id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.1 Rolnummer: C.04.0343.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-07-03 06:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De aansteller, die aansprakelijk is voor de schade door zijn aangestelde veroorzaakt in de bediening waartoe hij hem gebezigd heeft, is de persoon die voor eigen rekening, in feite gezag en toezicht op de daden van een andere kan uitoefenen
(1).
(1)Zie Cass., 16 okt. 1922, Pas., 1923,
- Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - BIJZONDERE AANSPRAKELIJKHEID - Algemeen Vrije woorden: Schade veroorzaakt door de aangestelde - Herstelplicht - Aansteller - Begrip Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1384, derde lid Fiche 2 Schendt artikel 1384, lid 3, B.W. het arrest dat oordeelt dat niet één van de vennoten-werkgevers van de tijdelijke handelsvennootschap, doch wel de tijdelijke handelsvennootschap, de aansteller was van de werknemer van één van deze vennoten zonder te hebben vastgesteld dat de tijdelijke handelsvennootschap lasthebber van de vennoten-werkgevers het toezicht en gezag over de betrokken werknemer voor eigen rekening uitoefende. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - BIJZONDERE AANSPRAKELIJKHEID - Algemeen Vrije woorden: Aansteller - Tijdelijke handelsvennootschap Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1384, derde lid Tekst van de beslissing Nr. C.04.0343.N DE FEDERALE VERZEKERINGEN, Gemeenschappelijke Kas voor Verzekeringen tegen Arbeidsongevallen, met zetel te 1000 Brussel, Stoofstraat 12, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- DE MEYER, naamloze vennootschap, voorheen NV STRUKTON DE MEYER, met zetel te 9031 Drongen, Brouwerijstraat 1, verweerster,
- AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, voorheen NV AXA ROYALE BELGE, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van MONUMENT VANDEKERCKHOVE, naamloze vennootschap, met zetel te 8770 Ingelmunster, Oostrozebekestraat 54, partij opgeroepen in tussenkomst, vertegenwoordigd door mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De tweede verweerster heeft de NV Monument Vandekerckhove in tussenkomst opgeroepen bij dagvaarding van 14 oktober
- De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 30 oktober 2006 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift middel aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1384, derde lid, en 1984 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 3 en 175 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 november 1935, d.i. titel IX van boek I van het Wetboek van Koophandel, zoals deze bestonden voor de opheffing door de wet van 7 mei 1999 (de Vennootschapswet), thans 2, ,§1 en 47 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999; - artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het in beroep bestreden vonnis, waarin de vordering van de eiseres ongegrond verklaard werd, op volgende gronden: "II. C. Uit de voormelde 'overeenkomst van tijdelijke vereniging' dient wel te worden besloten dat de tijdelijke vereniging de 'lasthebber' is in de zin van artikel 46 ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet, van de betrokken vennoten-handelsvennootschappen en dit met betrekking tot alles wat nodig is tot het verwezenlijken van het doel van de tijdelijke handelsvennootschap zoals omschreven in artikel 4 van de desbetreffende overeenkomst. Immers aan de tijdelijke handelsvennootschap, bestuurd door het voltallig respectievelijk beperkt directiecomité, wordt alles wat betrekking heeft op de uitvoering van de eerste fase van de renovatiewerken voormeld, gedelegeerd door de respectieve vennoten, waaronder de NV Wyckaert, (de eerste verweerster) en de NV Vandekerckhove. Met betrekking tot alles wat de verwezenlijking van de bovenbeschreven werken betreft (artikel 4 van de overeenkomst), heeft de tijdelijke handelsvennootschap de volledige bevoegdheid (artikel 6 van de overeenkomst, meer bepaald punt 6.3), inbegrepen de leiding van de werf (via het 'dagelijks beheersteam': artikel 7 van de overeenkomst) en ook met betrekking tot het personeel dat door de vennoten ter beschikking wordt gesteld van de vereniging (artikel 13 van de overeenkomst, meer bepaald punt B). Er zij vastgesteld dat er uitdrukkelijk in de overeenkomst is vastgelegd dat tot verwezenlijking van het doel, de tijdelijke handelsvennootschap in hoofde van het 'volledig directiecomité' over de bevoegdheden van de raad van bestuur van een naamloze vennootschap, beschikt (zie artikel 6, punt 6.3 van de overeenkomst). Een en ander komt neer op een overeenkomst van lastgeving door de vennoten (lastgevers) aan de tijdelijke vereniging (lasthebber): in naam en voor rekening van de vennoten vermocht de tijdelijke vereniging binnen het kader van de verwezenlijking van het doel, alle daartoe noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten. D. De tijdelijke handelsvennootschap kan, bij gebreke van rechtspersoonlijkheid, niet als dusdanig in rechte aangesproken worden, dit betekent evenwel niet dat de tijdelijke handelsvennootschap onbestaande zou zijn. Er wordt overigens onder artikel 47 van de wet op de vennootschappen uitdrukkelijk aandacht aan besteed. De tijdelijke handelsvennootschap bestaat wel degelijk en is niet enkel een contract. Artikel 47 van de wet op de vennootschappen zoals het vroegere artikel 175, eerste lid, van de wet op de vennootschappen zeggen niet dat de tijdelijke handelsvennootschap of de tijdelijke handelsvereniging een overeenkomst is. Artikel 47 van de wet op de vennootschappen bepaalt dat de tijdelijke handelsvennootschap een vennootschap is, terwijl het vroegere artikel 175, eerste lid, van de wet op de vennootschappen bepaalt dat de tijdelijke handelsvereniging een vereniging is. De tijdelijke handelsvennootschap bestaat als dusdanig, doch dient in de persoon van de vennoten in rechte te worden aangesproken daar de tijdelijke handelsvennootschap geen rechtspersoonlijkheid heeft. III. In zoverre (de eerste verweerster) aangesproken wordt als werkgever, bijgevolg op grond van artikel 1384, 1 (lees: derde lid), van het Burgerlijk Wetboek, dient de vordering eveneens te worden afgewezen, daar (de eerste verweerster) in de feitelijke context hoegenaamd niet kan aangezien worden als de aansteller van de kraanman, dhr. F. C.. De laatstgenoemde handelde onder het feitelijke gezag van de tijdelijke handelsvennootschap. Er zij herhaald dat de tijdelijke handelsvennootschap niet kan worden aangezien als onbestaande omdat zij geen rechtspersoonlijkheid heeft. Dhr. F. C. heeft bij het manipuleren van de kraan en de betonbak die hij diende te verplaatsen, volledig gehandeld binnen het kader van de aannemingswerken, eerste fase aan de Koninklijke Vlaamse Opera en dienvolgens binnen het doel van de tijdelijke handelsvennootschap zoals voormeld. (De eerste verweerster) heeft dhr. F. C. wiens loon verder door haar werd vereffend, aan de tijdelijke handelsvennootschap beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de aannemingswerken, terwijl deze tijdelijke handelsvennootschap alle bevoegdheden vanwege de vennoten heeft ontvangen om al het nodige te doen tot uitvoering van deze aannemingswerken. Binnen deze bevoegdheid heeft de tijdelijke handelsvennootschap het feitelijke gezag over dhr. F. C. uitgeoefend en daarbinnen is ook het arbeidsongeval geschied. Een en ander sluit volkomen aan bij wat kan gelezen worden in het strafdossier dat n.a.v. het ongeval is opgesteld. Met name wordt erin (een) zekere heer S.M. als 'werfverantwoordelijke' genoemd, terwijl hij bediende is op de loonlijst van de NV Wyckaert (zie stuk nr. 2, dossier (de tweede verweerster), tweede bladzijde onderaan en derde bladzijde bovenaan), duidelijk een andere vennootschap dan (eerste verweerster) op wiens loonlijst dhr. F. C. staat. Er zij aan herinnerd dat de NV Wyckaert eveneens vennoot is van de tijdelijke handelsvennootschap, naast onder andere de NV Vandekerckhove en (de eerste verweerster). In concreto was op de kwestieuze werf bij het uitvoeren van het voormelde kraanwerk het feitelijk gezag over dhr. F. C. geenszins bij (de eerste verweerster), doch wel bij de tijdelijke handelsvennootschap die voor gebeurlijke toepassing van artikel 1384, eerste lid (lees: derde lid), van het Burgerlijk Wetboek als aansteller dient te worden aangezien. Aangezien de tijdelijke handelsvennootschap lasthebber is van de werkgever, (eerste verweerster) - zoals onder punt II hierboven besloten -, geniet de tijdelijke handelsvennootschap en meteen ook (de eerste verweerster) die samen met de andere vennoten solidair gehouden is voor de verbintenissen van de tijdelijke handelsvennootschap, van de immuniteit zoals deze volgt uit artikel 46, ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet". Grieven Eerste onderdeel Voor de toepassing van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek volstaat het dat tussen de persoon die de schade veroorzaakt en de aansteller een band van ondergeschiktheid bestaat. De feitenrechter oordeelt of er een band van ondergeschiktheid bestaat, maar het Hof van Cassatie is bevoegd om na te gaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feitelijke elementen wettig heeft kunnen afleiden dat er een band van ondergeschiktheid bestond. De band van ondergeschiktheid bestaat zodra een persoon zijn gezag en toezicht op de daden van een ander in feite kan uitoefenen. De aansprakelijkheid van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek vereist dat het gezag wordt uitgeoefend voor eigen rekening van de aansteller. Enkel diegene die het gezag en toezicht in zijn eigen belang of voor eigen rekening uitoefent, kan aangezien worden als aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek is lastgeving een handeling waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. De lasthebber stelt de betrokken handelingen niet voor eigen rekening, maar voor rekening van de lastgever. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de tijdelijke handelsvennootschap de lasthebber was van de vennoten (waaronder de eerste verweerster). Het arrest stelt dat uit de overeenkomst van tijdelijke vereniging blijkt dat de tijdelijke vereniging de volledige bevoegdheid krijgt m.b.t. alles wat de verwezenlijking van de werken betreft, ook met betrekking tot het personeel dat ter beschikking van de tijdelijke handelsvennootschap wordt gesteld. Aangezien aldus wordt vastgesteld dat de tijdelijke vereniging/handelsvennootschap deze bevoegdheden uitoefende als lasthebber van de vennoten, kon het bestreden arrest niet zonder schending van artikel 1384, derde lid, en 1984 van het Burgerlijk Wetboek, oordelen dat de tijdelijke vereniging/handelsvennootschap de aansteller was in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Minstens schendt het arrest artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek door te oordelen dat niet eerste verweerster doch wel de tijdelijke vereniging/handels-vennootschap de aansteller was van de heer C. zonder te hebben vastgesteld dat de tijdelijke vereniging/handelsvennootschap (volgens het hof van beroep lasthebber van de vennoten-werkgevers) het toezicht en gezag over de werknemer van eerste verweerster voor eigen rekening uitoefende. Tenminste, bij gebrek aan zodanige vaststelling, stelt het bestreden arrest het Hof niet in staat het wettigheidstoezicht waarmee het belast is, uit te oefenen en omkleedt het derhalve zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede onderdeel Artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de meesters en zij die anderen aanstellen, aansprakelijk zijn voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan. De band van ondergeschiktheid die vereist is voor het begrip aanstelling in de zin van artikel 1384, derde lid, bestaat zodra een persoon zijn gezag en toezicht op de daden van een ander in feite kan uitoefenen. De tijdelijke vereniging (thans handelsvennootschap) heeft overeenkomstig de artikelen 3 en 175 van de Vennootschapswet (thans de artikelen 2 en 47 van het Wetboek van Vennootschappen) geen rechtspersoonlijkheid. De tijdelijke vereniging vormt geen apart rechtssubject. Niet de vereniging, maar de leden, zijn de dragers van de rechten en plichten van de vennootschap. De tijdelijke vereniging zelf kan geen titularis van rechten zijn. Zij is, als vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een louter contractuele betrekking tussen de vennoten. De tijdelijke vereniging (thans handelsvennootschap) heeft geen eigen vermogen en kan zelf geen titularis zijn van de ingebrachte rechten. De inbreng, de gelden, goederen en vorderingsrechten die namens de gezamenlijke vennoten verworven worden en de schulden die worden aangegaan, behoren de vennoten in gemeenschap toe en niet de tijdelijke vereniging. Gelet op het gebrek aan rechtspersoonlijkheid kan de tijdelijke vereniging niet zelf werkgever zijn. Zij kan niet in eigen naam een arbeidsovereenkomst afsluiten. Werknemers worden aangenomen door de gezamenlijke vennoten (of een door hen aangeduide lasthebber) en niet door de tijdelijke vereniging. Wanneer personeel ter beschikking wordt gesteld aan de tijdelijke vereniging, wordt dit personeel in feite door de vennoot ter beschikking gesteld van zijn medevennoten. Gelet op het gebrek aan rechtspersoonlijkheid kan de tijdelijke vereniging evenmin als aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek gezien worden. De aansteller is immers de "persoon" die het gezag en toezicht kan uitoefenen. Indien personeel ter beschikking gesteld wordt van de tijdelijke vereniging, kan niet geoordeeld worden dat de tijdelijke vereniging zelf de aansteller van dit personeel is en dus gezag en toezicht uitoefent op dit personeel. In haar syntheseconclusie voor het hof van beroep, neergelegd op 6 september 2000, stelde de eiseres in die zin (p. 7): "Het spreekt voor zich dat enkel een persoon, hetzij een natuurlijk hetzij een rechtspersoon, als aansteller kan optreden. Vermits een tijdelijke vereniging geen rechtspersoonlijkheid heeft en dus geen persoon is, kan zij niet optreden als aansteller. Het is dan ook evident dat iedere vennootschap, lid van de tijdelijke vereniging, aansteller van haar eigen personeel blijft". In ondergeschikte orde werd gesteld (p. 8): "Ondergeschikt, mochten ook nog andere vennoten gezag, leiding en toezicht op de werknemers van de andere vennoten (gezag) hebben, dan gaat het om een gezamenlijke uitoefening van gezag, leiding en toezicht, ... Welnu, als meerdere personen samen gezag, leiding en toezicht over een arbeider uitoefenen, dan zijn zij allen aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek". In het bestreden arrest wordt geoordeeld dat niet de (afzonderlijke of gezamenlijke) vennoten, maar wel de tijdelijke vereniging (handelsvennootschap) de aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek is van de werknemer van eerste verweerster die de schade veroorzaakte. Met deze beoordeling wordt artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek geschonden en worden de artikelen 3 en 175 van de wet op de handelsvennootschappen, thans de artikelen 2, ,§1, en 47 van het Wetboek van Vennootschappen, geschonden.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320, 1322, 1984 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 3 en 175 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 november 1935, d.i. titel IX van boek I van het Wetboek van Koophandel, zoals deze bestonden voor de opheffing door de wet van 7 mei 1999 (de Vennootschapswet), thans 2, ,§1, en 47 van het Wetboek van Vennootschappen van 7 mei 1999, 46, ,§1, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het in beroep bestreden vonnis, waarin de vordering van de eiseres ongegrond verklaard werd, op volgende gronden: "I. De in de rechten van de slachtoffers gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar kan met toepassing van artikel 46, ,§1, van de Arbeidsongevallenwet, de verantwoordelijken van het arbeidsongeval aanspreken behalve indien deze de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden zouden zijn. De arbeidsongevallenverzekeraar, (de eiseres) spreekt (de eerste verweerster) en diens BA-verzekeraar, (de tweede verweerster), aan tot terugbetaling van vergoedingen die zij aan de slachtoffers heeft uitbetaald. II. A. Onder artikel 13 van de 'overeenkomst van tijdelijke vereniging' staat in het onderdeel 'B. Personeel': 'Het personeel door de vennoten ter beschikking gesteld van de vereniging blijft op de loonstaten van de ter beschikking stellende vennoot, welke blijft instaan voor de loon- en weddeuitkering en de kosten en verplaatsingsvergoedingen naar de werf. Met betrekking tot de ter beschikking gestelde arbeiders is de vereniging aan de vennoten het bruto-basisloon verschuldigd, vermenigvuldigd met 2,30 (op basis van de officiële loonstaten bij de facturatie te voegen)'. (stuk nr. 1 dossier (tweede verweerster), blz.13, onderaan) Verder onder 'C. Algemeen': 'Er zal naar gestreefd worden dat de vennoten een inbreng doen van arbeiderspersoneel in verhouding tot hun deelname in de vereniging': (stuk nr. 1, dossier (tweede verweerster), blz. 14, bovenaan) Onder artikel 7 van de overeenkomst van tijdelijke vereniging worden het 'dagelijks beheersteam' en diens taken vastgelegd: '7.
- Taken Het dagelijks beheersteam voert de leiding over het geheel der werken onder het gezag van het beperkt directiecomité en in samenwerking met de eventuele opgerichte comités zoals bedoeld in artikel 6.
- Het team wordt geleid door de projectleider. De taken bestaan o.a. uit: - (diverse punten) - het leiden van de werf waarin begrepen: het uitvoeren van de werkzaamheden tot voldoening van het beperkt directiecomité, (...) - bouwheer en projectmanagement, (...) (diverse punten)'. Onder artikel 6 van de 'overeenkomst van tijdelijke vereniging' worden het 'directiecomité' en diens functie, taken en bevoegdheden omschreven. Onder '6.
- Bevoegdheden' staat volgende omschreven: 'In het kader van deze overeenkomst beschikt het voltallig/beperkt directiecomité over de ruimste bevoegdheden ten aanzien van beheer, administratie en beschikking, inclusief de bevoegdheid om dadingen en compromissen aan te gaan met het oog op de uitvoering van deze overeenkomst, met het oog op het beheer en de vrijwaring van de belangen van de vereniging en ter verwezenlijking van het in artikel 4 omschreven doel; in het algemeen beschikt alleen het voltallig directiecomité over de bevoegdheden van de raad van bestuur van een naamloze vennootschap': Onder artikel 4 van de overeenkomst van tijdelijke vereniging staat het 'doel' van de vereniging omschreven, met name de eerste fase van de renovatiewerken van de Koninklijke Opera te Gent 'De vereniging heeft tot doel het gezamenlijk door de vennoten uitvoeren van de renovatiewerken 1ste fase - van de Koninklijke Opera te Gent volgens de beperkte offerteaanvraag ingediend op 26 februari 1991 met bestek nr. B9/7898, waarbij de Vlaamse Operastichting VZW, Schouwburgstraat 3 te 9000 Gent optreedt als bouwheer en de Regie der Gebouwen, Predikherenlei 1 te 9000 Gent het projectmanagement waarneemt De opdracht wordt zowel naar de studie als naar uitvoering in twee delen gesplitst enerzijds de elektromechanische uitrusting die verband houdt met manipulatie en decorstukken en de beweegbare scèneonderdelen, en anderzijds alle resterende werken en leveringen. Het ene deel zal bestudeerd en uitgevoerd worden door de NV De Pecker, vijfde vennoot, hierna steeds genoemd de vijfde vennoot. De beschrijving hiervan wordt opgenomen in bijlage I. De NV De Pecker zelf zal hiervoor de financiële, administratieve, technische middelen, alsmede personeel en materieel samenbrengen. Het andere deel zal bestudeerd en uitgevoerd worden door de andere vier vennoten, zijnde de NV LL & N. De Meyer, de NV Algemene Ondernemingen Robert Wyckaert, de NV Gebroeders Vandekerckhove en de NV Interbuild, hierna steeds genoemd de eerste vennoten. Zij zullen dit doen door de gezamenlijke en solidaire inbreng en samenvoeging van hun financiële, administratieve en technische middelen, alsmede van hun personeel en materieel, volgens in artikel 13 beschreven modaliteiten'. B. Uit artikel 13 waarvan uittreksels hierboven geciteerd, blijkt dat er geen (nieuwe) arbeidsovereenkomst is tot stand gekomen tussen de tijdelijke handelsvennootschap enerzijds en anderzijds de diverse werknemers die door de vennoten voor de uitvoering van de werken beschikbaar worden gesteld. De hypothese dat de tijdelijke handelsvennootschap 'werkgever' in de zin van artikel 46 ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet zou kunnen zijn, is bijgevolg niet aan de orde. C. Uit de voormelde 'overeenkomst van tijdelijke vereniging' dient wel te worden besloten dat de tijdelijke vereniging de 'lasthebber' is in de zin van artikel 46, ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet van de betrokken vennoten-handelsvennootschappen en dit met betrekking tot alles wat nodig is tot het verwezenlijken van het doel van de tijdelijke handelsvennootschap zoals omschreven in artikel 4 van de desbetreffende overeenkomst. Immers aan de tijdelijke handelsvennootschap, bestuurd door het voltallig respectievelijk beperkt directiecomité, wordt alles wat betrekking heeft op de uitvoering van de eerste fase van de renovatiewerken voormeld, gedelegeerd door de respectieve vennoten, waaronder de NV Wyckaert, (eerste verweerster) en de NV Vandekerckhove. Met betrekking tot alles wat de verwezenlijking van de bovenbeschreven werken betreft (artikel 4 van de overeenkomst), heeft de tijdelijke handelsvennootschap de volledige bevoegdheid (artikel 6 van de overeenkomst, meer bepaald punt 6.3), inbegrepen de leiding van de werf (via het 'dagelijks beheersteam': artikel 7 van de overeenkomst) en ook met betrekking tot het personeel dat door de vennoten ter beschikking wordt gesteld van de vereniging (artikel 13 van de overeenkomst, meer bepaald punt B). Er zij vastgesteld dat er uitdrukkelijk in de overeenkomst is vastgelegd dat tot verwezenlijking van het doel, de tijdelijke handelsvennootschap in hoofde van het 'volledig directiecomité' over de bevoegdheden van de raad van bestuur van een naamloze vennootschap, beschikt (zie artikel 6, punt 6.3 van de overeenkomst). Een en ander komt neer op een overeenkomst van lastgeving door de vennoten (lastgevers) aan de tijdelijke vereniging (lasthebber): in naam en voor rekening van de vennoten vermocht de tijdelijke vereniging binnen het kader van de verwezenlijking van het doel, alle daartoe noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten. D. De tijdelijke handelsvennootschap kan, bij gebreke van rechtspersoonlijkheid, niet als dusdanig in rechte aangesproken worden; dit betekent evenwel niet dat de tijdelijke handelsvennootschap onbestaande zou zijn. Er wordt overigens onder artikel 47 van de wet op de vennootschappen uitdrukkelijk aandacht aan besteed. De tijdelijke handelsvennootschap bestaat wel degelijk en is niet enkel een contract. Artikel 47 van de wet op de vennootschappen zoals het vroegere artikel 175, alinea 1, van de wet op de vennootschappen zeggen niet dat de tijdelijke handelsvennootschap of de tijdelijke handelsvereniging een overeenkomst is. Artikel 47 van de wet op de vennootschappen bepaalt dat de tijdelijke handelsvennootschap een vennootschap is, terwijl het vroegere artikel 175, alinea 1, van de wet op de vennootschappen bepaalt dat de tijdelijke handelsvereniging een vereniging is. De tijdelijke handelsvennootschap bestaat als dusdanig, doch dient in de persoon van de vennoten in rechte te worden aangesproken daar de tijdelijke handelsvennootschap geen rechtspersoonlijkheid heeft. E. In zoverre (de eerste verweerster) aangesproken wordt door de arbeidsongevallen-verzekeraar als vennoot van de tijdelijke vereniging geniet de eerstgenoemde van de immuniteit van artikel 46, ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet, daar zij aangesproken wordt in haar hoedanigheid van vennoot van de lasthebber". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 46, ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet blijft de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid mogelijk tegen de personen, andere dan de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, die voor het ongeval aansprakelijk zijn. De immuniteit van de werkgever, zijn lasthebbers en aangestelden moet, als uitzondering op het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht, restrictief geïnterpreteerd worden. De term lasthebber in artikel 46, ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet heeft dezelfde betekenis als de term lasthebber in de artikelen 1984 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Lastgeving is een handeling waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen (artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek). Een lastgevingsovereenkomst is een overeenkomst waarbij een persoon belast wordt voor een ander een rechtshandeling te stellen en deze dit aanvaardt. Lastgeving impliceert het stellen van een rechtshandeling. De lasthebber in de zin van artikel 46, ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet is de persoon die krachtens een overeenkomst gelast is met het verrichten van rechtshandelingen in naam en voor rekening van de werkgever. De tijdelijke vereniging of handelsvennootschap heeft geen rechtspersoonlijkheid (artikel 3 en 175 van de Vennootschappenwet, thans 2, ,§1, en 47, van het Wetboek van Vennootschappen). De tijdelijke vereniging is geen rechtssubject, zij is geen drager van rechten en verplichtingen. Een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid kan zelf niet bedingen of zich verbinden. Een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een tijdelijke vereniging, kan niet als lasthebber worden aangesteld. Een tijdelijke vereniging, die zelf geen rechtshandelingen kan stellen bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid, kan niet optreden als lasthebber en in die hoedanigheid rechtshandelingen stellen voor rekening van en in naam van de lastgever. In het bestreden arrest wordt geoordeeld dat de tijdelijke vereniging de lasthebber is van de betrokken vennoten-handelsvennootschappen en dit m.b.t. alles wat nodig is voor het verwezenlijken van het doel van de tijdelijke vereniging. Het hof van beroep oordeelt dat het gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de tijdelijke vereniging niet betekent dat de vereniging onbestaand zou zijn. Het hof verwijst naar artikel 47 van de wet op de vennootschappen en artikel 175, eerste lid, van de wet op de vennootschappen die bepalen dat de tijdelijke handelsvennootschap een vennootschap is, respectievelijk dat de tijdelijke vereniging een vereniging is. In zoverre het bestreden arrest oordeelt dat het gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de tijdelijke vereniging of de tijdelijke handelsvennootschap niet belet dat deze vereniging of vennootschap geldig wordt aangesteld als lasthebber en dus in naam en voor rekening van een ander persoon rechtshandelingen kan stellen, miskent het de betekenis en de draagwijdte van het gebrek aan rechtspersoonlijkheid zoals bepaald in de artikelen 3 en 175 van de Vennootschapswet en 2 en 47 Wetboek van Vennootschappen (schending van de artikelen 3 en 175 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 november 1935, d.i. titel IX van boek I van het Wetboek van Koophandel, zoals deze bestonden voor de opheffing door de wet van 7 mei 1999, thans 2, ,§1, en 47, van het Wetboek van Vennootschappen van 7 mei 1999). Het hof van beroep leidt uit de overeenkomst van tijdelijke vereniging af dat de tijdelijke vereniging in naam en voor rekening van de vennoten binnen het kader van de verwezenlijking van het doel, alle daartoe noodzakelijke rechtshandelingen mochten verrichten en de tijdelijke vereniging derhalve te beschouwen is als lasthebber van de vennoten. In zover het bestreden arrest aldus oordeelt dat een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid geldig kan worden aangesteld door een lastgever om in zijn naam en voor zijn rekening rechtshandelingen te stellen, schendt het arrest bovendien artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek. In het bestreden arrest wordt de vordering van eiseres, die gegrond was op artikel 46 van de Arbeidsongevallenwet, afgewezen, omdat eerste verweerster als vennoot van de tijdelijke vereniging geniet van de immuniteit van artikel 46, ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallenwet, daar zij aangesproken werd in haar hoedanigheid van vennoot van de lasthebber (de tijdelijke vereniging) van de werkgever (eerste verweerster). Door te oordelen dat de tijdelijke vereniging, die een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is en dus niet geldig kan worden aangesteld om rechtshandelingen te verrichten in naam en voor rekening van de werkgever, kan beschouwd worden als lasthebber van de werkgever in de zin van artikel 46, ,§1, 4°, van de Arbeidsongevallen-wet, schendt het arrest bovendien artikel 46, ,§1, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- Tweede onderdeel De rechter beoordeelt de aard en de draagwijdte van een tussen partijen gesloten overeenkomst, maar hij mag de bewijskracht van de akte die de overeenkomst inhoudt, daarbij niet schenden. Bovendien mag de rechter bij zijn beoordeling de wettelijke bepalingen inzake de betrokken overeenkomsten niet schenden. Lastgeving is een handeling waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen (artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek). Een lastgevingsovereenkomst is een overeenkomst waarbij een persoon belast wordt voor een ander een rechtshandeling te stellen. Het bestreden arrest oordeelt dat uit de overeenkomst van tijdelijke vereniging van 30 september 1991 blijkt dat tussen de vennoten (waaronder de eerste verweerster) en de tijdelijke vereniging een lastgevingsovereenkomst werd gesloten en dat de tijdelijke vereniging, als lasthebber, in naam en voor rekening van de vennoten vermocht alle voor de verwezenlijking van het doel van de tijdelijke vereniging noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten. Het hof van beroep leidt dit af uit de artikelen 4 en 6, meer bepaald punt 6.3, artikel 7 en artikel 13, meer bepaald punt B, van de overeenkomst van tijdelijke vereniging van 30 september
- De volgens het hof van beroep relevante stukken van deze artikelen worden in het bestreden arrest overgenomen. In artikel 4 wordt het doel van de tijdelijke vereniging en de verdeling van de te verwezenlijken werken omschreven. Uit deze bepaling, waarin onder meer wordt gesteld dat vier vennoten zullen samenwerken door de gezamenlijke en solidaire inbreng en samenvoeging van hun financiële, administratieve en technische middelen, alsmede van hun personeel en materieel, volgens de in artikel 13 beschreven modaliteiten, kan niet worden afgeleid dat de tijdelijke vereniging rechtshandelingen zou moeten stellen in naam en voor rekening van de vennoten. Artikel 6 handelt over het directiecomité (functie, taak, bevoegdheden). In artikel 6.3 wordt gesteld dat het voltallig/beperkt directiecomité over de ruimste bevoegdheden beschikt ten aanzien van beheer, administratie en beschikking, inclusief de bevoegdheid om dadingen en compromissen aan te gaan met het oog op de uitvoering van de overeenkomst. Ook uit deze bepaling kan geenszins worden afgeleid dat de tijdelijke vereniging (op zich) aangesteld werd als lasthebber van iedere vennoot (waaronder de eerste verweerster). In artikel 7 worden de taken, de samenstelling en de vervanging van een lid van het dagelijks beheerteam beschreven. Uit deze bepaling blijkt dat het dagelijks beheersteam de leiding voert over het geheel der werken onder het gezag van het beperkt directiecomité. Dit houdt echter geenszins in dat de tijdelijke vereniging als lasthebber van de vennoten rechtshandelingen zou moeten stellen. Artikel 13 B bepaalt dat het personeel van de vennoten ter beschikking wordt gesteld van de tijdelijke vereniging, dat het personeel op de loonlijst van de vennoot blijft staan en dat de tijdelijke vereniging aan de vennoot een vergoeding betaalt. Onder artikel 13 C wordt gesteld dat er naar gestreefd wordt dat de vennoten een inbreng doen van arbeiderspersoneel in verhouding tot hun deelname in de tijdelijke vereniging. Ook uit deze bepalingen kan niet worden afgeleid dat de tijdelijke vereniging aangesteld wordt als lasthebber van de vennoten. In zover het bestreden arrest uit de overeenkomst van tijdelijke vereniging van 30 september 1991 en, meer bepaald uit de in het arrest aangehaalde bepalingen, afleidt dat de tijdelijke vereniging in naam en voor rekening van de vennoten binnen het kader van de verwezenlijking van het doel, alle daartoe noodzakelijke rechtshandelingen mocht verrichten, geeft het aan de bewoordingen van deze overeenkomst een uitlegging die daarmee onverenigbaar is en schendt het derhalve de bewijskracht van deze overeenkomst, en meer bepaald van de in het arrest aangehaalde bepalingen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Het bestreden arrest dat uit de overeenkomst van tijdelijke vereniging van 30 september 1991, waaruit niet blijkt dat de tijdelijke vereniging zelf werd aangesteld om rechtshandelingen te stellen in naam en voor rekening van de vennoten, afleidt dat de tijdelijke vereniging werd aangesteld als lasthebber van de vennoten, is niet wettig verantwoord (schending van artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid van het middel
- De tweede verweerster en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij werpen een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: het middel vertoont geen belang omdat het gericht is tegen ten overvloede gegeven redenen.
- Uit het bestreden arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres van de eerste verweerster en van de tweede verweerster, verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van de eerste verweerster, terugbetaling vorderde van de vergoedingen betaald aan de slachtoffers van een arbeidsongeval, waarvoor de eiseres de eerste verweerster aansprakelijk acht op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
- Het arrest wijst deze vordering af op grond dat het feitelijk gezag over de werknemer van de eerste verweerster die het ongeval veroorzaakte niet bij de eerste verweerster lag, maar wel bij de tijdelijke handelsvennootschap, die voor de toepassing van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek als aansteller dient te worden aangezien.
- Nu het arrest zijn beslissing tot afwijzing van de vordering van de eiseres hierop grondt, zijn de motieven met betrekking tot de uitoefening van het feitelijk gezag niet door de eerste verweerster, maar door de tijdelijke handelsvennoot-schap, als aansteller, niet als overtollige redenen te beschouwen. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Het middel zelf Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zijn de meesters en zij die anderen aanstellen aansprakelijk voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.
- De aansteller in de zin van deze bepaling, is de persoon die, voor eigen rekening, in feite gezag en toezicht op de daden van een ander kan uitoefenen.
- Het arrest stelt vast dat aan de tijdelijke handelsvennootschap alles wat betrekking heeft op de uitvoering van de eerste fase van de renovatiewerken, gedelegeerd werd door de respectieve vennoten, waaronder de eerste verweerster, en dat de tijdelijke handelsvennootschap de volledige bevoegdheid heeft met betrekking tot alles wat de verwezenlijking van de bovenbeschreven werken betreft, ook met betrekking tot het personeel dat door de vennoten ter beschikking wordt gesteld van de vereniging.
- Het arrest oordeelt dat "een en ander (neer)komt op een overeenkomst van lastgeving door de vennoten (lastgevers) aan de tijdelijke vereniging (lasthebber): in naam en voor rekening van de vennoten vermocht de tijdelijke vereniging binnen het kader van de verwezenlijking van het doel, alle daartoe noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten". Het arrest stelt voorts vast dat "binnen deze bevoegdheid de tijdelijke handelsvennootschap het feitelijk gezag over (de werknemer van de eerste verweerster) heeft uitgeoefend en daarbinnen is ook het arbeidsongeval geschied". Uit deze overwegingen blijkt, volgens de appelrechter, dat de tijdelijke handelsvennootschap het feitelijk gezag over de werknemer van eerste verweerster uitoefende in naam en voor rekening van de vennoten.
- Het arrest verantwoordt op grond van deze vaststellingen en overwegingen zijn beslissing dat niet de eerste verweerster, maar wel de tijdelijke handelsvennootschap, als aansteller te beschouwen is in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en op die grond aansprakelijk is, niet naar recht en schendt deze wettelijke bepaling. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- Gelet op de beslissing in het antwoord op het eerste middel over de aansprakelijkheid van de tijdelijke vereniging, vertonen de overige grieven geen belang meer. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing dat de eerste verweerster niet kan worden aangesproken door de eiseres, dient uitgebreid te worden tot de beslissing van het bestreden arrest dat "er uiteraard geen aanleiding (is) tot vraagstelling naar de dekkingsverplichting door (de tweede verweerster), B.A.-verzekeraar van (de eerste verweerster)" en tot de beslissing dat de vrijwaringseis van de tweede verweerster tegen de NV Monument-Vandekerckhove ongegrond is bij gebreke aan voorwerp.
- Geen van deze gedingvoerende partijen kon immers een ontvankelijk cassatieberoep tegen deze beslissingen instellen, zodat die beslissingen, wat de omvang van de cassatie betreft, niet onderscheiden zijn van de bij dit arrest vernietigde beslissingen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Ontvangt de eis tot tussenkomst door de tweede verweerster ingesteld tegen de NV Monument-Vandekerckhove en verklaart het arrest bindend voor de in tussenkomst opgeroepen partij. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig januari tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div