id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.2 Rolnummer: S.04.0088.N-S.04.0169.N Zaak: SCHOLA EUROPAEA contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 1025 - laatst gezien 2026-07-04 03:20 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Artikel 26 van de wet van 17 april 1878 houdende Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is van toepassing op elke burgerlijke rechtsvordering die gestoeld is op feiten die het bestaan van een misdrijf doen blijken, zelfs wanneer die feiten eveneens een contractuele tekortkoming van de werkgever uitmaken en het voorwerp van de vordering in de uitvoering van die contractuele verbintenis bestaat als herstel van de geleden schade
(2)Artt. 3 en 4 in hun versie zowel vóór als na de wijziging bij wetten van 11 juni 1994 en 28 maart 2000 en art. 26 in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na wijziging bij wet van 10 juni 1998 van de wet van 17 april 1878, Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING Vrije woorden: Termijn - Duur - Loonvordering - Rechtsvordering - Ex delicto - Ex contractu - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3, 4 en 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Verjaring - Termijn - Duur - Arbeidsovereenkomst - Loonvordering - Misdrijf Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3, 4 en 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: Misdrijf - Arbeidsovereenkomst - Loonvordering - Rechtsvordering - Burgerlijke rechtsvordering - Verjaring - Termijn Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3, 4 en 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 4 De vordering tot betaling van brutobedragen van achterstallig loon bij wijze van herstel in natura sluit ook de vergoeding in voor de schade ingevolge de niet betaling van de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing. Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON Vrije woorden: Achterstallig loon - Herstel in natura - Brutobedragen - Sociale zekerheidsbijdragen - Bedrijfsvoorheffing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 Artikel 10, Loonbeschermingswet is niet van toepassing op ingevolge het misdrijf "niet betaling van het op gezette tijden verschuldigd loon" als herstel in natura toegekend loonbedrag. Thesaurus CAS: INTERESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: Betaling van loonachterstallen - Rechtsvordering - Schadevergoeding tot herstel in natura - Geen wettelijke interest verschuldigd Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 10, vóór wijziging bij wet van 26 juni 2002 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0088.N. EUROPESE SCHOOL TE MOL, SCHOLA EUROPAEA, openbare instelling, met zetel te 2400 Mol, Europawijk 100, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.D.B. E., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. II. Nr. S.04.0169.N. V.D.B. E., wonende te 2440 Geel, Kraaibossen 24, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen EUROPESE SCHOOL TE MOL, SCHOLA EUROPAEA, openbare instelling, met zetel te 2400 Mol, Europawijk 100, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 15 oktober 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN A. Zaak S.04.0088.N De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 15, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsover-eenkomsten; - de artikelen 3, 4, dit laatste artikel in zijn versie zowel vóór als na de wijziging bij wetten van 11 juli 1994 en 28 maart 2000, en 26, dit laatste artikel in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na de wijziging bij wet van 10 juni 1998, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; - artikel 1138, 2° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen, genaamd het “beschikkingsbeginsel”; - de artikelen 1382, 1383 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het arbeidshof verklaart in het aangevochten arrest het door de eiseres tegen het vonnis, gewezen door de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Turnhout op 24 juni 2002, ingestelde hoger beroep in de zaak gekend onder A.R. 2020551 en het incidenteel beroep, ingesteld door verweerster, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, verleent verweerster akte van de uitbreiding en wijziging van haar vordering, verklaart de nieuwe vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en vernietigt het voornoemd vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout. Opnieuw rechtsprekende over de door verweerster ingestelde vorderingen, zoals gewijzigd en uitgebreid, verklaart het arbeidshof de vordering in betaling van achterstallig loon ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiseres tot betaling van 67.129,99 euro achterstallig loon, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende nettogedeelte te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 15 oktober
- Tevens veroordeelt het arbeidshof de eiseres tot afgifte van een verbeterd werkloosheidsattest C4 binnen de 14 dagen na de betekening van het arrest en tot afgifte van een corresponderende loonrekening en een fiscale fiche 281.10 met betrekking tot de in het arrest toegekende bedragen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. Het arbeidshof aanvaardt in het bestreden arrest (p. 6) volgende feitelijke gegevens als bewezen: “Mevrouw V.D.B. is in dienst geweest van Schola Europaea van 15 september 1972 tot 8 september 1998 als docente, in het kader van verschillende opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd, telkens in het kader van een deeltijdse betrekking. De eerste overeenkomst werd gesloten op 18 december 1972 voor één jaar vanaf 15 september 1972, de laatste op 15 september 1997, voor een bepaalde tijd tot en met 8 september
- Wat de bezoldiging betreft verwijzen de voorgelegde arbeidsovereenkomsten naar het barema geldend voor de docenten in de middelbare school of naar de zogeheten ‘regeling welke van toepassing is op docenten met beperkte leeropdrachten’. Bedoelde regeling, waarvan niet ter discussie staat dat zij bindend was voor partijen tijdens de ganse duur van de tewerkstelling, kent aan de docenten met beperkte leeropdracht die door de directeur van de school zijn aangeworven, een bezoldiging toe gelijk aan een welbepaald bedrag per jaar, voor elk lesuur per week. Het staat niet ter discussie dat Schola Europaea tijdens de ganse duur van de tewerkstelling van mevrouw V.D.B. een bedrag betaalde gelijk aan het aantal per week gepresteerde uren, vermenigvuldigd met het voor haar geldende basisbedrag, verminderd met 14 pct. Met een aangetekende brief van 21 oktober 1997 betekende Schola Europaea een opzeggingstermijn aan mevrouw V.D.B., ingaand op 1 november 1997 om te eindigen op 8 september 1998”. Onder de titel “achterstallig loon” sub 2.4.1 stelt het arbeidshof vervolgens vooreerst het bestaan van een misdrijf vast. Het arbeidshof overweegt dat de verweerster “betaling van achterstallig loon (vordert), ondergeschikt schadevergoeding als herstel van de schade die zij geleden heeft ingevolge het door (de eiseres) gepleegde misdrijf bestaande uit het niet (correct) betalen van het overeengekomen loon, strafbaar gesteld bij artikel 42 Loonbeschermingswet, misdrijf dat zij kwalificeert als een voortgezet misdrijf” en beslist dat de verweerster het bestaan van zowel het materieel als het moreel bestanddeel van dit sociaalrechterlijk misdrijf bewijst (arrest, pp. 11-13, nr. 2.4.1). Vervolgens stoelt het arbeidshof zijn beslissing op volgende motieven: “2.4.2 Vordering ex delicto In aanvullende beroepsconclusie heeft mevrouw V.D.B. duidelijk, ondubbelzinnig en in hoofdorde betaling gevorderd van 67.129,99 euro achterstallig loon als herstel in natura van de schade geleden ingevolge het door Schola Europaea gepleegde (voortgezet) misdrijf, strafbaar gesteld bij artikel 42 Loonbeschermingswet en, in ondergeschikte orde, eenzelfde bedrag als schadevergoeding bij equivalent. Beide vorderingen strekken tot herstel van de schade die het gevolg is van het door Schola Europaea gepleegde misdrijf, bestaande uit het niet correct betalen van het overeengekomen loon. Anders dan Schola Europaea voorhoudt kan een werknemer in het kader van een vordering ex delicto, zowel de betaling vorderen van de lonen, waarvan de niet-betaling precies het misdrijf vormt waarop zijn vordering steunt, als een schadevergoeding bij equivalent. Niets verplicht het slachtoffer van een sociaalrechtelijk misdrijf immers het herstel van zijn schade bij equivalent te vorderen, hij kan evenzeer opteren voor een herstel in natura. (vgl. Eliaerts, L., “Loon als schadevergoeding ex delicto”, Soc. Kron. 1995, 257-261 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer ; Rauws, W., “De verjaring in het arbeidsrecht”, in CBR jaarboek 2001-2002, Antwerpen Apeldoorn, Maklu, 2002, 318 e.v. en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer). 2.4.3 Verjaring De verjaringstermijn van de burgerlijke vordering ex delicto bedroeg voor de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 vijf jaar, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder te kunnen verjaren voor de strafvordering (vgl. artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering oud). Bij wet van 10 juni 1998 werd artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering vervangen door de volgende tekst: ‘De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kan echter niet verjaren voor de strafvordering’. In dit verband dient erop gewezen te worden dat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 van de Loonbeschermingswet, de strafvordering wegens overtreding van artikel 42 van diezelfde wet, verjaart door verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan. Voor het bepalen van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van de strafvordering moet de datum waarop het misdrijf werd gepleegd in aanmerking worden genomen, met als gevolg dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen ogenblikkelijke, voortdurende en voortgezette misdrijven. Bij een ogenblikkelijk misdrijf neemt de verjaringstermijn een aanvang op het ogenblik waarop het strafbare feit werd gepleegd, bij een voortdurend misdrijf op het ogenblik dat de strafbare toestand heeft opgehouden en bij een voortgezet misdrijf op het ogenblik dat het laatste strafbare feit werd gepleegd, op voorwaarde dat, behoudens stuiting of schorsing van de verjaring, de termijn tussen de verschillende feiten niet langer was dan de verjaringstermijn zelf. (De Nauw A., ‘De verjaring van de rechtsvordering ex delicto in het sociaal recht’ ; in Rigaux M., ‘Actuele problemen van het arbeidsrecht 4’ Antwerpen-Apeldoorn, Maklu uitgevers, 1994, 13 en de aldaar geciteerde rechtspraak). Een voortgezet misdrijf is een misdrijf dat bestaat uit verschillende strafbare gedragingen, handelingen, of onthoudingen van dezelfde aard of van verschillende aard die geacht worden samen slechts één misdrijf uit te maken wegens de eenheid van misdadig opzet in hoofde van de dader, dit is wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door één feit, te weten één complexe gedraging, zijn opgeleverd. Onder eenheid van misdadig opzet wordt daarbij niet bedoeld opzet in contrast tot onachtzaamheid, maar wel het plan, de bedoeling of de ingesteldheid van de dader waarvan de veelheid van strafbare gedragingen de uitdrukking is (vgl. Dupont L., ‘Het begrip voortgezet misdrijf, de problematiek van de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering ex delicto m.b.t. het arbeidsovereenkomstenrecht’ ; Soc. Kron. 1988, 362). Eenheid van opzet bestaat in het sociaal strafrecht uit een bepaald doel of een plan waarvan de veelheid van misdrijven de uitvoering vormen en kan bijvoorbeeld voortvloeien uit de mondelinge of schriftelijke overeenkomst of uit het betalingssysteem dat afwijkt van de wettelijke of reglementaire bepalingen waarvan de niet-naleving wordt gesanctioneerd. (vgl. Verougstraete, W., ‘De verjaring van de burgerlijke vordering die het gevolg is van een misdrijf’, Soc. Kron. 1981, 49) . Bovenstaande overwegingen m.b.t. het voorgezet misdrijf blijven onverkort gelden na de wijziging van artikel 65 van het Strafwetboek bij wet van 11 juni
- Bedoelde wetswijziging vormt immers een wettelijke grondslag voor en een bevestiging van de vroeger jurisprudentieel tot stand gekomen notie van het voortgezet misdrijf. (Van den Wijngaert, C., o.c., 182-183). Dat het ingevolge deze bepaling thans mogelijk is, niettegenstaande de vastgestelde samenloop van de strafbare gedragingen, meerdere straffen uit te spreken doet daaraan geen afbreuk. Eveneens bij wet van 10 juni 1998 werden de regels betreffende de algemene termijnen van verjaring in het Burgerlijk Wetboek gewijzigd. Het nieuwe artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek bepaalt thans dat de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon met als maximum een termijn van 20 jaar te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt zich heeft voorgedaan. De verjaring loopt niet meer tegen de eisende partij wanneer zij tijdig haar burgerlijke vordering heeft ingesteld en dit totdat een in kracht van gewijsde gegane beslissing het geding heeft beëindigd (vgl. inmiddels opgeheven artikel 27 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, en artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek). Voor rechtsvorderingen ontstaan voor de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 beginnen de nieuwe verjaringstermijnen slechts te lopen vanaf haar inwerkingtreding, zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer mag bedragen van 30 jaar. In casu kan bezwaarlijk worden betwist dat de bij elke loonbetaling gepleegde misdrijven hun oorsprong vinden in een door Schola Europaea gehanteerd systeem, dit blijkt overduidelijk uit de neergelegde nota's m.b.t. de berekening van de wedden van het niet gedetacheerd onderwijzend personeel. Er is dan ook sprake van eenheid van opzet, zodat mevrouw V.D.B. de verschillende strafbare gedragingen terecht kwalificeert als één voortgezet misdrijf. De strafbare gedragingen hebben zich voorgedaan vanaf de datum waarop het loon voor de maand september 1972 moest worden betaald tot en met de datum waarop het loon voor de maand september 1998 moest worden betaald, datum die zich evident niet voor september 1998 situeert. De vordering tot herstel van de door deze strafbare gedragingen veroorzaakte schade werd ingesteld bij conclusies neergelegd ter griffie van (het hof van beroep) op 6 februari 2003 en derhalve voor het verstrijken van de verjaringstermijn van de strafvordering, zodat deze vordering noch geheel noch gedeeltelijk verjaard is. 2.4.4 Gevorderde bedragen Nu, om de hiervoor uiteengezette redenen, vaststaat dat mevrouw V.D.B. maandelijks een lager loon ontving dan het loon waarop zij recht had, is het evident dat zij schade heeft geleden. Bedoelde schade bestaat uiteraard, doch niet uitsluitend, uit de gederfde netto-inkomsten. Ook het feit dat de loontekorten niet het voorwerp hebben uitgemaakt van bijdragestorting in het socialezekerheidsstelsel voor werknemers heeft noodzakelijk nadelige repercussies, inzonderheid voor het vaststellen van de rechten die mevrouw V.D.B. uit dit socialezekerheidsstelsel kan putten. Dat de door mevrouw V.D.B. gevorderde loonbedragen corresponderen met het verschil tussen het volgens de ‘Regeling van toepassing op docenten met beperkte leeropdracht’ verschuldigde loon en het effectief betaalde loon staat als zodanig niet ter discussie. Deze vaststelling verantwoordt volkomen de toekenning van de gevorderde loonachterstallen als herstel van de schade in natura” (arrest, pp. 14-17). Voorts stelt het arbeidshof vast dat “de verplichting tot betaling van de loonachterstallen en opzeggingsvergoeding waartoe (de eiseres) werd veroordeeld (...) tot gevolg (heeft) dat zij gehouden is tot afgifte van een verbeterd werkloosheidsattest C4, een corresponderende loonrekening en een fiscale fiche 281.10”. (arrest, p. 21, nr. 2.7) Grieven
- Krachtens artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 verjaren de rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst of vijf jaar na het feit waaruit deze vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst mag overschrijden. Deze bepaling is van toepassing op de door de werknemer tegen de werkgever ingestelde vordering met als voorwerp de uitvoering van contractuele verbintenissen, zoals bv. het betalen van het contractueel overeengekomen loon, zelfs als de werknemer die vordering tevens gegrond heeft op het feit dat de werkgever de strafwet heeft overtreden door die verbintenissen niet na te komen. 2.1 De rechtsvordering tot herstel van een door een misdrijf veroorzaakte schade behoort overeenkomstig artikel 3 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering aan hen die de schade hebben geleden. Luidens artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke rechtsvordering terzelfder tijd en voor dezelfde rechters worden vervolgd als de strafvordering of afzonderlijk (voor de burgerlijke rechter) worden vervolgd. Op de burgerlijke vordering tot schadevergoeding, spruitend uit een misdrijf, is de verjaringstermijn van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. 2.2 Overeenkomstig artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 10 juni 1998, verjaart de burgerlijke vordering volgend uit een misdrijf door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zij kan echter niet verjaren voor de strafvordering. Sinds de wijziging bij wet van 10 juni 1998 bepaalt artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering dat de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade ; zij kan echter niet verjaren voor de strafvordering. Naar luid van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juni 1998, verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Deze vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. 2.3 Zoals het arbeidshof in het bestreden arrest (p. 14, voorlaatste alinea), vaststelt, verjaart de strafvordering wegens het misdrijf van niet-betaling van loon door het verloop van 5 jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan. Wanneer, zoals in casu door het arbeidshof wordt beslist (arrest, pp. 15-16), de verschillende strafbare gedragingen wegens eenheid van opzet geacht worden een voortgezet misdrijf uit te maken, begint de verjaring van de strafvordering met betrekking tot dit misdrijf slechts te lopen vanaf het laatste strafbare feit, d.i. in casu de datum waarop het loon voor september 1998 diende te worden betaald, welke datum zich niet vóór september 1998 situeert. Indien door de eiseres een voortgezet misdrijf werd gepleegd door het niet-betalen van loon, diende de rechtsvordering tot herstel van de schade veroorzaakt door dit misdrijf derhalve te worden ingesteld binnen de termijn van vijf jaar vanaf de datum waarop het loon voor september 1998 diende te worden betaald.
- De rechtsvordering wegens niet-betaling van loon kan als een rechtsvordering ex delicto in de zin van artikel 3 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering worden omschreven en is derhalve aan de bij artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven verjaringstermijn onderworpen, op voorwaarde, primo, dat de rechter vaststelt dat de niet-betaling van het loon een misdrijf is, secundo, dat de rechtsvordering niet strekt tot de nakoming van de contractuele verbintenis tot betaling van loon, maar tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit het misdrijf van niet-betaling van loon, en dus strekt tot het verkrijgen van schadevergoeding. Eerste onderdeel 4.1 Luidens artikel 149 van de Grondwet dient elk vonnis of arrest met redenen te worden omkleed. Wanneer een rechterlijke beslissing een tegenstrijdigheid bevat tussen de motieven of in het beschikkend gedeelte, dan wel tussen de motieven en het beschikkend gedeelte, worden de elkaar tegensprekende motieven en/of beslissingen geacht elkaar onderling op te heffen, zodat deze beslissing niet regelmatig met redenen is omkleed en artikel 149 van de Grondwet schendt. Voor zover de rechterlijke beslissing een tegenstrijdigheid in de beschikkingen bevat, miskent ze tevens artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek. 4.2 Het arbeidshof beslist in het bestreden arrest enerzijds - dat verweerster in hoofdorde 67.129,99 euro achterstallig loon als herstel in natura van de schade geleden ingevolge het door de eiseres gepleegde misdrijf vordert en, in ondergeschikte orde, eenzelfde bedrag als schadevergoeding bij equivalent, - dat beide vorderingen strekken tot herstel van de schade die het gevolg is van het door de eiseres gepleegde misdrijf, bestaande uit het niet correct betalen van het overeengekomen loon, - dat de werknemer, in het kader van een vordering ex delicto, betaling kan vorderen van lonen, daar niets het slachtoffer van een sociaalrechtelijk misdrijf verplicht te opteren voor herstel van zijn schade bij equivalent en hij derhalve evenzeer voor herstel in natura kan optreden (lees: opteren) (arrest, p. 14, nr. 2.4.2), - dat verweerster, die maandelijks een lager loon ontving dan datgene waarop zij recht had, schade heeft geleden en de toekenning van de gevorderde loonachterstallen als herstel van de schade in natura verantwoord voorkomt (arrest, pp. 16-17, nr. 2.4.4). Uit deze overwegingen in het motiverend gedeelte van het arrest blijkt dat verweerster lastens de eiseres aanspraak kan maken op “loonachterstal als herstel in natura” van de schade uit het misdrijf. Het arbeidshof beslist anderzijds dat de eiseres gehouden is tot afgifte van een verbeterd werkloosheidsattest C4, een corresponderende loonrekening en een fiscale fiche 281.10 omwille van “de verplichting tot betaling van de loonachterstallen” (arrest, p. 21, nr. 2.7) en verklaart in het dispositief van het arrest (p. 23, tweede en derde alinea) verweersters “vordering in betaling van achterstallig loon ontvankelijk en gegrond” en veroordeelt vervolgens de eiseres uitdrukkelijk tot betaling van achterstallig loon. Door enerzijds te beslissen dat verweerster vanwege de eiseres aanspraak kan maken op achterstallig loon als herstel in natura van de schade voortvloeiend uit het door de eiseres begane misdrijf, doch de eiseres anderzijds te veroordelen tot betaling van eigenlijke loonachterstallen, houdt het bestreden arrest tegenstrijdige beschikkingen in of bevat het minstens een tegenstrijdigheid tussen zijn motieven en/of tussen de motieven en zijn beschikkend gedeelte, zodat het niet regelmatig is gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet) en tevens artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek schendt. Tweede onderdeel 5.1 Uit het hoger uiteengezette, sub nrs. 1 t.e.m. 3, welke argumentatie hierbij als uitdrukkelijk hernomen dient te worden aangezien, volgt dat de vordering van de werknemer, ertoe strekkende de werkgever te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, een vordering tot uitvoering van contractuele verbintenissen uitmaakt die onderworpen is aan de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde verjaringstermijn, zelfs al wordt de vordering mede gestoeld op het in de Loonbeschermingswet voorziene misdrijf niet-betaling van loon. Deze vordering dient te worden ingesteld binnen één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst of vijf jaar na het feit waaruit deze vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst mag overschrijden. Dergelijke vordering diende in casu derhalve binnen één jaar na 8 september 1998 (einddatum van de arbeidsovereenkomst; arrest, p. 6, in medio) te worden ingesteld en kon slechts betrekking hebben op loonachterstal verschuldigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het instellen van de vordering. 5.2 Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling aan verweerster van achterstallig loon verschuldigd voor de ganse tewerkstellingsperiode (1972-1998), dit is tot uitvoering van haar uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen (arrest, p. 23, tweede en derde alinea). Deze vordering diende derhalve, overeenkomstig artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, door verweerster te worden ingesteld binnen één jaar na 8 september 1998, en kon slechts betrekking hebben op loonachterstallen verschuldigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het instellen van die vordering. 5.
- Het arbeidshof stelt uitdrukkelijk vast dat verweerster bij dagvaarding betekend op 1 juni 1999 betaling van achterstallig vakantiegeld vorderde en zij in de procedure in eerste aanleg op geen enkel ogenblik aanspraak heeft gemaakt op betaling van achterstallig loon (arrest, p. 3, tweede alinea en p. 10). De eiseres heeft, aldus het arbeidshof, slechts in haar aanvullende beroepsconclusie haar vordering overeenkomstig de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek gewijzigd en betaling gevorderd van achterstallig loon (arrest, p. 10, derde en tweede laatste alinea). Deze aanvullende beroepsconclusie werd op 6 februari 2003 ter griffie ingediend (arrest, p. 2, in fine). 5.4 De vordering van verweerster, ertoe strekkende de eiseres te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, werd aldus méér dan één jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingesteld, zodat deze vordering overeenkomstig artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet verjaard was en het arbeidshof de eiseres niet wettig kon veroordelen tot betaling van achterstallig loon. 5.5 Zelfs indien zou dienen geoordeeld te worden - quod non - dat de vordering strekkende tot betaling van achterstallig loon virtueel begrepen was in de vordering tot betaling van achterstallig vakantiegeld, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de verjaringstermijn overeenkomstig artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek gestuit werd door de dagvaarding van 1 juni 1999, is de beslissing waarbij de eiseres veroordeeld wordt tot betaling van 67.129,99 euro achterstallig loon d.i. het niet-uitbetaalde loon tijdens de ganse tewerkstellingsperiode (1972-1998), niet naar recht verantwoord. De vordering strekkende tot betaling van achterstallig loon dient immers, zoals hoger uiteengezet, te worden ingesteld binnen vijf jaar na het feit waaruit deze vordering is ontstaan. De op 1 juni 1999 betekende dagvaarding kon derhalve slechts de verjaring stuiten met betrekking tot de vordering strekkende tot betaling van achterstallig loon voor de periode van vijf jaar voorafgaand aan 1 juni
- De vordering tot betaling van loon verschuldigd vóór 1 juni 1994 was derhalve alleszins verjaard. 5.6 Door de eiseres te veroordelen tot betaling van 67.129,99 euro achterstallig loon om reden dat de door artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalde verjaringstermijn niet was verstreken, schendt het arbeidshof derhalve de artikelen 3, 4 (dit laatste artikel in zijn versie zowel vóór als na de wijziging bij wetten van 11 juli 1994 en 28 maart 2000) en 26 (dit laatste artikel in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na de wijziging bij wet van 10 juni 1998) van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Derde onderdeel 6.1 De vordering tot betaling van achterstallig loon is een vordering tot uitvoering van een uit de arbeidsovereenkomst ontstane contractuele verbintenis, zodat de verjaring van deze vordering beheerst wordt door artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet en niet door artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zelfs indien de vordering tevens gegrond is op het feit dat de werkgever de strafwet heeft overtreden door die verbintenis niet na te komen. Het is de werknemer derhalve niet mogelijk in het kader van een vordering ex delicto vanwege de werkgever betaling van achterstallig loon te vorderen. De vordering ex delicto strekt immers tot herstel van de door een misdrijf veroorzaakte schade. Deze burgerlijke vordering tot herstel van de door een misdrijf veroorzaakte schade, zoals bedoeld in de artikelen 3 en 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, kan alleen schadeherstel - bij equivalent of in natura - opleveren, terwijl de vordering tot uitvoering van de loonverbintenis strekt tot werkelijk rechtsherstel. Het is voor de werknemer derhalve niet mogelijk een burgerlijke vordering ex delicto tegen de werkgever in te stellen strekkende tot herstel in natura van de schade veroorzaakt door het door de werkgever gepleegde misdrijf, waarbij dit schadeherstel (d.i. het voorwerp van de vordering) bestaat uit de betaling van achterstallig loon. 6.2 In zoverre het Hof zou oordelen dat het arbeidshof de eiseres niet veroordeelt tot betaling van eigenlijke loonachterstallen - quod non - doch wel tot betaling van achterstallig loon als herstel in natura van de schade geleden door het door de eiseres gepleegde misdrijf, is de aangevochten beslissing derhalve evenmin naar recht verantwoord. Een vordering strekkende tot betaling van loon, d.i. tot uitvoering van een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verbintenis, heeft, zoals hiervoor uiteengezet, immers niet tot voorwerp het herstel, het weze in natura, van de schade voortvloeiend uit het misdrijf, doch strekt tot rechtsherstel. De vordering strekkende tot betaling van achterstallig loon is derhalve, ook al wordt zij mede gesteund op een misdrijf en wordt het achterstallig loon ten onrechte als herstel in natura van de door dit misdrijf veroorzaakte schade omschreven, een vordering ex contractu onderworpen aan de verjaringstermijn bepaald in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet en niet aan de verjaringstermijn bepaald in artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Door de eiseres te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, het weze als herstel in natura, ten belope van 67.129,99 euro, en te beslissen dat deze vordering niet was verjaard, schendt het arbeidshof derhalve, zoals sub nrs. 5.1 t.e.m. 5.6 uiteengezet, welke argumentatie hierbij als uitdrukkelijk hernomen dient te worden aangezien, de artikelen 3, 4 (dit laatste artikel in zijn versie zowel vóór als na de wijziging bij wetten van 11 juli 1994 en 28 maart 2000) en 26 (dit laatste artikel in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na de wijziging bij wet van 10 juni 1998) van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet en 2262 bis van het Burgerlijk Wetboek. Vierde onderdeel 7.1 Indien het Hof zou aannemen dat het arbeidshof de eiseres in het aangevochten arrest veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, het weze als herstel in natura of bij equivalent van de schade veroorzaakt door het door de eiseres gepleegde misdrijf, is de beslissing evenmin naar recht verantwoord. 7.2 Luidens artikel 149 van de Grondwet dient elk vonnis of arrest met redenen te worden omkleed. De rechter is ingevolge deze grondwetsbepaling verplicht te antwoorden op alle precieze en relevante middelen die partijen op regelmatige wijze in hun besluiten hebben aangevoerd. 7.3 Verweerster vorderde vanwege de eiseres betaling van een bedrag van 67.129,99 euro als achterstallig loon, en in ondergeschikte orde als schadevergoeding (syntheseberoepsconclusie, p. 23), zijnde het brutobedrag van het haar ten onrechte niet uitbetaalde loon (syntheseberoepsconclusie, p. 18, in fine). De eiseres voerde in haar beroepsbesluiten aan dat de door verweerster ingevolge het misdrijf geleden schade niet kan worden gelijkgesteld met het brutobedrag van het niet betaalde loon. De eiseres stelde desbetreffend, enerzijds, dat krachtens artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 op het loon sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn door de werknemer, terwijl die bijdrage overeenkomstig artikel 19, §2, 2°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet verschuldigd is op de schadevergoeding die verweerster vordert. De werknemersbijdrage van 13,07 pct. kan aldus geen deel uitmaken van de schade die verweerster beweert te hebben geleden en moet van het gevorderde bedrag worden afgetrokken. De eiseres stelde, anderzijds, dat de schadevergoeding anders wordt belast dan loon dat in de loop van de tewerkstelling tijdig wordt betaald. Dat loon wordt immers belast aan een marginaal tarief, in de hoogste schijf, terwijl een schadevergoeding als achterstal zal worden belast met een gemiddeld tarief, wat aan de verweerster een aanzienlijk voordeel zal verschaffen (syntheseconclusie, p. 12, in fine). Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van “schadevergoeding” van 67.129,99 euro, d.i. het brutobedrag van het haar niet uitbetaalde loon en stoelt deze beslissing op volgende gronden : “Nu, om de hiervoor uiteengezette redenen, vaststaat dat mevrouw V.D.B. maandelijks een lager loon ontving dan het loon waarop zij recht had, is het evident dat zij schade heeft geleden. Bedoelde schade bestaat uiteraard, doch niet uitsluitend, uit de gederfde netto inkomsten. Ook het feit dat de loontekorten niet het voorwerp hebben uitgemaakt van bijdragestorting in het socialezekerheidsstelsel voor werknemers heeft noodzakelijk nadelige repercussies, inzonderheid voor het vaststellen van de rechten die mevrouw V.D.B. uit dit socialezekerheidsstelsel kan putten. Dat de door mevrouw V.D.B. gevorderde loonbedragen corresponderen met het verschil tussen het volgens de ‘Regeling van toepassing op docenten met beperkte leeropdracht’ verschuldigde loon en het effectief betaalde loon staat als zodanig niet ter discussie. Deze vaststelling verantwoordt volkomen de toekenning van de gevorderde loonachterstallen als herstel van de schade in natura” (arrest, pp. 16-17, nr. 2.4.4). Het arbeidshof verstrekt aldus geen antwoord op de hoger uiteengezette precieze en relevante middelen in besluiten van de eiseres en schendt aldus, ten eerste artikel 149 van de Grondwet. 8.1 Ingevolge het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen, "beschikkingsbeginsel" genaamd, en artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, is het de rechter verboden aan een partij een vergoeding toe te kennen die door deze niet werd gevorderd. 8.2 Uit het bestreden arrest (pp. 16-17, geciteerd supra nr. 7.3) blijkt dat de schade van verweerster, die gelijk is aan het brutobedrag van de haar niet uitbetaalde lonen, en tot vergoeding waarvan de eiseres veroordeeld wordt, bestaat uit : - enerzijds, de gederfde netto-inkomsten, en, - anderzijds, de schade uit de nadelige repercussies die voortvloeien uit het feit dat de loontekorten niet het voorwerp van een bijdragestorting in de sociale zekerheid hebben uitgemaakt, inzonderheid voor de rechten die verweerster uit dit stelsel kan putten. In besluiten stelde de verweerster dat zij aanspraak maakte op brutobedragen omdat zij betaling van loon als herstel in natura vorderde en dat op de gevorderde bedragen in die hypothese ook sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn (syntheseberoepsconclusie, p. 18, in fine). Zij vorderde evenwel geen vergoeding voor de schade uit de nadelige repercussies die zouden voortvloeien uit het feit dat de loontekorten niet het voorwerp van een bijdragestorting in de sociale zekerheid hebben uitgemaakt. Door de eiseres derhalve te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door verweerster gederfde netto-inkomsten, evenals voor schade uit nadelige repercussies ten gevolge van het feit dat de loontekorten niet het voorwerp van een bijdragestorting in het sociale zekerheidsstelsel voor werknemers hebben uitgemaakt, zodat de totale door de eiseres verschuldigde vergoeding gelijk is aan het niet betaalde brutoloon, kent het arbeidshof aan de verweerster een niet-gevorderde vergoeding toe en schendt aldus, ten tweede het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen, “beschikkingsbeginsel” genaamd en artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. 9.1 Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, verplicht elke daad, nalatigheid of onvoorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. De rechter schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek wanneer hij aan het slachtoffer van een onrechtmatige daad een vergoeding toekent die meer bedraagt dan de geleden schade. 9.2 Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot betaling van het door verweerster gevorderde bedrag, gelijk aan het niet-betaalde brutoloon om reden dat haar schade niet uitsluitend bestaat uit de gederfde netto-inkomsten, doch tevens uit nadelige repercussies ten gevolge van het feit dat de loontekorten niet het voorwerp van een bijdragestorting in het sociale zekerheidsstelsel hebben uitgemaakt, zonder evenwel vast te stellen dat de schade voortvloeiend uit deze nadelige repercussies gelijk is aan het verschil tussen het door verweerster gevorderde bedrag (het niet-betaalde brutoloon) en de schade uit de gederfde netto-inkomsten. Door aldus na te laten de schade uit nadelige repercussies ten gevolge van het feit dat de loontekorten niet het voorwerp van een bijdragestorting in het sociale zekerheidsstelsel hebben uitgemaakt te begroten, kon het arbeidshof, ten derde, niet wettig de eiseres veroordelen tot betaling van het bedrag, gelijk aan het verschil tussen het gederfde brutoloon en het nettoloon, nu uit het bestreden arrest niet blijkt dat dit bedrag overeenstemt met de geleden schade en dat aldus niet meer wordt toegekend dan de door verweerster geleden schade (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Minstens laat het gebrek aan vaststelling omtrent de omvang van de schade uit nadelige repercussies ten gevolge van het feit dat de loontekorten niet het voorwerp van een bijdragestorting in het sociale zekerheidsstelsel hebben uitgemaakt, het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole op het bestreden arrest uit te oefenen, en schendt het bestreden (arrest) artikel 149 van de Grondwet, alsmede de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. B. Zaak nr. S.04.0169.N De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing ná de wijziging ervan bij wet van 22 mei 2001, en 10, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 26 juni 2002, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - de artikelen 1146 en 1153, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing ná de wijziging ervan bij wet van 23 november 1998, van het Burgerlijk Wetboek; - voor zoveel als nodig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, rechtsprekend over de vordering van de verweerster, het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof verleent de eiseres akte van de uitbreiding en wijziging van haar vordering en verklaart de nieuwe vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het vonnis van 24 juni 2002 wordt vernietigd. Opnieuw rechtsprekend, verklaart het arbeidshof de vordering in betaling van achterstallig vakantiegeld en daarop becijferde interest ongegrond. De vordering tot betaling van achterstallig loon verklaart het arbeidshof ontvankelijk en gegrond als volgt: de verweerster wordt veroordeeld tot betaling van 67.129,99 euro achterstallig loon, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, in zoverre verschuldigd, het overeenstemmend netto gedeelte te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de datum van uitspraak. Het arbeidshof beslist daartoe op grond van de volgende motieven: “2.4.
- Interesten Moratoire interesten zijn de interesten die overeenkomstig artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd zijn wegens vertraging in de uitvoering van een verbintenis die een geldsom tot voorwerp heeft, die loopt vanaf de ingebrekestelling en die wordt berekend aan de wettelijke rentevoet. (…) De wettelijke interest is een moratoire interest die loopt van rechtswege. De vergoedende interest daarentegen is een vorm van schadeloosstelling, toegekend bij toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en bestemd om de schade te vergoeden die aan de benadeelde wordt berokkend door de laattijdige schadeloosstelling door de schadeveroorzaker. Om aanspraak te kunnen maken op vergoedende interesten dient het slachtoffer het bewijs te leveren van een fout, een schade en een oorzakelijk verband tussen beide. De feitenrechter bepaalt op onaantastbare wijze de rentevoet van de toegekende vergoedende interesten. (…) Inzake aansprakelijkheid buiten overeenkomst mag de rechter de moratoire interest niet doen lopen op het bedrag van een schuldvordering inzake schadevergoeding, voor de uitspraak van de beslissing tot toekenning ervan. (…) Vermits de vordering van (de eiseres) ex delicto werd gesteld en strekt tot herstel van de schade ingevolge een door (de verweerster) gepleegd sociaalrechtelijk misdrijf, is op de in hoofdsom gevorderde bedragen geen wettelijke moratoire interest verschuldigd, zoals gevorderd. Om aanspraak te kunnen maken op de eveneens gevorderde vergoedende interesten dient (de eiseres) het bewijs te leveren van het bestaan en de omvang van een bijkomende schade die zij heeft geleden als gevolg van het ingeroepen sociaalrechtelijk misdrijf, inzonderheid wegens het uitstel van de schadeloosstelling waarop zij recht had op het ogenblik waarop de schade is ontstaan. Het bestaan van een dergelijke schade wordt door (de verweerster) formeel betwist. Het (arbeidshof) kan slechts vaststellen dat (de eiseres) de door (de verweerster) in dit kader ontwikkelde argumentatie nergens tegemoetkomt en dat zij met name niet bewijst, zelfs niet aanvoert dat zij een schade heeft geleden die de toekenning van de vergoedende interesten zou kunnen verantwoorden. Derhalve dienen enkel de gerechtelijke interesten te worden toegekend vanaf de uitspraak van dit arrest”. (blz. 17 t.e.m. 18, bovenaan, van het bestreden arrest). Grieven Schadevergoeding is krachtens artikel 1146 van het Burgerlijk Wetboek dan eerst verschuldigd wanneer de schuldenaar in gebreke is gesteld zijn verbintenis na te komen, behalve indien hetgeen de schuldenaar zich verbonden heeft te geven of te doen, niet kon gegeven of gedaan worden dan binnen een bepaalde tijd die hij heeft laten voorbij gaan. Krachtens artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek bestaat, inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke interest. Die schadevergoeding is verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig verlies hoeft te bewijzen. Zij is verschuldigd te rekenen van de dag van aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen. De principiële verplichting tot ingebrekestelling is dus niet vereist wanneer een bijzondere wettelijke bepaling de schuldeiser vrijstelt van die verplichting. Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet, bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Onder loon wordt, krachtens artikel 2 van de Loonbeschermingswet, onder meer verstaan, het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet is van toepassing op het loon betaald in geld en is dwingend in het voordeel van de werknemer. Uit de samenlezing van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 10 van de Loonbeschermingswet volgt dat de werknemer zijn werkgever niet in gebreke moet stellen opdat de werkgever interest zou verschuldigd zijn op het niet-betaalde of te weinig betaalde loon. Die interest loopt vanaf het verschuldigd zijn van het loon. Het volstaat dat de interest gevorderd wordt.
- De eiseres vorderde “in eerste orde betaling van loon (…) bij wijze van herstel in natura” (blz. 18, onderaan, van de “syntheseberoepsconclusie” neergelegd ter griffie op 7 april 2003). Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat de eiseres “duidelijk, ondubbelzinnig en in hoofdorde betaling (heeft) gevorderd van 67.129,99 euro achterstallig loon als herstel in natura van de schade geleden ingevolge het door (de verweerster) gepleegde (voortgezet) misdrijf, strafbaar gesteld bij artikel 42 Loonbeschermingswet en, in ondergeschikte orde, eenzelfde bedrag als schadevergoeding bij equivalent” (blz. 14, eerste alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof kent de gevorderde loonachterstallen toe als herstel van de schade in natura (blz. 17, bovenaan, van het bestreden arrest), en veroordeelt de verweerster bijgevolg tot betaling van “(67.129,99 euro) achterstallig loon, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf heden” (blz. 23, bovenaan, van het bestreden arrest). De eiseres vorderde aldus en het arbeidshof veroordeelt de verweerster dus met toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, tot betaling van eigenlijk loon, weze het als een herstel in natura van de schade veroorzaakt door het misdrijf bestaande in het niet correct betalen van het loon door de verweerster. De eiseres vorderde in regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusies “het bedrag van 67.129,99 euro (…) als achterstallig loon (…) en in subsidiaire orde als schadevergoeding, telkens te vermeerderen met de wettelijke c.q. vergoedende en gerechtelijke interesten, zodat zij voor zoveel als nodig incidenteel beroep aantekent tegen het eerste vonnis” (blz. 11, voorlaatste alinea, van de “aanvullende beroepsconclusie” neergelegd ter griffie op 6 februari 2003 ; blz. 23, derde laatste alinea, van de “syntheseberoepsconclusie” neergelegd ter griffie op 7 april 2003, onderstreping toegevoegd). Aangezien het arbeidshof de verweerster veroordeelt tot betaling van een bedrag aan loon - als herstel in natura van de schade veroorzaakt door het misdrijf van het niet correct betalen van het verschuldigde loon - en de eiseres de vermeerdering van dat bedrag met wettelijke interest vorderde, oordeelt het arbeidshof niet wettig dat op de in hoofdsom gevorderde bedragen geen wettelijke moratoire interest verschuldigd is. Het arbeidshof steunt de afwijzing van de vordering tot toekenning van de wettelijke interest niet wettig op de overweging dat de eiseres haar vordering ex delicto heeft gesteld (schending van de artikelen 2 en 10 van de Loonbeschermingswet, en van de artikelen 1146 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek). De eiseres heeft haar vordering inderdaad op een misdrijf gesteund, maar vorderde in de eerste plaats herstel in natura, wat het arbeidshof haar ook toekende. Herstel in natura brengt in deze zaak mee dat de verweerster het achterstallige loon moet betalen, niet als uitvoering van haar contractuele verbintenis, maar als een vorm van herstel van de door haar fout veroorzaakte schade, namelijk in natura. Het herstel in natura van de schade veroorzaakt door het misdrijf bestaande in het niet correct betalen van het verschuldigde loon, bestaat uiteraard (o.m.) in het betalen van het nog verschuldigde loon. Aangezien het gaat om loon waarvan niet wordt betwist dat het valt onder het loonbegrip van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, vindt artikel 10 van de Loonbeschermingswet eveneens toepassing en is daarop van rechtswege interest verschuldigd vanaf de dag waarop het eisbaar wordt. Het arbeidshof oordeelt niet wettig dat, vermits de eiseres haar vordering ex delicto stelde en die vordering strekte tot herstel van de schade ingevolge een door de verweerster gepleegd sociaalrechtelijk misdrijf, op de in hoofdsom gevorderde bedragen geen wettelijke moratoire interest verschuldigd is, en veroordeelt de verweerster bijgevolg niet wettig tot betaling van slechts gerechtelijke interest op 67.129,99 euro achterstallig loon, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, in zoverre verschuldigd (schending van alle in de aanhef van het middel genoemde wetsbepalingen). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 746 van het Gerechtelijk Wetboek;. - voor zoveel als nodig artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, rechtsprekend over de vordering van de verweerster, het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof verleent de eiseres akte van de uitbreiding en wijziging van haar vordering en verklaart de nieuwe vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het vonnis van 24 juni 2002 wordt vernietigd. Opnieuw rechtsprekend, verklaart het arbeidshof de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding ontvankelijk en als volgt gegrond: de verweerster wordt veroordeeld tot betaling van 17.162,76 euro opzeggingsvergoeding, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende nettogedeelte te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interest. De eiseres wordt afgewezen van het meer of anders gevorderde. Het arbeidshof beslist daartoe op grond van de volgende motieven: “(…) Mits de juiste waarde toe te kennen aan bovenstaande elementen is ook het (arbeidshof) van oordeel dat (de verweerster) een opzeggingstermijn van 28 maanden in acht had moeten nemen zodat zij gehouden is tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 19 maanden, hetzij 17.162,72 euro. Op het overeenstemmende netto bedrag van deze aanvullende opzeggingsvergoeding, inzonderheid na inhouding van de wettelijk voorgeschreven werknemersbijdrage voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, zijn overeenkomstig artikel 10 van de Loonbeschermings-wet wettelijke interesten verschuldigd”. (blz. 21, eerste en tweede alinea, van het bestreden arrest). Van het meer of anders gevorderde wordt de eiseres afgewezen. Grieven
- Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vervallen interest van kapitalen interest kan opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of overeenkomst betrekking heeft op interest die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd is. Die mogelijkheid tot kapitalisatie geldt voor conventionele, moratoire, wettelijke en gerechtelijke interest. Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek kan aldus toepassing krijgen ten aanzien van wettelijke interest op een vergoeding die wordt toegekend wegens de onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst, en derhalve een verbintenis uit overeenkomst betreft. De neerlegging van een conclusie ter griffie kan beschouwd worden als een handeling die gelijkwaardig is aan de bij artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek vereiste gerechtelijke aanmaning, wanneer in die conclusie de aandacht van de schuldenaar wordt gevestigd op de kapitalisatie van de interest. Overigens bepaalt artikel 746 van het Gerechtelijk Wetboek dat de neerlegging van conclusies ter griffie geldt als betekening.
- De eiseres wijdde in elk van haar conclusies neergelegd voor het arbeidshof een apart hoofdstuk aan de kapitalisatie van de interest, en vroeg uitdrukkelijk aan het arbeidshof te zeggen voor recht dat de reeds vervallen interest, zowel die op de vergoeding wegens onrechtmatige inhoudingen op het loon en die op het vakantiegeld als de reeds vervallen interest op de opzeggingsvergoeding zou worden gekapitaliseerd (blz. 9, onderaan, en blz. 10, onderaan, van de beroepsconclusie neergelegd ter griffie op 3 december 2002; blz. 10 en 12 van de aanvullende beroepsconclusie neergelegd ter griffie op 6 februari 2003; blz. 22 en 24 van de syntheseberoepsconclusie neergelegd ter griffie op 7 april 2003). De conclusies van de eiseres vestigden aldus de aandacht van de verweerster op haar vordering tot kapitalisatie van de reeds vervallen interest. Het arbeidshof stelt vast dat de verweerster met een aangetekende brief van 21 oktober 1997 een opzeggingstermijn betekende aan de eiseres, ingaand op 1 november 1997 om te eindigen op 8 september 1998 (blz. 6, zesde alinea, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt voorts dat de verweerster een opzeggingstermijn van 28 maanden had moeten in acht nemen, zodat de eiseres gerechtigd is op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 17.162,72 euro. Het arbeidshof vervolgt dat “op het overeenstemmende netto bedrag van deze aanvullende opzeggingsvergoeding, inzonderheid na inhouding van de wettelijk voorgeschreven werknemersbijdrage voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, (...) overeenkomstig artikel 10 Loonbeschermingswet wettelijke interesten verschuldigd (zijn)” (blz. 21, tweede alinea, van het bestreden arrest), en veroordeelt de verweerster tot het voornoemde. Het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding ontstond in deze zaak krachtens artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten op 21 oktober 1997, zijnde het tijdstip waarop aan de eiseres een te korte opzeggingstermijn werd betekend. De aanmaningen tot kapitalisatie van de reeds vervallen interest, gedaan in de regelmatig voor het arbeidshof neergelegde conclusies van 3 december 2002, 6 februari 2003 en 7 april 2003, hebben dan ook betrekking op interest die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd is. Aangezien de eiseres van het meer of anders gevorderde wordt afgewezen, miskent het arbeidshof artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens schendt het arbeidshof artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, aangezien het niet antwoordt op de vordering van de eiseres tot kapitalisatie van de reeds vervallen interest, die zij in regelmatig ter griffie van het arbeidshof neergelegde conclusies stelde. Het arbeidshof veroordeelt de verweerster niet wettig enkel tot betaling van 17.162,72 euro opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interest, en wijst de eiseres niet wettig af van het meer of anders gevorderde (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 1017, eerste lid, en 1024 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, rechtsprekend over de vordering van de verweerster, het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De kosten van beide instanties worden voor drie vierden ten laste van de verweerster gelegd en voor een vierde ten laste van de eiseres. Aan de zijde van de verweerster worden de kosten vereffend op 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank, 55,77 euro uitgaven-vergoeding, en 273,67 euro rechtsplegingsvergoeding arbeidshof. Aan de zijde van de eiseres worden de kosten vereffend op 122,19 euro dagvaardingskosten, 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, en 273,67 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Grieven
- Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst. In principe zijn de kosten verhaalbaar die noodzakelijk werden gemaakt door het geding of die noodzakelijk waren voor de beslechting ervan. Krachtens artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek, komen de kosten van tenuitvoerlegging ten laste van de partij tegen wie de uitvoering wordt gevorderd. De kosten van betekening van een vonnis zijn kosten die noodzakelijk gemaakt werden door het geding en kunnen principieel worden teruggevorderd. Alleen een spontaan en onmiddellijk aanbod van volledige regeling of de vrijwillige uitvoering van het vonnis vóór de betekening en zonder aanmaning, maken een betekening overbodig en dus zonder verhaal.
- Het arbeidshof stelt vast dat het op tegenspraak gewezen vonnis van 24 juni 2002 van de Arbeidsrechtbank te Turnhout aan de verweerster werd betekend op 3 september 2002 (blz. 2 van het bestreden arrest, onder Stukken van de rechtspleging). De eiseres vorderde de verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van de eiseres begroot op 122,41 euro dagvaardingskosten, 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 156,69 euro betekeningskosten, en 267,71 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep. Het arbeidshof gaat niet in op de vordering van de eiseres (om) de verweerster te veroordelen tot betaling van de betekeningkosten van het vonnis van 24 juni
- Het arbeidshof wijst de eiseres af “van het meer of anders gevorderde”. Aangezien het arbeidshof die vordering van de eiseres zonder meer afwijst, zonder vast te stellen dat die betekeningkosten nodeloze of overbodige kosten zijn of dat de betekening van het vonnis niet noodzakelijk was voor de definitieve beslechting van het geschil, schendt het arbeidshof artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet en de artikelen 1017, eerste lid, en 1024 van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden arrest wijst de eiseres niet wettig af van het meer of anders gevorderde en begroot de kosten aan de zijde van de eiseres niet wettig op 122,19 euro dagvaardingskosten, 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, en 273,67 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet en van de artikelen 1017, eerste lid, en 1024 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Samenvoeging De cassatieberoepen S.04.0088.N en S.04.0169.N zijn tegen hetzelfde arrest gericht. Zij dienen te worden gevoegd. B. Cassatieberoep S.04.0088.N Eerste onderdeel
- De appelrechters stellen vast dat de verweerster “duidelijk, ondubbel-zinnig en in hoofdorde betaling vordert van 67.129,99 euro achterstallig loon als herstel in natura van de schade geleden ingevolge het door (de eiseres) gepleegde voortgezet misdrijf en in ondergeschikte orde, eenzelfde bedrag als schadevergoeding bij equivalent”, dat de “beide vorderingen strekken tot herstel van schade die het gevolg is van het door (de eiseres) gepleegde misdrijf” en dat “de vordering tot herstel van de door deze strafbare gedragingen veroorzaakte schade werd ingesteld bij conclusie”. Zij oordelen dat het “vaststaat dat (de verweerster) maandelijks een lager loon ontving dan het loon waarop zij recht had, (het) evident is dat zij schade heeft geleden” en leiden hieruit af dat “deze vaststelling volkomen de toekenning van de gevorderde loonachterstallen (verantwoordt) als herstel in natura”.
- De appelrechters beschouwen aldus de veroordeling van de eiseres tot de betaling van achterstallig loon zonder tegenstrijdigheid als een vergoeding in natura van de door de verweerster geleden schade ongeacht de door hen gebruikte bewoordingen in het dictum van het arrest. Het onderdeel dat op een verkeerde lezing van het arrest berust, mist feitelijke grondslag. Tweede en derde onderdeel
- Krachtens artikel 26 van de wet van 17 april 1878, houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals te dezen van toepassing, verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf na verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder dat zij kan verjaren voor de strafvordering. Deze bepaling is van toepassing op elke burgerlijke rechtsvordering die gestoeld is op feiten die het bestaan van een misdrijf doen blijken, zelfs wanneer die feiten eveneens een contractuele tekortkoming van de verweerder uitmaken en het voorwerp van de vordering in de uitvoering van die contractuele verbintenis bestaat als herstel voor de geleden schade.
- De onderdelen die ervan uitgaan dat een rechtsvordering tot veroordeling van achterstallig loon, ongeacht het feit dat de eiser uitdrukkelijk aanvoert dat de vordering op het misdrijf “niet-betaling van het loon op gezette tijden” is gestoeld, geen rechtsvordering tot herstel in natura is maar een contractuele rechtsvordering tot uitvoering van de loonverbintenis, waarop de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is, falen naar recht. Vierde onderdeel
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest de eiseres louter veroordeelt tot betaling van het bruto achterstallig loon, mist het feitelijke grondslag.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster de betaling van brutobedragen aan achterstallig loon vorderde bij wijze van herstel in natura. Deze vordering sluit ook de vergoeding in voor de schade ingevolge de niet-betaling van de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing.
- De appelrechters oordelen dat de gevorderde schade “uiteraard, doch niet uitsluitend uit de gederfde netto-inkomsten” bestaat en dat “het feit dat de loontekorten niet het voorwerp hebben uitgemaakt van bijdragestorting in het sociaal zekerheidsstelsel voor werknemers (…) noodzakelijk repercussies (heeft), inzonderheid voor het vaststellen van de rechten die (de verweerster) uit dit sociaal zekerheidsstelsel kan putten”.
- Door de eiseres te veroordelen tot het betalen aan de verweerster van het door haar gevorderd brutobedrag van de niet-betaalde lonen, te verminderen met de aan de bevoegde instellingen over te maken op dit loon verschuldigde bedrijfsvoorheffing en socialezekerheidsbijdragen, kent het arrest het gevorderd herstel in natura toe en wordt de verweerster teruggeplaatst in de toestand waarin zij zich zou hebben bevonden indien het misdrijf niet was gepleegd.
- Zodoende verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer, schendt het de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek niet en miskent het evenmin het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. C. Het cassatieberoep S.04.0169.N. Eerste middel
- Krachtens artikel 10 van de Loonbeschermingswet is op het loon van rechtswege interest verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Deze wetsbepaling is niet van toepassing op ingevolge het misdrijf “niet-betaling van het op gezette tijden verschuldigd loon” als herstel in natura toegekend loonbedrag. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
- Het arrest antwoordt niet op de door de eiseres op 3 december 2002 aan het arbeidshof overgelegde conclusie strekkende tot de kapitalisatie van de interest op de gevorderde opzeggingsvergoeding. Het middel is gegrond. Derde middel
- De eiseres heeft geconcludeerd zoals in het middel is weergegeven. Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Voegt de zaken S.04.0088.N en S.04.0169.N. Inzake S.04.0088.N. Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 343,11 euro jegens de eisende partij en op de som van 254,27 euro jegens de verwerende partij. Inzake S.04.0169.N. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de eiseres tot kapitalisatie van de interest op de opzeggingsvergoeding en uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres in een derde van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 190,91 euro jegens de eisende partij en op de som van 253,13 euro jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig januari tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2007:ARR.20070425.13 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170403.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230403.3N.3 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110117.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061023.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div