemeenteraad van Willebroek bij besluit van 19 december 2000 voor het aanslagjaar 2001 een jaarlijkse rechtstreekse belasting geheven op de niet-bebouwde gronden, gelegen in gebieden bestemd voor wonen en industrie volgens het plannenregister en palende aan een openbare weg die voldoende is uitgerust (zie het bij deze voorziening gevoegde stuk nr. 1). In het artikel 5 van het besluit van de gemeenteraad van 19 december 2000 wordt het wettelijk begrip "bebouwde gronden" gedefinieerd. Volgens dit artikel worden als "bebouwde gronden" beschouwd de gronden bebouwd met bouwwerken die thuishoren in de woonzone of in de industriezone alsmede deze waarop ingevolge een verleende bouwvergunning de bouwwerken werden aangevat op 1 januari van het dienstjaar waarop de belasting slaat en in de loop van het belastingjaar een normale afwerking kennen. In het artikel 6 van het besluit van de gemeenteraad van 19 december 2000 wordt bepaald op welke wijze het "aantal" niet bebouwde gronden wordt vastgesteld. Volgens dit artikel gebeurt de vaststelling van het aantal niet-bebouwde gronden volgens de criteria gehanteerd door de diensten van het kadaster. Het artikel 6 van het besluit van de gemeenteraad van 19 december 2000 verwijst derhalve enkel naar de kadastrale gegevens om het "aantal" niet-bebouwde gronden vast te stellen. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat de eiseres voor het kwestieus perceel geen belasting kan heffen op grond van het belastingreglement van 19 december 2000 louter omdat eiseres in artikel 6 verwijst naar de gegevens van het kadaster en omdat dit perceel kadastraal gekend is als "bebouwd goed" vermits artikel 6 niet bepaalt wat als "bebouwde grond" wordt beschouwd en vermits het kwestieus perceel volgens het artikel 5 van het belastingreglement van 19 december 2000 niet als een bebouwde grond kan aanzien worden vermits de zes garages die op het perceel staan niet bestemd zijn voor bewoning (schending van art. 143, ,§1, 2°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999, 5 en 6 van het besluit van de gemeenteraad van Willebroek van 19 december 2000). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Overeenkomstig artikel 143, ,§1, 2°, van het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, kunnen de gemeenten, buiten de opdeciemen op de onroerende voorheffing, een jaarlijkse belasting heffen op de niet-bebouwde gronden gelegen in gebieden bestemd voor wonen en industrie volgens het plannenregister en palend aan een openbare weg die voldoende is uitgerust zoals bepaald in artikel 100 van hetzelfde decreet.
- De eiseres heeft, op grond van voormelde wettelijke bepaling, op 19 december 2000 een belastingreglement goedgekeurd dat in artikel 1 bepaalt dat voor het jaar 2001, een jaarlijkse rechtstreekse belasting wordt geheven op de niet-bebouwde gronden gelegen in gebieden bestemd voor wonen en industrie volgens het planânenregister en palende aan een openbare weg die voldoende is uitgerust, dit is een met duurzame materialen verharde weg voorzien van een elektriciteitsnet. Krachtens artikel 5 van voormeld belastingreglement, worden als bebouwde gronden beschouwd de gronden bebouwd met bouwwerken die thuishoren in de woonzone of in een industriezone alsmede deze waarop ingevolge een verleende bouwvergunning de bouwwerken werden aangevat op 1 januari van het dienstjaar waarop de belasting slaat, en in de loop van het belastingjaar een normale afwerking kennen.
- Anders dan het onderdeel stelt, volgt uit die wettelijke bepalingen niet dat een perceel alleen als een bebouwde grond kan worden aangezien wanneer er een bouwwerk is opgetrokken dat bestemd is voor bewoning. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Artikel 6 van het belastingreglement van de eiseres bepaalt dat de vaststelling van het aantal niet-bebouwde gronden gebeurt volgens de criteria gehanteerd door de diensten van het kadaster.
- Ingevolge die bepaling is er noodzakelijk overeenstemming tussen het aantal niet-bebouwde gronden volgens de criteria gehanteerd door de diensten van het kadaster en het aantal belastbare gronden. Uit die wettelijke bepaling volgt derhalve dat een perceel dat volgens de criteria van het kadaster als bebouwd wordt gerekend, voor de toepassing van het beâlastingreglement niet als niet-bebouwd kan aangezien worden.
- De appelrechters stellen vast dat het betrokken perceel volgens het kadaster beschouwd wordt als een bebouwd goed en als dusdanig belast wordt in de onroerende voorheffing. Zij oordelen op grond hiervan dat, overeenkomstig artikel 6 van het belastingreglement, de eiseres het perceel van de verweerders ook voor de toepassing van het belastingreglement als een bebouwde grond moet aanzien.
- Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 131,12 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 19 januari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div