← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.5 Rolnummer: F.05.0033.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-07-03 06:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De verweerder vermag niet voor het eerst voor het Hof van cassatie te betwisten dat de door de gemeente als eiseres overgelegde kopie van een gemeentelijk belastingreglement niet regelmatig eensluidend werd verklaard wanneer uit de verklaring gevoegd bij de kopie van het belastingreglement, neergelegd ter griffie van het Hof, blijkt dat die conform is aan de aan de appelrechters voorgelegde kopie van dat reglement en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat er tussen partijen nooit betwisting werd gevoerd omtrent de tekst van het belastingreglement. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Gemeentebelastingen Vrije woorden: Voorziening in cassatie - Belastingreglement - Bij de voorziening gevoegd afschrift - Eensluidende verklaring - Onregelmatigheid - Mogelijkheid tot betwisting voor het Hof Wettelijke bepalingen: Gemeentewet - 24-06-1988 - Artt. 109 en 126, 4° Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Gemeentebelastingen Vrije woorden: Afschrift van een belastingreglement - Eensluidende verklaring - Onregelmatigheid - Mogelijkheid tot betwisting voor het Hof Wettelijke bepalingen: Gemeentewet - 24-06-1988 - Artt. 109 en 126, 4° Tekst van de beslissing Nr. F.05.0033.N STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoren te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdend te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen HIMMOS, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Museumstraat 12 D, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1 en 2 van de belastingverordening op vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden, goedgekeurd door de gemeenteraad van de eiseres in zitting van 16 februari 1998; - artikel 22 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument; - artikel 1, 2° van de wet van 21 oktober 1992 inzake misleidende reclame van de vrije beroepen, vóór de opheffing ervan bij wet van 2 augustus 2002; - artikel 2, 4° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest "Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, deels op grond van gewijzigde redenen; Verwijst (de eiseres) in de kosten van hoger beroep, na herleiding overeenkomstig KB november 1970, begroot aan de zijde van (de verweerster) op 228,06 euro rechtsplegingsvergoeding", na vastgesteld te hebben op pagina 2: "(...) Dat de eerste rechter het voorwerp van de vordering, de proceduriële antecedenten alsmede de feitelijke omstandigheden die aan de taxatie ten grondslag liggen op bondige doch overzichtelijke wijze in het bestreden vonnis heeft uiteengezet; Dat het hof deze uiteenzetting bijtreedt en hier voor hernomen houdt", op grond van de motieven op pagina's 4-6: "(...) dat uit de voorgebrachte gegevens blijkt dat (de eiseres) met betrekking tot aanslagjaar 1998 ten name van (de verweerster) een aanslag in de gemeentebelasting op vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden heeft ingekohierd, en zulks in toepassing van de Belastingverordening dd 16 februari 1998, geldend voor de dienstjaren 1998 tot 2000; dat deze aanslag werd gevestigd op een pand gelegen aan de hoek Nassaustraat 1 en 3 en Amsterdamstraat 24/1 te Antwerpen, ingevolge het aanbrengen van borden met de vermelding 'HIMMOS PROJECTONTWIKKELING'; Dat (de verweerster) tot op heden voorhoudt dat door haar geen 'publiciteitsborden' werden geplaatst aan de voornoemde panden, stellende dat te dezen niet is aangetoond dat de vaststellingen door beëdigde stadsaangestelden werden gedaan, alsook inroept dat de eventueel geplaatste borden geen 'reclame-boodschappen' inhouden, zodat geen belasting is verschuldigd; (...) Dat evenwel in de eerste plaats dient vastgesteld dat (de verweerster) in haar bezwaarschrift, noch in de voor de eerste rechter voorgebrachte processtukken, betwist panelen aan de kwestieuze onroerende goederen te hebben aangebracht; Dat dan ook (de verweerster) thans tracht voor te houden dat de aanwezigheid van panelen onvoldoende is aangetoond, daar zulks nooit voorwerp van betwisting heeft uitgemaakt; dat deze aanwezigheid vaststaat en geen redenen aanwijsbaar zijn om (de eiseres) toe te laten door alle middelen van recht dit feit te bewijzen; (...) Dat evenwel (de verweerster) nadrukkelijk betwist 'reclame' te voeren door aanbrenging van de kwestieuze panelen; Dat de lezing van de belastingverordening uitwijst dat enkel wordt uitgelegd wat onder 'vaste reclame-inrichting' en 'aanplakbord' dient verstaan, doch geen toelichting verstrekt nopens het begrip 'reclame'; Dat ook (de eiseres) dit toegeeft en terzake verwijst naar art. 22 van de Wet op de Handelspraktijken d.d. 14 juli 1991 en naar art. 1, 2°, van de Wet van 21 oktober 1992 in zake misleidende reclame van de vrije beroepen; (...) Dat uit de bepalingen van de voornoemde wetten als 'reclame' wordt beschouwd elke mededeling die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel heeft de verkoop en/of de afzet van producten, goederen of diensten te bevorderen; Dat in casu (de verweerster) door de vermelding 'HIMMOS PROJECTONTWIKKELAAR' enkel haar activiteiten kenbaar maakt, doch zich geenszins tot het publiek richt met oog op verkoop of afzet van haar producten; dat immers 'projectontwikkeling' een eigen activiteit betreft, die op zichzelf enkel het promoten van eigen activiteiten betreft en geenszins bedoeld is om verkoop of afzet van een product aan te prijzen; Dat dan ook de door (de verweerster) aangebrachte borden geen 'reclame'-boodschappen in de zin van voornoemde wetten bevatten, daar zij geenszins tot doel hebben verkoop of afzet van producten na te streven; (...) Dat, rekening houdende met de hierboven gedane vaststellingen, de betwiste aanslag onterecht werd gevestigd, de bestreden beslissing op onjuiste gronden werd getroffen, en het bestreden vonnis dient te worden bevestigd weze het op deels gewijzigde gronden; Dat derhalve het hoger beroep van (de eiseres) ongegrond is, en zij in de kosten zoals hierna begroot dient verwezen; dat de vordering minder bedraagt dan 100.000 BEF, zodat de rechtsplegingsvergoeding dient herleid". Grieven De belastingverordening op vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden, goedgekeurd door de gemeenteraad van de eiseres op 16 februari 1998 bepaalt: "Artikel

  1. Er wordt voor de dienstjaren 1998 tot en met 2000 een jaarlijkse belasting gevestigd op de vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden. Artikel
  2. a. Onder vaste reclame-inrichting wordt verstaan: elke drager in onverschillig welk materiaal (zoals vlaggen, spandoeken en dergelijke, deze opsomming is niet limitatief), waarop reclame kan worden aangebracht door aanplakking, vasthechting, schildering of door elk ander middel, en geplaatst langs de openbare weg of op een plaats in openlucht die zichtbaar is vanaf de openbare weg en voor zover deze niet vallen onder de belasting op het maken van reclame op de openbare weg. b. Onder aanplakbord wordt verstaan: elke constructie in onverschillig welk materiaal, geplaatst langs de openbare weg of op een plaats in openlucht die zichtbaar is vanaf de openbare weg, waarop reclame wordt aangebracht door aanplakking, vasthechting, schildering of door elk ander middel, met inbegrip van muren en de omheiningen die gehuurd of gebruikt worden om er reclame op aan te brengen". Eerste onderdeel Voor de toepassing van deze belastingverordening is het vereist dat "reclame" aangebracht wordt of kan worden. Artikel 22 van de wet van 14 juli 1991 op de handelspraktijken bepaalt dat als reclame beschouwd wordt: " elke mededeling die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel heeft de verkoop van producten of diensten te bevorderen, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen, ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen". Artikel 1, 2°, van de wet van 21 oktober 1992 inzake de misleidende reclame van de vrije beroepen bepaalde dat als reclame beschouwd wordt: "(...) iedere vorm van mededeling bij uitoefening van een vrij beroep die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel heeft de afzet van goederen of diensten te bevorderen, met inbegrip van de onroerende goederen, van rechten en verplichtingen en met uitsluiting van de door de Wet voorgeschreven mededeling". Artikel 2, 4°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende o.m. de misleidende reclame inzake vrije beroepen, die de wet van 21 oktober 1992 opheft, hanteert dezelfde definitie. Uit deze bepalingen volgt dat voor de toepassing van de litigieuze belastingverordening als "reclame" beschouwd wordt elke mededeling die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel heeft de verkoop en/of de afzet van producten, goederen of diensten te bevorderen. Elke mededeling, waardoor het imago van de steller ervan wordt begunstigd of versterkt, aldus onrechtstreeks de bevordering van de verkoop en of afzet van zijn producten, goederen of diensten tot doel heeft en daarom onder die omschrijving valt. Het kenbaar maken van de eigen naam en activiteiten door het aanbrengen van de vermelding van zijn eigen naam, gevolgd door de aanduiding van de gevoerde bedrijfsactiviteit op een meer dan 18 m² groot paneel, begunstigt of versterkt het imago van de steller ervan en heeft aldus onrechtstreeks tot doel de verkoop of afzet van de activiteiten te bevorderen van de steller ervan, ook al is het paneel ook dienstig voor de afsluiting van een onderkomen gebouw. De eiseres voerde in regelmatig genomen besluiten, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 14 oktober 2003 op pagina 8 aan: "Borden met de titel 'Himmos Projectontwikkeling' geplaatst op een andere plaats dan haar vestigingsadres, van een dergelijke omvang en van een totale oppervlakte van 18 m², zijn bijgevolg mededeling die onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van alle diensten eigen aan projectontwikkeling te bevorderen en vallen bijgevolg onder de hierboven omschreven definitie van reclame" en op pagina 9:"De toevoeging van het woord 'projectontwikkeling' dient enkel als reclame ter bevordering van de verkoop van diensten van de eigenaar NV HIMMOS, nl. het kopen, laten bouwen of verbouwen en nadien verkopen van het onroerend goed. Deze borden worden bovendien aangebracht lange tijd voordat er werken worden uitgevoerd en meestal zonder vermelding van enig project. De veelvuldige aanwezigheid van dergelijke borden, zoals blijkt uit de verschillende hangende procedures, verstrekt het publicitair karakter ervan". Hieruit volgt dat het bestreden arrest uit de gedane vaststellingen, dat de verweerster panelen heeft aangebracht met een totale oppervlakte van 18,2 m² met de vermelding "Himmos-Projectontwikkeling" op het hoekhuis gekocht door de eiseres aan de Amsterdamstraat 24 1/ Nassaustraat 1 te Antwerpen en dat verweerster met die vermelding haar activiteiten kenbaar maakt aan het publiek, niet wettig heeft kunnen afleiden dat "de door (de verweerster) aangebrachte borden geen 'reclame'-boodschappen in de zin van voornoemde wetten bevatten, daar zij geenszins tot doel hebben verkoop of afzet van producten na te streven", omdat die vastgestelde vermeldingen op de panelen wel onrechtstreeks de bevordering van haar activiteiten, welke er door kenbaar gemaakt worden, tot doel heeft. Aldus miskent het bestreden arrest het wettelijk begrip "reclame", zoals opgenomen in de aangehaalde artikelen 1 en 2 van de litigieuze belastingverordening (schending van de artikelen 1 en 2 van de belastingverordening op vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden, goedgekeurd door de gemeenteraad van de eiseres in zitting van 16 februari 1998 en voor zoveel als nodig artikel 22 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument artikelen 1, 2°, van de wet van 21 oktober 1992 inzake misleidende reclame van de vrije beroepen en 2, 4°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen). Tweede onderdeel De appelrechters oordelen op pagina 5 zelf "dat uit de bepalingen van de voornoemde wetten (volgt dat) als 'reclame' wordt beschouwd elke mededeling die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel heeft de verkoop en/of de afzet van producten, goederen of diensten te bevorderen". Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing, dat "de door (de verweerster) aangebrachte borden geen 'reclame'-boodschappen in de zin van voornoemde wetten bevatten, daar zij geenszins tot doel hebben verkoop of afzet van producten na te streven", niet wettig verantwoordt door dit enkel te beslissen met betrekking tot 'producten', terwijl de kenbaar gemaakte activiteit van 'projectontwikkeling' ook goederen of diensten omvat, met betrekking tot dewelke de appelrechters niets beslissen en derhalve in het ongewisse laten of het vereiste doel daarvoor ook ontbreekt. (schending van de artikelen 1 en 2 van de belastingverordening op vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden, goedgekeurd door de gemeenteraad van de eiseres in zitting van 16 februari 1998 en voor zoveel als nodig artikel 22 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, de artikelen 1, 2°, van de wet van 21 oktober 1992 inzake misleidende reclame van de vrije beroepen en 2, 4°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen). Derde onderdeel Het aangehaald artikel 2 van de litigieuze belastingverordening maakt het onderscheid tussen enerzijds een "aanplakbord", waarvoor het vereist is om belastbaar te zijn dat daarop "(...) reclame wordt aangebracht(...)" en anderzijds een "vaste reclame-inrichting", waarvoor het volstaat om belastbaar te zijn dat daarop "(...) reclame kan worden aangebracht (...)". De appelrechters stellen enkel vast op p. 5 dat de verweerster "panelen aan de kwestieuze onroerende goederen" heeft aangebracht. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing, dat "de door (de verweerster) aangebrachte borden geen 'reclame'-boodschappen in de zin van voornoemde wetten bevatten, daar zij geenszins tot doel hebben verkoop of afzet van producten na te streven", niet wettig verantwoordt in de mate de afwezigheid van daadwerkelijk aangebrachte reclame op een "paneel" dat als een "vaste reclame-inrichting" moet worden beschouwd de niet-belastbaarheid niet kan meebrengen, maar daarvoor wel de vaststelling vereist dat er geen mogelijkheid bestaat om daarop reclame aan te brengen, hetgeen de appelrechters niet hebben uitgesloten (schending van de artikelen 1 en 2 van de belastingverordening op vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden, goedgekeurd door de gemeenteraad van de eiseres in zitting van 16 februari 1998). III. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  3. De verweerster voert aan dat het middel dat volledig is afgeleid uit de schending van de artikelen 1 en 2 van het belastingreglement op vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden, niet ontvankelijk is omdat de door de eiseres bij haar cassatieberoep gevoegde kopie van het belastingreglement niet door de burgemeester of door de door hem gemachtigde ambtenaar eensluidend werd verklaard, hoewel zij op grond van artikel 126, 4°, van de Nieuwe Gemeentewet de enige bevoegde instantie zijn om een gemeentelijk reglement eensluidend te verklaren.
  4. Uit de verklaring gevoegd bij de kopie van het belastingreglement, neergelegd ter griffie van het Hof, blijkt dat die conform is aan de aan de appelrechters voorgelegde kopie van dat reglement. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat er tussen partijen nooit betwisting werd gevoerd omtrent de tekst van het belastingreglement.
  5. De verweerster vermag niet voor het eerst voor het Hof te betwisten dat de overgelegde kopie niet regelmatig eensluidend werd verklaard met het op 16 januari 1998 door de gemeenteraad van de Stad Antwerpen goedgekeurd belastingreglement. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Eerste onderdeel
  6. De verweerster werpt op dat het onderdeel opkomt tegen de feitelijke beoordeling van de feitenrechters. Het onderdeel verwijt het arrest het wettelijk begrip reclame te hebben miskend en komt niet op als dusdanig tegen de beoordeling van feiten. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  7. Krachtens artikel 1 van het belastingreglement op vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden, goedgekeurd door de gemeenteraad van de Stad Antwerpen in zitting van 16 februari 1998, wordt er voor de dienstjaren 1998 tot 2000 een jaarlijkse belasting gevestigd op de vaste reclame-inrichtingen en aanplakborden voor publiciteitsdoeleinden. Krachtens artikel 2, a, van hetzelfde belastingreglement wordt onder vaste reclame-inrichting verstaan: "elke drager in onverschillig welk materiaal (zoals vlaggen, spandoeken en dergelijke, deze opsomming is niet limitatief), waarop reclame kan worden aangebracht door aanplakking, vasthechting, schildering of door elk ander middel, en geplaatst langs de openbare weg of op een plaats in openlucht die zichtbaar is vanaf de openbare weg en voor zover deze niet vallen onder de belasting op het maken van reclame op de openbare weg". Krachtens artikel 2, b, van dit reglement wordt onder aanplakbord verstaan: "elke constructie in onverschillig welk materiaal, geplaatst langs de openbare weg of op een plaats die zichtbaar is vanaf de openbare weg, waarop reclame wordt aangebracht door aanplakking, vasthechting, schildering of door elk ander middel, met inbegrip van muren of gedeelten van muren en de omheiningen die gehuurd of gebruikt worden om er reclame op aan te brengen".
  8. Als "reclame" in de zin van het reglement moet worden begrepen elke mededeling die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel heeft de verkoop van producten of diensten te bevorderen, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen, ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen. De koopman die zoals te deze zijn activiteit kenbaar maakt op grote reclameborden buiten zijn vestigingsplaats, geeft een reclameboodschap in de zin van de verordening.
  9. De appelrechters stellen vast dat de aanslag werd gevestigd omdat op een pand gelegen aan de hoek van de Nassaustraat 1 en 3 en de Amsterdamstraat 24/1 te Antwerpen, door de verweerster borden werden aangebracht met de vermelding "Himmos Projectontwikkeling" met een totale oppervlakte van 18,2 m². Vervolgens oordelen de appelrechters dat de verweerster door de vermelding Himmos - Projectontwikkelaar "enkel haar activiteiten kenbaar maakt doch zich geenszins tot het publiek richt met het oog op verkoop of afzet van haar producten" en dat "immers projectontwikkeling een eigen activiteit betreft, die op zichzelf enkel het promoten van activiteiten betreft en geenszins bedoeld is om de verkoop of afzet van een product aan te prijzen".
  10. Door op die gronden te beslissen dat de door de verweerster aangebrachte borden geen "reclameboodschappen" bevatten en dat "de betwiste aanslag onterecht werd gevestigd", schenden de appelrechters de artikelen 1 en 2 van het bedoelde belastingreglement. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 19 januari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070119.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.