id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 2
, eerste lid, 1°
Art. 42, vóór en na de wijziging bij wet van 13 feb.
1998 Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON Vrije woorden: Werkgever - Niet-betaling van loon - Rechtsvordering ex delicto - Strafrechtelijke aansprakelijkheid - Veroordeling tot betaling - Werkgever - Aangestelden - Lasthebbers Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 20, eerste lid, 3°
Art. 2
, eerste lid, 1°
Art. 42, vóór en na de wijziging bij wet van 13 feb.
1998 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0095.N L.E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen M.C., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 december 2004 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 15, eerste lid, en 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - de artikelen 2, eerste lid, 1°, 42, 1°, dit laatste artikel in zijn versie zoals van kracht vóór en na de wijziging bij wet van 13 februari 1998, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - artikel 56, eerste lid, 1°, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités; - de artikelen 3, 4, dit laatste artikel in zijn versie zowel vóór als na de wijziging bij wetten van 11 juli 1994, 28 maart 2000 en 13 april 2005, en 26, dit laatste artikel in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na de wijziging bij wet van 10 juni 1998, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 1165, 1382, 1383 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 19, ,§2, 2°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001. Aangevochten beslissing Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, verklaart in het arrest van 21 december 2004 het door de verweerster tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 5 december 2003 aangetekende hoger beroep ontvankelijk en reeds als volgt gegrond. Het Arbeidshof vernietigt het beroepen vonnis, behoudens in zoverre het met betrekking tot de vordering inzake vervoerskosten afstand van vordering heeft vastgesteld en, opnieuw rechtsprekende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de verweerster, zoals herleid, ontvankelijk en reeds als volgt gegrond. Het arbeidshof veroordeelt de eiser tot betaling van 8.426,10 euro saldo loonbijpassing, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover deze verschuldigd zijn, het overeenstemmend netto gedeelte te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf de eisbaarheid en de gerechtelijke interest, met dien verstande dat de betalingen die door het faillissement worden verricht op het door de eiser verschuldigde in mindering worden gebracht. Alvorens recht te spreken over de vordering met betrekking tot de toeslag voor zaterdag- en zondagprestaties en het verschuldigde vakantiegeld bij uitdiensttreding op de eisuitbreiding inzake loon voor weekendwerk, laat het arbeidshof de verweerster toe door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, het bewijs te leveren van het feit: "dat zij over de gehele tewerkstellingsperiode van juli 1990 tot en met januari 1999 om de 14 dagen een weekend diende te presteren van 16 uren of twee dagen van 8 uren (hetzij 24 weken op jaarbasis)", en laat de eiser toe tot het tegenbewijs van hetzelfde feit door dezelfde rechtsmiddelen. Het arbeidshof stoelt deze beslissing op volgende motieven: "1. De rechtsplegingsstukken, onder meer: - de dagvaarding van 10 oktober 2001, uitgebracht bij het ambt van W. Van Orshaegen, gerechtsdeurwaarder te Lier; 2. Feiten en voorafgaande rechtspleging: (De verweerster) is op 1 juli 1990 in dienst getreden van de NV Domenica met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur en dit in hoedanigheid van verpleegster (...). Er bestaat geen betwisting tussen partijen dat de NV Domenica met betrekking tot de tewerkstelling van (de verweerster) ressorteert onder het paritair comité nr. 305.02 voor de bejaarden-, rust- en verzorgingstehuizen. Er bestaat evenmin betwisting tussen partijen dat (de eiser) de bestuurder was van de NV Domenica. Met aangetekende brief van 30 oktober 1998 betekende (de verweerster) een opzeggingstermijn van drie maanden, ingaand op 1 november 1998 (...). Op 4 augustus 2000 vorderde (de verweerster) ten aanzien van de NV Domenica, bij monde van haar vakorganisatie, de betaling van een weddebijpassing voor de periode 1993 tot en met 1999, een toeslag voor weekendprestaties voor de periode van 1990 tot en met januari 1999 en vervoersonkosten (...). Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 30 mei 2000 werd de NV Domenica in staat van faillissement verklaard. (De verweerster) dagvaardde op 10 oktober 2001 (de eiser) voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in betaling van: - 411.366 BEF bruto (10.197,50 EUR) weddebijpassing 1993 tot en met 1998; - 169.234 BEF bruto (4.195,20 euro) toeslag zaterdag- en zondagprestaties; - 24.195 BEF bruto (599,78 euro) bijpassing dubbele en aanvullende vakantiegelden 1993 tot en met 1997; - 4.816 BEF bruto (119,39 euro) vakantiegeld op weddebijpassing 1998-1999; - 25.047 BEF bruto (620,90 euro) vakantiegeld op toeslag zaterdag- en zondag-prestaties; - 211.340 BEF (5.238,98 euro) vervoersonkosten 1990 tot en met 1999, te vermeerderen met de wettelijke interest, de gerechtelijke interest en de kosten van het geding. (De verweerster) vorderde verder de afgifte van loonfiches, individuele rekeningen, fiscale fiches 281.10 met betrekking tot de gevorderde bedragen, aanvullende vakantieattesten 1998-1999, onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 BEF (24,79 euro) per ontbrekend document en per dag vertraging. Met conclusie, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 10 oktober 2002, herleidde (de verweerster) haar vordering als volgt: - 8.426,10 euro bruto, als saldo loonbijpassing periode 1990-1999 (lees 1993-1999); - 2.248,20 euro bruto, als saldo loon voor weekendwerk periode 1990-1999; - 231,05 euro bruto, als saldo vakantiegeld bij uitdiensttreding op de uitbreiding van eis inzake het loon voor weekendwerk, bij wijze van schadeloosstelling als herstel in natura ex delicto, bedragen te vermeerderen met de wettelijke interest op het netto-equivalent afgeleid van voormelde brutobedragen, na afhouding van de wettelijke sociale en fiscale inhoudingen, interest slechts te lopen tot de faillissementsdatum. (De verweerster) vordert verder (de eiser) minstens te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding bij equivalent ex delicto, gelijk aan het saldo inzake loonbijpassing ten bedrage van 8.426,10 euro bruto en het saldo inzake loon voor weekendprestaties ten bedrage van 2.248,20 euro bruto en het saldo vakantiegeld bij uitdiensttreding op de uitbreiding van eis inzake het loon voor weekendwerk ten bedrage van 231,05 euro bruto, bedragen te vermeerderen met de vergoedende interest op de netto equivalenten afgeleid van voornoemde bruto bedragen. Bij vonnis van 5 februari 2003 werd de vordering van (de verweerster) ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Met (verzoekschrift), ontvangen ter griffie van het (arbeidshof) op 24 april 2003, stelde (de verweerster) hoger beroep in. 3. Eisen in hoger beroep: Met conclusie, ontvangen ter griffie van het (arbeidshof) op 12 juli 2004, vordert (de verweerster) in hoofdorde, bij wijze van schadeloosstelling als herstel in natura ex delicto, de veroordeling van (de eiser) tot betaling van: - 8.426,10 euro bruto, als saldo loonbijpassing periode 1990-1999 (lees: 1993-1999); - 2.248,20 euro bruto, als saldo loon voor weekendwerk in de periode 1990-1999; - 231,05 euro bruto, als saldo vakantiegeld bij uitdiensttreding op de uitbreiding van (
- de)eis inzake het loon voor weekendwerk, te vermeerderen met wettelijke interest op het netto equivalent afgeleid van voormelde bruto bedragen, na afhouding van de wettelijke sociale en fiscale inhoudingen, interest slechts te lopen tot de faillissementsdatum van de NV Domenica, hetzij 30 me" 2000. Tevens vordert (de verweerster) de veroordeling van (de eiser) tot het afleveren van een loonafrekening, een individuele rekening en fiscale fiche 281.10 met betrekking tot deze bedragen. In ondergeschikte orde vordert (de verweerster) (de eiser) te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding bij equivalent ex delicto, gelijk aan het saldo inzake loonbijpassing ten bedrage van 8.426,10 euro bruto, het saldo inzake loon voor weekendprestaties ten bedrage van 2.248,20 euro bruto en het saldo vakantiegeld bij uitdiensttreding op de uitbreiding van de eis inzake het loon voor weekendwerk ten bedrage van 231,50 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest op de netto- equivalenten afgeleid van deze brutobedragen. Verder (de eiser) te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. (De verweerster) vordert tenslotte haar toe te staan te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat zij gedurende gans de tewerkstellingsperiode van juli 1990 tot en met januari 1999 om de veertien dagen weekendwerk diende te doen en effectief ook presteerde. Ter openbare terechtzitting van 16 november 2004 bevestigt (de verweerster), bij monde van haar vakorganisatie, dat haar oorspronkelijke vorderingen beperkt en herleid worden tot de bedragen zoals vermeld in het einddeel van de beroepsconclusie, ter griffie van het (arbeidshof) ontvangen op 12 juli 2004 (cfr. proces-verbaal van terechtzitting van dezelfde datum). (De eiser) vordert het hoger beroep van (de verweerster) ontvankelijk, toelaatbaar maar ongegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen en (de verweerster) te veroordelen tot de kosten van het geding. 5. Ten gronde 5.1. Kwalificatie van de vordering De eerste rechter kwalificeerde de door (de verweerster) gestelde vordering als een vordering ex delicto, hetzij een rechtsvordering die haar oorsprong vindt in een misdrijf en die door het slachtoffer van dit misdrijf wordt ingesteld tot herstel van de schade die door dit misdrijf wordt veroorzaakt. De enige vraag die zich in dit kader opdringt is of de vordering van (de verweerster) steunt op een misdrijf en strekt tot herstel van de schade die door het misdrijf werd veroorzaakt, dan wel op de miskenning van een contractuele verplichting en strekt tot uitvoering van contractuele verbintenissen. Met conclusie, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 10 oktober 2002, vorderde (de verweerster) in hoofdorde de betaling van loonbijpassingen, toeslagen weekendwerk en vakantiegeld bij uitdiensttreding op de uitbreiding van vordering inzake loon voor weekendwerk als herstel in natura van de schade geleden ingevolge de door (de eiser) gepleegde misdrijven en, in ondergeschikte orde, eenzelfde bedrag als schadevergoeding bij equivalent. Aldus heeft (de verweerster) duidelijk en ondubbelzinnig te kennen gegeven dat hetgeen zij vorderde, strekt tot herstel in natura van de schade die zij heeft geleden ingevolge een door (de eiser) gepleegd misdrijf. Gelet op het voorgaande dient dan ook besloten te worden dat (de verweerster) een vordering ex delicto heeft ingesteld. 5.2. Bestaan van een misdrijf (De verweerster) vordert loonbijpassing en loontoeslag voor zaterdag- en zondagprestaties krachtens de strafrechtelijk beteugelde algemeen verbindend verklaarde CAO's (respectievelijk krachtens de CAO van 24 juni 1996 tot vaststelling van de arbeids- en beloningsvoorwaarden en de CAO van 18 december 1995 betreffende de betaling van een toeslag voor onregelmatige arbeidsprestaties). Overeenkomstig het bepaalde in artikel 42 van de Loonbeschermingswet vormt het niet (tijdig) betalen van het verschuldigde loon door de werkgever, zijn aangestelde of lasthebbers, een misdrijf. Onder loon verstaat de Loonbeschermingswet onder meer "het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft". Of dit recht zijn oorsprong vindt in een individuele dan wel een collectieve arbeidsovereenkomst is daarbij niet relevant. Evenmin kan het (arbeidshof) het standpunt van (de eiser), dat het misdrijf niet aan hem kan worden toegeschreven, onderschrijven. Het was bijgevolg (de eiser) op wie de verplichting rustte in te staan voor de correcte naleving van sociaalrechtelijke verplichtingen van de (NV Domenica) tegenover haar werknemers. Hij bezat als natuurlijke persoon binnen de NV Domenica de bevoegdheid om te waken over de correcte naleving van de sociale strafwetten ten aanzien van het aldaar tewerkgestelde personeel. Rest vervolgens de vraag of de constitutieve bestanddelen van een misdrijf worden aangetoond door (de verweerster). Met betrekking tot de gevorderde loonbijpassingen bewijst (de verweerster) voldoende naar recht dat zij houder is van een brevet van gebrevetteerde verpleger A2, zoals vereist door voornoemde CAO van 24 juni 1996, zodat zij terecht aanspraak kan maken op looncategorie 5 (schaal 2.43-2.55bis) van het verplegend en paramedisch personeel voor de periode van 1993 tot en met 1995 en op looncategorie 6 (zelfde schaal) voor de periode van 1996 tot en met 1999 (...). Aldus staat meteen het materieel element van voornoemd ingeroepen misdrijf vast. Met betrekking tot de gevorderde toeslag voor zaterdag- en zondagprestaties en het daarop berekende vakantiegeld bij uitdiensttreding, kan het (arbeidshof) hic et nunc slechts vaststellen dat de voorgebrachte stukken niet volstaan om te bewijzen dat (de verweerster) om de 14 dagen arbeidsprestaties in het weekend diende te leveren (van 16 uren of 2 x 8 uren). Het komt gepast voor in te gaan op het door (de verweerster) in ondergeschikte orde geformuleerde bewijsaanbod, zoals hierna geherformuleerd. Vermits (de eiser) geen geloofwaardige schulduitsluitingsgrond en rechtvaardigings-grond inroept, mag besloten worden dat ook het moreel bestanddeel van het misdrijf vaststaat. 5.3. Geen verjaring van de vordering: Tevergeefs doet (de eiser), onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 2 april 2001 (R. W. 2001-2002, 1321), in dit kader opmerken dat de vorderingen van (de verweerster) rechtstreeks voorkomen uit de arbeidsovereenkomst en derhalve onderworpen zijn aan de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereen-komstenwet, zelfs als zij mee stoelen op het misdrijf van niet-betaling van loon. Dat (de verweerster) ten aanzien van (de eiser) enkel een schadevergoeding bij wijze van equivalent kan vorderen, overtuigt evenmin en kan door het (arbeidshof) geenszins worden onderschreven. Sub 5.1. van dit arrest heeft het (arbeidshof) beslist dat (de verweerster) een vordering ex delicto heeft ingesteld en dat de desbetreffende vordering strekte tot rechtstreeks herstel in natura van de schade die zij heeft geleden ingevolge een door (de eiser) gepleegd misdrijf. Op deze vordering vindt of kan de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde verjaringstermijn evident geen toepassing vinden, doch wel de verjaringstermijn van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering welke nog niet was verstreken op het ogenblik van het inleiden van de vordering, zoals terecht door de eerste rechter vastgesteld. Het volstaat in dit verband te verwijzen naar de bespreking van W. Rauws omtrent de draagwijdte van voornoemd cassatiearrest ("Actualia inzake de verjaring in het arbeidsrecht", R.W. 2002-2003, 371), waarbij het (arbeidshof) zich aansluit. Zo benadrukt de heer Rauws dat het Hof van Cassatie niet noodzakelijk een principiële uitspraak doet over de vraag of het loon zelf met een buitencontractuele vordering ex delicto kan worden opgeëist. Het Hof van Cassatie gaat er immers van uit dat voor de feitenrechter een vordering tot loonbetaling ex contractu werd ingesteld. Het Hof stelt expliciet dat in casu geen schadevergoeding, noch bij equivalent, noch in natura, wordt gevorderd. De vordering berustte in de visie van het Hof van Cassatie enkel op de overeenkomst, hoewel de werknemer ook een misdrijf had ingeroepen. In die zin achtte het Hof van Cassatie het voorwerp van de vordering op onwettige wijze gewijzigd en oordeelde dat ten onrechte de verjaringstermijn van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering wegens een door misdrijf veroorzaakte schade werd toegepast. Aldus is het Hof in deze van oordeel dat een werknemer in het kader van een vordering ex delicto zowel de betaling kan vorderen van lonen als vorm van schadeherstel ex delicto als de betaling van een schadevergoeding bij equivalent. Het toekennen van het loon als herstel in natura van de schade veroorzaakt door een arbeidsrechtelijk delict kadert in het gemene recht en plaatst de werknemer in een toestand waarin hij zou gebleven zijn wanneer het arbeidsrechtelijk delict niet zou zijn begaan. Niets verplicht het slachtoffer van een sociaalrechtelijk misdrijf immers het herstel van zijn schade bij equivalent te vorderen, hij kan minstens evenzeer opteren voor een herstel in natura (L. Eliaerts, 'Loon als schadevergoeding ex delicto', Soc.Kron. 1995, 257-261, en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer; W. Rauws, 'De verjaring in het arbeidsrecht', in CBR-jaarboek 2001-2002, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2000, 318 e.v. en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer). Het onderscheid tussen beide vormen van schadeherstel komt in deze overigens kunstmatig over nu de vordering van (de verweerster) uiteindelijk strekt tot betaling van de (netto) geldsommen die haar ten onrechte niet werden betaald en diezelfde geldsommen kunnen evident ook worden gevorderd als schadevergoeding bij equivalent. Algemeen wordt bovendien aangenomen dat het herstel in natura de voorkeur heeft op het herstel bij equivalent. Een vordering tot herstel in natura kan derhalve tegen (de eiser) worden ingesteld. 5.5. Bewijs van het bestaan en de omvang van de schade - interest - sociale documenten. Uit wat voorafgaat blijkt dat aan (de verweerster) over de periode van 1993 tot en met januari 1999 steeds te weinig loon werd uitbetaald, nu zij als houder van een brevet van verpleger A2 aan een hoger baremaloon diende te worden verloond. Bijgevolg staat het nu reeds vast dat (de verweerster) ten gevolg hiervan schade heeft geleden. Zoals al gezegd werd deze vordering cijfermatig niet betwist, zodat ook de omvang van de schade in dit verband vaststaat. (De eiser) doet evenwel terecht opmerken dat de omvang van deze schade, zoals ze thans bestaat, zou kunnen worden beïnvloed door de betalingen die mogelijk zullen worden verricht door het faillissement. Het is aldus gepast rekening te houden met deze naar voren gebrachte hypothese, zoals in het einddeel van dit arrest bepaald. Het voorgaande staat er evenwel niet aan in de weg dat (de verweerster) ten laste van (de eiser) recht heeft op vergoeding van de door haar reeds vaststaande en geleden schade en hij bijgevolg nu reeds moet worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade. De bemerking van (de verweerster) omtrent de solidaire aansprakelijkheid van de bestuurder en de vennootschap is niet relevant, nu uitsluitend ten aanzien van de natuurlijke persoon-bestuurder een vordering ex delicto werd gesteld, terwijl dit niet het geval is m.b.t. de ingediende schuldvordering in het faillissement van de NV als rechtspersoon. (De eiser) dient bijgevolg reeds veroordeeld te worden tot betaling van de loonbijslagen als herstel in natura, onder aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing. Vermits de vordering van (de verweerster) ex delicto werd gesteld en strekt tot een herstel in natura van de schade ingevolge het door (de eiser) gepleegde misdrijf, is op de in hoofdsom gevorderde bedragen geen wettelijke interest verschuldigd en kan (de verweerster) derhalve enkel aanspraak maken op de vergoedende interest vanaf de respectievelijke data van eisbaarheid. Om dezelfde reden kan niet ingegaan worden op de vordering tot afgifte van sociale documenten". Grieven Eerste onderdeel 1. Luidens artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 verjaren de rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst of vijf jaar na het feit waaruit deze vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst mag overschrijden. Deze bepaling is van toepassing op de door de werknemer ingestelde vordering met als voorwerp de uitvoering van contractuele verbintenissen, zoals bijvoorbeeld het betalen van het contractueel overeengekomen loon, zelfs als de werknemer die vordering tevens gegrond heeft op het feit dat de strafwet werd overtreden doordat die contractuele verbintenissen niet werden nagekomen. 2.1 De rechtsvordering tot herstel van een door een misdrijf veroorzaakte schade behoort overeenkomstig artikel 3 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering aan hen die de schade hebben geleden. Luidens artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters worden vervolgd als de strafvordering of afzonderlijk (voor de burgerâlijke rechter) worden vervolgd. Op de burgerlijke vordering tot schadevergoeding, spruitend uit een misdrijf, is de verjaringstermijn van artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. 2.2 Overeenkomstig artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 10 juni 1998, verjaart de burgerlijke vordering volgend uit een misdrijf door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd; zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering. Sinds de wijziging bij wet van 10 juni 1998 bepaalt artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering dat de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade; zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering. Naar luid van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juni 1998, verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Deze vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. 3. De rechtsvordering wegens niet-betaling van loon kan als een rechtsvordering ex delicto in de zin van artikel 3 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering worden omschreven en is derhalve aan de bij artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven verjarings-termijn onderworpen, op voorwaarde, primo, dat de rechter vaststelt dat de niet-betaling van het loon een misdrijf is, secundo, dat de rechtsvordering niet strekt tot de nakoming van de contractuele verbintenis tot betaling van loon, maar tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit het misdrijf van niet-betaling van loon, en dus strekt tot het verkrijgen van schadevergoeding. 4. De vordering tot betaling van achterstallig loon is een vordering tot uitvoering van een uit de arbeidsovereenkomst ontstane contractuele verbintenis, zodat de verjaring van deze vordering beheerst wordt door artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet en niet door artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, zelfs indien de vordering tevens gegrond is op het feit dat de strafwet werd overtreden doordat die contractuele verbintenis niet werd nagekomen. Het is de werknemer derhalve niet mogelijk in het kader van een vordering ex delicto betaling van achterstallig loon te vorderen. De vordering ex delicto strekt immers tot herstel van de door een misdrijf veroorzaakte schade. Deze burgerlijke vordering tot herstel van de door een misdrijf veroorzaakte schade, zoals bedoeld in de artikelen 3 en 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, kan alleen schadeherstel - bij equivalent of in natura - opleveren, terwijl de vordering tot uitvoering van de loonverbintenis strekt tot werkelijk rechtsherstel. Het is voor de werknemer derhalve niet mogelijk een burgerlijke vordering ex delicto in te stellen, strekkende tot herstel in natura van de schade veroorzaakt door het gepleegde misdrijf, waarbij dit schadeherstel (d.i. het voorwerp van de vordering) bestaat uit betaling van achterstallig loon. 5. Uit hetgeen hiervoren werd uiteengezet volgt dat de vordering van de werknemer ertoe strekkende betaling te bekomen van achterstallig loon een vordering tot uitvoering van contractuele verbintenissen uitmaakt, die onderworpen is aan de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde verjaringstermijn, zelfs al wordt de vordering mede gestoeld op het in de Loonbeschermingswet voorziene misdrijf van niet-betaling van loon. Deze vordering dient te worden ingesteld binnen één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst of vijf jaar na het feit waaruit deze vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst mag overschrijden. Het arbeidshof stelt in het aangevochten arrest (p. 2, nr. 2) vast dat de verweerster, die op 1 juli 1990 in dienst van de NV Domenica was getreden, met aangetekende brief van 30 oktober 1998 een opzeggingstermijn van drie maanden, ingaand op 1 november 1998, heeft betekend zodat, zoals de verweerster zelf in haar conclusie in beroep (p. 2, eerste alinea) stelt, de arbeidsovereenkomst op 31 januari 1999 ten einde kwam. De vordering ertoe strekkende betaling te bekomen van achterstallig loon diende derhalve binnen één jaar na 31 januari 1999 te worden ingesteld. Nu uit het aangevochten arrest (p. 3) blijkt dat de verweerster de eiser op 10 oktober 2001, dit is meer dan 2,5 jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (arrest, p. 15, vierde alinea), voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen dagvaardde in betaling van achterstallig loon, kon het arbeidshof niet wettig beslissen dat de vordering van de verweerster niet verjaard was. De omstandigheid dat het arbeidshof de eiser veroordeelt tot betaling van loonbijslagen als herstel in natura, doet hieraan geen afbreuk. Een vordering strekkende tot betaling van loon, d.i. tot uitvoering van een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verbintenis, heeft immers niet tot voorwerp het herstel, het weze in natura, van de schade voortvloeiend uit het misdrijf, doch strekt tot rechtsherstel. Een vordering strekkende tot betaling van achterstallig loon is derhalve, ook al wordt zij mede gesteund op een misdrijf en wordt het achterstallig loon ten onrechte als herstel in natura van de door dit misdrijf veroorzaakte schade omschreven, een vordering ex contractu, onderworpen aan de verjaâringstermijn bepaald in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet en niet aan de verjaringstermijn, bepaald in artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Het aangevochten arrest, dat beslist dat de vordering van de verweerster niet verjaard is, schendt derhalve de artikelen 15, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 3, 4, dit laatste artikel in zijn versie zowel vóór als na de wijziging bij wetten van 11 juli 1994, 28 maart 2000 en 13 april 2005, en 26, dit laatste artikel in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na de wijziging bij wet van 10 juni 1998, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel 6.1 Ingevolge de tussen werkgever en werknemer gesloten arbeidsovereenkomst is de werkgever verplicht aan de werknemer het overeengekomen loon, in overeenstemming met de loonreglementering in o.m. collectieve arbeidsovereenkomsten, te betalen. Uit artikel 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 blijkt immers dat de werkgever verplicht is het loon te betalen op de wijze, tijd en plaats zoals overeengekomen. Ook uit de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, in het bijzonder uit artikel 2, eerste lid, 1°, van deze wet, blijkt dat het loon waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft, ten laste valt van de werkgever. Een rechtssubject, andere dan de werkgever, kan ten aanzien van de werknemer niet gehouden zijn tot betaling van het loon waarop deze ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft. De verplichting tot betaling van loon opleggen aan een derde, niet-werkgever, zou ingaan tegen artikel 20, eerste lid, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 2, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet, en tegen artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek. Luidens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek kan een overeenkomst immers alleen gevolgen teweegbrengen tussen de contracterende partijen, kan zij aan derden geen nadeel toebrengen en hun slechts tot voordeel strekken in het geval, voorzien in artikel 1121 van het Burgerlijk Wetboek. 6.2 Het niet (of niet volledig) betalen van loon maakt overeenkomstig artikel 42, 1° van de Loonbeschermingswet een misdrijf uit. Luidens deze wetsbepaling zijn strafbaar "de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers". Het niet-betalen van een in een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst voorzien loon wordt in hoofde van "de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers" eveneens strafbaar gesteld door artikel 56, eerste lid, 1°, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Aldus kan wegens niet-betaling van loon niet alleen de werkgever strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, doch ook zijn aangestelden of lasthebbers en indien de werkgever een rechtspersoon betreft, voor feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, de natuurlijke personen door wier tussenkomst de rechtspersoon gehandeld heeft. 6.3 De omstandigheid dat een persoon, andere dan de werkgever, strafrechtelijk aansprakelijk kan zijn wegens niet-betaling van loon, impliceert evenwel niet dat deze persoon kan veroordeeld worden tot betaling van het ingevolge de tussen werkgever en werknemer gesloten arbeidsovereenkomst verschuldigde loon. Deze persoon, niet-werkgever, is immers vreemd aan de contractuele relatie tussen werkgever en werknemer en kan dus niet gehouden zijn tot uitvoering van de contractuele verbintenis van de werkgever. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de werknemer in beginsel een burgerlijke vordering ex delicto kan instellen, strekkende tot betaling van loon als herstel in natura van de schade, veroorzaakt door het misdrijf van niet-betaling van loon - quod non - kan dergelijke vordering slechts worden ingesteld tegen de werkgever en niet tegen diens aangestelde of lasthebbers of tegen de natuurlijke personen door wier toedoen de werkgever-rechtspersoon heeft gehandeld. De schade die de werknemer ingevolge het misdrijf van het niet-betalen van loon lijdt bestaat immers in het feit dat de werkgever zijn contractuele verplichting tot betaling van loon niet is nagekomen. De verplichting tot herstel in natura van deze schade, met name tot uitvoering van de contractuele verplichting, kan slechts bestaan in hoofde van diegene op wie de contractuele verplichting rust, met name de werkgever, en niet in hoofde van diegene die, hoewel strafrechtelijk aansprakelijk, niet (in eigen naam) de contractuele verplichting had het loon te betalen. 7. Het arbeidshof stelt in het aangevochten arrest vast dat: - de verweerster, die bij aangetekende brief van 30 oktober 1998 een opzegtermijn betekende van drie maanden ingaand op 1 november 1998, vanaf 1 juli 1990 in dienst was van de NV Domenica, waarvan de eiser bestuurder was (arrest, p. 2, nr. 2); - de verweerster loonbijpassing en loontoeslag voor zaterdag- en zondagprestaties vordert krachtens strafrechtelijk beteugelde algemeen verbindend verklaarde CAO's (arrest, p. 5, voorlaatste alinea); - overeenkomstig het bepaalde in artikel 42 van de Loonbeschermingswet het niet (tijdig) betalen van het verschuldigde loon door de werkgever, zijn aangestelde of lasthebbers, een misdrijf vormt; dat onder loon in de Loonbeschermingswet onder meer "het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft" wordt verstaan en het daarbij irrelevant is of dit recht zijn oorsprong vindt in een individuele dan wel collectieve arbeidsovereenkomst (arrest, p. 5, in fine); - de verweerster bewijst dat zij ingevolge een CAO gerechtigd was op de gevorderde loonbijpassing (arrest, p. 9, zevende alinea), terwijl zij, alvorens recht wordt gedaan over haar vordering betreffende de toeslag voor weekendwerk en het vakantiegeld bij uitdiensttreding op de eisuitbreiding inzake loon voor weekendwerk, toegelaten wordt onder alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen "dat zij over de gehele tewerkstellingsperiode van juli 1990 tot en met januari 1999 om de 14 dagen een weekend diende te presteren van 16 uren of twee dagen van 8 uren (hetzij 24 weken op jaarbasis)" (arrest, p. 10 en p. 17); - het misdrijf aan de eiser toerekenbaar is als bestuurder en gedelegeerd bestuurder van de NV Domenica, die als natuurlijke persoon binnen deze vennootschap de bevoegdheid bezat om te waken over de correcte naleving van de sociale strafwetten ten aanzien van het tewerkgestelde personeel (arrest, pp. 8-9); - het moreel element van het misdrijf in hoofde van de eiser bewezen is (arrest, pp. 10-11). 8. Nu het arbeidshof uitdrukkelijk vaststelt dat de verweerster ingevolge arbeidsovereen-komst van 1 juli 1990 werd tewerkgesteld door de NV Domenica en derhalve deze vennootschap en niet de eiser werkgever was van de verweerster, kon het arbeidshof de eiser niet wettig veroordelen tot betaling aan de verweerster van loonbijpassing, ook niet als herstel in natura van de schade geleden ingevolge het in hoofde van de eiser bewezen verklaarde misdrijf (schending van de artikelen 1165, 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 2, eerste lid, 1°,42, 1°, dit laatste artikel in zijn versie zoals van kracht vóór en na de wijziging bij wet van 13 februari 1998, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en 56, eerste lid, 1°, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités). Derde onderdeel 9.1 Luidens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet is elk vonnis of arrest met redenen omkleed. Wanneer een arrest tegenstrijdige motieven bevat of er een tegenstrijdigheid tussen de motieven en het beschikkend gedeelte bestaat, worden de elkaar tegensprekende motieven of beslissingen geacht elkaar op te heffen en is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed. Een arrest dat tegenstrijdige beschikkingen bevat schendt tevens artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek. 9.2 Een arrest is op dubbelzinnige wijze gemotiveerd wanneer de redenen ervan of de beslissing op verscheidene wijzen kunnen worden uitgelegd en de beslissing volgens één van die uitleggingen wettig verantwoord is en volgens de andere niet. Ingevolge dergelijke dubbelzinnigheid verkeert het Hof in de onmogelijkheid het hem opgedragen wettigheidstoezicht op de beslissing uit te oefenen, zodat de beslissing niet regelmatig met redenen is omkleed en artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet schendt. 10. Naar luid van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad, nalatigheid of onvoorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. De rechter schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek indien hij aan het slachtoffer van een onrechtmatige daad een vergoeding toekent die meer bedraagt dan de werkelijk geleden schade. 11. Naar luid van artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op grond van het loon van de werknemer. Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Evenwel kan de Koning het aldus bepaalde begrip, bij in ministerraad overlegd besluit, verruimen of beperken. Luidens artikel 19, ,§2, 2°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, worden met afwijking van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, de aan de werknemers verschuldigde vergoedingen, wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, niet als loon aangemerkt. Wanneer aan een werknemer op grond van het misdrijf van niet-betaling van loon een vergoeding tot herstel van de door dit misdrijf geleden schade wordt toegekend, het weze in de vorm van loon als herstel in natura, zijn hierop derhalve geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd. 12. Het arbeidshof beslist in het aangevochten arrest, enerzijds, dat de eiser dient veroordeeld te worden tot betaling van loonbijslagen als herstel in natura, onder aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing (arrest, p. 16, tweede alinea) en veroordeelt de eiser, anderzijds, tot betaling van het door de verweerster gevorderde saldo loonbijpassing, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover deze verschuldigd zijn (arrest, p. 16, in fine). Nu het arbeidshof, enerzijds, beslist dat de eiser dient veroordeeld te worden tot betaling van loonbijslagen als herstel in natura, onder aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing en de eiser, anderzijds, veroordeelt tot betaling van het door de verweerster gevorderde saldo loonbijpassing, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover deze verschuldigd zijn, waarbij in het ongewisse wordt gelaten of al dan niet bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn, is het aangevochten arrest behept met een tegenstrijdigheid tussen de motieven en de beslissing en is het derhalve niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Minstens bevat het aldus tegenstrijdige beslissingen en schendt het artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek. 13. Door te beslissen dat de eiser dient veroordeeld te worden tot betaling van de loonbijslagen als herstel in natura, onder aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing (arrest, p. 16, tweede alinea) beslist het arbeidshof dat de door de verweerster ingevolge het aan de eiser ten laste gelegde misdrijf geleden schade bestaat in loonbijslagen, verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing. Vervolgens veroordeelt het arbeidshof de eiser tot betaling van het door de verweerster gevorderde saldo loonbijpassing, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover deze verschuldigd zijn (arrest, p. 16, in fine). Aangezien het arbeidshof in het ongewisse laat of al dan niet bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn op de aan de verweerster toegekende vergoeding als herstel in natura van de geleden schade, is de beslissing voor twee uitleggingen vatbaar. Indien wordt aangenomen dat bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing op de vergoeding verschuldigd zijn, veroordeelt het arbeidshof de eiser tot betaling van een vergoeding gelijk aan de sub p. 16, tweede alinea van het arrest vastgestelde schade en is de beslissing naar recht verantwoord. Indien wordt aangenomen dat geen bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing op de vergoeding verschuldigd zijn, zodat zij volgens de beslissing sub p. 16, in fine van het arrest niet in mindering moeten worden gebracht van het saldo loonbijpassing, veroordeelt het arbeidshof de eiser tot betaling van een vergoeding die meer bedraagt dan de sub p. 16, tweede alinea van het arrest vastgestelde schade en schendt het derhalve de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek die, zoals hoger uiteengezet sub nr. 10, uiteenzetting die hier als hernomen wordt aangezien, de rechter verbieden aan het slachtoffer van een onrechtmatige daad een vergoeding toe te kennen die meer bedraagt dan de werkelijk geleden schade. Het bestreden arrest is aldus op een dubbelzinnige redengeving gestoeld en schendt artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Minstens stelt het aldus het Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht op deze beslissing uit te oefenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 14. Het arbeidshof veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster van het gevorderde saldo loonbijpassing als herstel in natura van de schade geleden ingevolge het ten laste van de eiser gelegde sociaalrechtelijk misdrijf, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover deze verschuldigd zijn (arrest, p. 16, in fine). Uit de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 19, ,§2, 2°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders blijkt, zoals hoger sub nr. 11 uiteengezet, uiteenzetting die hier als uitdrukkelijk hernomen wordt aangezien, dat geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn op een vergoeding, die wordt toegekend tot herstel van de door het misdrijf van niet-betaling van loon geleden schade. De eiser wordt derhalve in het dispositief van het aangevochten arrest veroordeeld tot betaling van het door de verweerster gevorderde saldo loonbijpassing, zonder dat bijdragen voor de sociale zekerheid in mindering dienen te worden gebracht. Het arbeidshof beslist evenwel sub p. 16, tweede alinea, van het bestreden arrest dat de eiser dient veroordeeld te worden tot betaling van de loonbijslagen als herstel in natura, onder aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen en beslist aldus dat de door de verweerster geleden schade bestaat uit de loonbijslagen, te verminderen met de sociale zekerheidsbijdragen (en de bedrijfvoorheffing). Door, enerzijds, te beslissen dat de geleden schade bestaat in de loonbijslagen te verminderen met de sociale zekerheidsbijdragen en de eiser, anderzijds, te veroordelen tot betaling van de loonbijslagen, zonder dat de sociale zekerheidsbijdragen in mindering dienen te worden gebracht, kent het arbeidshof aan de verweerster een vergoeding toe die meer bedraagt dan de schade die wordt geleden ingevolge het aan de eiser ten laste gelegde misdrijf, en schendt derhalve de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig, de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 19, ,§2, 2°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in zijn versie zoals van kracht zowel vóór als na de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Het onderdeel gaat ervan uit dat de partijen verbonden waren door een arbeidsovereenkomst, terwijl het arrest dit niet vaststelt, maar wel vaststelt dat de verweerster in dienst is getreden van de NV Domenica. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 2. Anders dan het onderdeel aanvoert, kan de vordering tot betaling van achterstallig loon als herstel in natura van de door het misdrijf "niet-betaling van het verschuldigde loon" veroorzaakte schade niet alleen tegen de werkgever worden ingesteld, maar ook tegen een aangestelde of lasthebber die zich in de zin van artikel 42 van de Loonbeschermingswet aan dit misdrijf schuldig heeft gemaakt. Het onderdeel faalt naar recht. Derde onderdeel 3. Enerzijds oordeelt het arrest dat de eiser veroordeeld dient te worden tot betaling van de loonbijslagen als herstel in natura, onder aftrek van socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing. Anderzijds veroordeelt het arrest de eiser tot betaling van het saldo loonbijpassing, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover deze verschuldigd zijn. 4. Aldus houdt het arrest tegenstrijdige beschikkingen in omtrent de al dan niet vermindering van het brutobedrag met de al dan niet in te houden en aan de bevoegde instellingen door te betalen socialezekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing en schendt het zodoende artikel 149 van de Grondwet. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van tweeëntwintig januari tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070122.6 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110131.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240626.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div