id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2 Rolnummer: C.06.0077.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-02-22 Raadplegingen: 550 - laatst gezien 2026-07-03 22:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer de rechter in hoger beroep, na het hoger beroep gegrond te hebben verklaard, het beroepen vonnis wijzigt en zelf uitspraak doet over het geschil, dient hij de zaak niet naar de eerste rechter te verwijzen wanneer hij vervolgens zelf een onderzoeksmaatregel beveelt, ook al is die onderzoeksmaatregel grotendeels dezelfde als diegene bevolen door het beroepen vonnis
(1)Het O.M. concludeerde ook tot vernietiging, doch met verwijzing naar een ander hof van beroep, in toepassing van art. 110, Ger.W. Er dient opgemerkt te worden dat het Hof, zonder de zaak te verwijzen, toch de rechter aanduidt die de zaak verder moet behandelen. Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Cassatie zonder verwijzing - Hof van beroep dat ten onrechte de zaak heeft verwezen naar de eerste rechter - Verdere behandeling van de zaak - Bevoegdheid van hetzelfde hof van beroep Annotaties Publicaties: N.J.W. - Nancy PEETERS; Devolutieve werking hoger beroep. - 2007, 701-702 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0077.N VEDIOR INTERIM, naamloze vennootschap, met zetel te 1070 Brussel, Marie Curiesquare 50, bus 2, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, waar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen W.L., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 31 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1325, vierde lid, 1341, 1347, 1350, 4°, 1352, 1354, 1355 en 1715 van het Burgerlijk Wetboek (art. 1341 gewijzigd bij de wet van 10 december 1990); - artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van hervorming verklaart de vordering van de eiseres om de verweerder te veroordelen tot terugbetaling van 56.836,26 euro teveel ingehouden erelonen en kosten ongegrond en stelt aan als deskundige Meester D.W. met opdracht na te gaan of het door de verweerder aangerekende ereloon in de 118 nog hangende zaken al dan niet met billijke matigheid werd begroot en dit rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk dossier en de afrekening tussen partijen op te maken, en verwijst de zaak naar de eerste rechter op de volgende gronden: De eerste rechter oordeelde dat de afspraken tussen partijen voldoende werden aangetoond door de feitelijke uitvoering ervan. Hij vervolgde nog dat het niet opgaat dat de verweerder eenzijdig deze afspraken wijzigde. De eerste rechter stelde een deskundige aan, aan wie werd gevraagd na te gaan of de aangerekende erelonen al dan niet met billijke gematigdheid werden begroot en dit rekening houdend met de afspraken die bestonden tussen partijen en met de specifieke kenmerken van elk dossier. De verweerder blijft met klem betwisten dat er concrete afspraken werden gemaakt tussen partijen omtrent de ereloonstaten. Hij houdt voor dat er inderdaad een gewoonte was om de erelonen beperkt op te stellen doch dit geschiedde enkel en alleen om commerciële redenen nl. met het oog op de verdere samenwerking in de toekomst. Hij beweert dat bij de beëindiging van de samenwerking de normale gangbare tarieven mochten gehanteerd worden. De eiseres houdt staande dat volgende afspraken werden gemaakt: - de gerechtsdeurwaarderskosten werden door de verweerder aan de eiseres overgemaakt en rechtstreeks door haar betaald; - door de verweerder werden maandelijks afrekeningen opgesteld van zijn ereloonstaten in de afgesloten dossiers; - de derdengelden werden maandelijks integraal aan de eiseres doorgestort; - bij volledige recuperatie rekende de verweerder het schadebeding aan. Eerst was dit 15% en nadien 10% en behield hij de rechtsplegingsvergoeding; - werd er niets gerecupereerd bij faillissement of insolvabiliteit dan werd een forfaitair bedrag aangerekend gaande van 2.000 BEF tot 10.000 BEF, sporadisch iets meer. Artikel 459 Ger. W. bepaalt dat de advocaten hun ereloon begroten met de bescheidenheid die van hun ambt moet worden verwacht. Een beding daaromtrent, dat verbonden is aan de uitslag van het geschil, is verboden. In geval de begroting niet met een billijke gematigdheid is vastgesteld, wordt zij door de raad van de Orde verminderd, met inachtneming onder meer van de belangrijkheid van de zaak en de aard van het werk, onder voorbehoud van de teruggave die hij beveelt en van de tuchtstraffen die hij oplegt, indien daartoe grond bestaat, dit alles onverminderd het recht van de partij om zich tot het gerecht te wenden indien de zaak niet aan een scheidsgerecht is onderworpen. Gelet op voormelde wettelijke bepaling is het de advocaat zelf die de berekeningswijze bepaalt die hij zal aanwenden. De verweerder kan een ereloonregeling overeenkomen met de eiseres, die hij niet zonder haar akkoord mag wijzigen. De verweerder betwist ten stelligste dat een ereloonregeling werd overeengekomen. Een schriftelijke overeenkomst wordt niet voorgebracht. De eiseres beweert dat er een mondelinge afspraak bestond en meent dat zij het bewijs ervan levert aan de hand van de jarenlange uitvoering. Zij verwijst naar haar stuk 24. Lezing van dit stuk, dat bestaat uit diverse maandelijkse afrekeningen, hetzij "fiches klanten boekhouding" per dossier, verwezen naar de hiervoor door de eiseres beweerde afspraken. Anders dan de eerste rechter, oordeelt het hof van beroep dat uit stuk 6 van de bundel van de verweerder geen ereloonregeling blijkt. Voornoemd stuk 6 bevat de eindafrekening van de hangende zaken, die met schrijven van 13 juli 2001 werd overgemaakt aan de eiseres. Deze ereloonstaat bevat per dossier in het kort de verstrekte prestaties en de administratiekosten. Deze eindafrekening wordt betwist door de eiseres. Stuk 19 van de bundel van de verweerder bevat de ereloonstaten in de zaken P. C. Support, Ligne à Suivre, C., D., De Zeemeeuw en M.A. & C. Europe. Deze eindafrekeningen melden dat de verweerder zijn staat van ereloon en onkosten beperkt tot de bekomen forfaitaire schadevergoeding met uitzondering van de rechtsplegingsvergoeding. Voornoemd stuk vormt echter nog geen bewijs van een voorafgaandelijke afspraak tussen partijen. Zoals hiervoor aangehaald is het de verweerder die de berekeningswijze van het ereloon bepaalt. Hij kan inderdaad, zoals hij voorhoudt, om commerciële redenen het ereloon beperken met het oog op een verdere samenwerking. Dit is blijkbaar in voornoemde zaken gebeurd waar hij het ereloon beperkte tot de bekomen forfaitaire schadevergoeding. Deze beperking bij de berekeningwijze die de verweerder overeenkomstig artikel 459 Ger. W. per dossier doet, levert niet het bewijs van een mondelinge afspraak tussen partijen dat in alle dossiers dezelfde berekeningswijze moet worden gehanteerd.
- b)een deskundigenonderzoek De eiseres betwist dat de door verweerder aangerekende erelonen geschiedden met de vereiste bescheidenheid en billijke gematigdheid. Verder verwijst zij ook naar het gebrek aan goeder trouw bij de "partijbeslissing". De verweerder houdt voor dat de erelonen werden begroot overeenkomstig de gebruikelijke tarieven. Een deskundigenonderzoek dient bevolen te worden, zoals hierna bepaald. De opdracht zoals gegeven door de eerste rechter kan behouden blijven, behalve wat het rekening houden betreft met de zogenaamde afspraken van partijen, nu deze - zoals hiervoor aangehaald - door het hof van beroep niet bewezen worden geacht. Nu de bevolen onderzoeksmaatregel - weze het gedeeltelijk - wordt bevestigd, dient de zaak overeenkomstig artikel 1068, 2, Ger. W. te worden verwezen naar de eerste rechter. Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, verwijst de appelrechter de zaak alleen dan naar de eerste rechter indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. Indien de appelrechter daarentegen het beroepen vonnis hervormt en indien de aan de deskundige door de appelrechter gegeven opdracht vertrekt vanuit een ander uitgangspunt dan dat gekozen door de eerste rechter, dan moet de appelrechter de zaak aan zich houden, ook al mocht blijken dat de respectievelijk door de eerste rechter en de appelrechter gegeven opdrachten aan dezelfde deskundige werden toevertrouwd en voor een deel gelijklopend zijn. De eerste rechter oordeelde dat de afspraken tussen partijen voldoende werden aangetoond door de feitelijke uitvoering ervan en hij stelde een deskundige aan met opdracht na te gaan of de aangerekende erelonen al dan niet met billijke gematigdheid werden begroot en dit rekening houdend met de afspraken die bestonden tussen partijen. De appelrechters hervormden het vonnis van de eerste rechter, zij oordeelden dat de afspraken tussen partijen niet bewezen waren en zij gaven de door de eerste rechter aangestelde deskundige de opdracht na te gaan of de aangerekende erelonen al dan niet met billijke gematigdheid waren begroot en dit rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk dossier. De appelrechters hebben aldus de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel niet geheel of gedeeltelijk bevestigd zodat de zaak ten onrechte naar de eerste rechter verwezen werd (schending van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Het bewijs van een mondelinge overeenkomst kan worden geleverd door de uitvoering die partijen aan hun mondelinge overeenkomst hebben gegeven. De eiseres stelde volgens het bestreden vonnis dat de volgende mondelinge afspraken werden gemaakt met de verweerder: - de gerechtsdeurwaarderskosten werden door de verweerder aan de eiseres overgemaakt en rechtstreeks door haar betaald; - door de verweerder werden maandelijks afrekeningen opgesteld van zijn ereloonstaten in de afgesloten dossiers; - de derdengelden werden maandelijks integraal aan de eiseres doorgestort; - bij volledige recuperatie rekende de verweerder de eiseres het schadebeding aan. Eerst was dit 15 pct. en nadien 10 pct. en behield hij de rechtsplegingsvergoeding; - werd er niets gerecupereerd bij faling of insolvabiliteit werd een forfaitair bedrag aangerekend gaande van 2.000 BEF tot 10.000 BEF, sporadisch iets meer (bestreden arrest, p. 4). De eiseres stelde dat het bewijs van deze mondelinge overeenkomst geleverd werd door haar uitvoering (samenvattende beroepsbesluiten van de eiseres, neergelegd op 20 juni 2005, p. 23). Het bestreden arrest stelt vast dat de eiseres meent dat zij het bewijs van deze mondelinge afspraak leverde aan de hand van de jarenlange uitvoering en dat de eiseres hiervoor verwijst naar haar stuk 24. Dit stuk bestaat volgens het bestreden arrest uit diverse maandelijkse afrekeningen van ereloon en onkosten over een periode van januari 1999 tot december 2000. Het bestreden arrest beslist echter dat dit stuk niet toelaat hieruit af te leiden dat er concrete afspraken tussen partijen werden gemaakt louter omdat nergens op deze maandelijkse afrekeningen verwezen wordt naar de door de eiseres beweerde afspraken. Door te beslissen dat het bewijs van de concrete afspraken tussen partijen niet geleverd werd door de maandelijkse afrekeningen van ereloon en onkosten louter omdat in deze afrekeningen niet uitdrukkelijk verwezen werd naar die afspraken en zonder te onderzoeken of deze afrekeningen niet de uitvoering inhouden die partijen aan hun afspraken hebben gegeven, heeft het bestreden arrest zijn beslissing niet wettelijk verantwoord vermits het bewijs van die afspraken kon geleverd worden door hun uitvoering (schending van de artikelen 1325, vierde lid, 1350, 4°, 1352, 1354, 1355 en 1715 van het Burgerlijk Wetboek) te meer daar de maandelijkse afrekeningen van ereloon en onkosten uitgingen van verweerder zodat het aangevoerde bewijs in ieder geval toelaatbaar was (schending van de artikelen 1341, 1347 en 1355 van het Burgerlijk wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Overeenkomstig artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, verwijst de rechter in hoger beroep de zaak alleen dan naar de eerste rechter indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. 2. Wanneer evenwel de rechter in hoger beroep, na het hoger beroep gegrond te hebben verklaard, het beroepen vonnis wijzigt en zelf uitspraak doet over het geschil, dient hij de zaak niet naar de eerste rechter te verwijzen wanneer hij vervolgens zelf een onderzoeksmaatregel beveelt, ook al is die onderzoeksmaatregel grotendeels dezelfde als diegene bevolen door het beroepen vonnis. 3. Het arrest oordeelt, anders dan het beroepen vonnis, dat niet bewezen is dat er tussen partijen mondelinge afspraken werden gemaakt omtrent de berekeningswijze van het ereloon van de verweerder en verklaart dienvolgens het hoger beroep van deze laatste gegrond. Vervolgens beveelt het arrest een deskundigenonderzoek met dien verstande dat "de opdracht zoals gegeven door de eerste rechter kan behouden blijven, behalve wat het rekening houden betreft met de zogenaamde afspraken van partijen, nu deze - zoals hiervoor aangehaald - door het hof (van beroep) niet bewezen worden geacht". 4. Het arrest dat vervolgens oordeelt dat "nu de bevolen onderzoeksmaatregel - weze het gedeeltelijkwordt bevestigd, dient de zaak overeenkomstig artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te worden verwezen naar de eerste rechter", schendt artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek". Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel 5. Het arrest oordeelt, met verwijzing naar het stuk 24 van de eiseres dat "lezing van dit stuk, dat bestaat uit diverse maandelijkse afrekeningen van ereloon en onkosten over een periode van januari 1999 tot december 2000, niet toe(laat) hieruit af te leiden dat er concrete afspraken tussen partijen werden gemaakt". Anders dan het onderdeel aanvoert, laat het arrest zijn beslissing dat het niet bewezen is dat er tussen de partijen afspraken werden gemaakt omtrent de berekening van de erelonen van de verweerder niet louter steunen op de reden dat in de maandelijkse afrekeningen, vermeld in stuk 24, niet verwezen wordt naar afspraken tussen partijen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Verwijzing 6. Het Hof van Beroep dat ten onrechte de zaak heeft verwezen naar de eerste rechte moet de zaak verder behandelen. Er is geen aanleiding tot verwijzing naar een ander Hof van Beroep. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de zaak verwijst naar de eerste rechter. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Zegt dat er geen aanleiding is tot verwijzing. De kosten zijn begroot op de som van 565,73 euro jegens de eisende partij en op de som van 381,71 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 26 januari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080905.1 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100129.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100318.2 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110110.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div