id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070130.2 Rolnummer: P.06.1390.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-02-23 Raadplegingen: 707 - laatst gezien 2026-07-04 05:33 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Overeenkomstig artikel 342 Wetboek van Strafvordering moeten de gezworenen geen rekenschap geven van de middelen waardoor zij tot hun overtuiging zijn gekomen, moeten zij geen bijzondere regels in acht nemen om uit te maken of een bewijs volkomen en genoegzaam is en welk hun oordeel is over de tegen de beschuldigde aangevoerde bewijzen en zijn middelen van verdediging, en dienen zij ten slotte hun beslissing over de schuld niet te motiveren. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Verklaring van de jury - Artikel 342 Sv. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van Assisen - Verklaring van de jury - Artikel 342 Sv. Fiches 3 - 4 Het veroordelend arrest van het hof van assisen is, ook wat de schuld betreft, regelmatig met redenen omkleedt wanneer het de vaststelling bevat dat de jury bevestigend heeft geantwoord op de vragen over de ten laste gelegde misdrijven die in de bewoordingen van de wet zijn omschreven en waarvan alle bestanddelen zijn aangegeven
(1).
(1)Cass., 31 mei 1995, AR P.95.0345.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950531.9, nr 268. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Vrije woorden: Veroordelend arrest op de strafvordering - Motivering Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van Assisen - Eindarrest - Veroordelend arrest op de strafvordering - Motivering Fiches 5 - 7 De enkele omstandigheid dat de gezworenen voor het hof van assisen niet verplicht zijn hun beslissing over de schuld te motiveren, levert geen miskenning op van de artikelen 6.1 E.V.R.M. en 14.1 I.V.B.P.R.; deze bepalingen houden voor de gezworenen geen enkele verplichting in hun overtuiging te motiveren
(1).
(1)Cass., 1 feb. 1995, AR P.94.1545.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950201.12, nr 62; Cass., 31 mei 1995, AR P.95.0345.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950531.9, nr 268; Cass., 16 juni 2004, AR P.04.0281.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.21, nr 333. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Hof van Assisen - Verklaring van de jury - Geen motiveringsplicht - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14.1 - Recht op een eerlijk proces - Hof van Assisen - Verklaring van de jury - Geen motiveringsplicht - Gevolg Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Verklaring van de jury - Geen motiveringsplicht - Eerlijk proces Fiches 8 - 9 Het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging zijn gewaarborgd wanneer de beschuldigde tijdens de procedure voor het hof van assisen de mogelijkheid heeft al zijn verweermiddelen te laten gelden; het feit dat de gezworenen niet verplicht zijn te antwoorden op de door de beschuldigde neergelegde conclusie over de schuldvraag doet daaraan niet af en houdt geen gevaar voor willekeur in, aangezien de samenstelling van de jury en de procedure voor het hof van assisen, die niet vergelijkbaar is met deze voor de correctionele rechtbank of voor de politierechtbank, de nodige waarborgen tegen willekeur bieden
(1).
(1)Cass., 1 feb. 1995, AR P.94.1545.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950201.12, nr 62; Cass., 31 mei 1995, AR P.95.0345.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950531.9, nr 268. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Rechtspleging voor het hof van assisen Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Rechtspleging voor het hof van assisen Fiche 10 De procedure voor het hof van assisen, zoals deze geregeld wordt door, onder meer, de artikelen 214, 294, 312bis, 313 en 377 en volgende, Wetboek van Strafvordering, houdt in dat de beschuldigde een gemotiveerde uitspraak kan krijgen over de wettigheid en de regelmatigheid van het bewijs en voldoende kan weten welke bewijzen of verweer de jury overtuigend heeft geacht en welke niet. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Wijze waarop de rechtspleging geregeld is - Gevolg Fiche 11 Artikel 352 Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat indien de rechters, buiten het geval van artikel 118 van de wet van 18 juni 1869 op de rechterlijke organisatie, éénparig overtuigd zijn dat de gezworenen, al hebben zij de vormen in acht genomen, zich in de zaak zelf hebben vergist, het hof van assisen verklaart dat het vonnis uitgesteld is en de zaak naar een volgende zitting verwijst om te worden onderworpen aan een nieuwe jury, waarvan geen van de gezworenen deel mag uitmaken, houdt niet in dat de rechters moeten motiveren waarom zij oordelen dat de gezworenen zich over de schuldvraag niet hebben vergist. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Verklaring van de jury - Eenparig oordeel van de rechters dat de gezworenen zich in de zaak zelf hebben vergist - Artikel 352, Sv. Fiches 12 - 13 De bestaanbaarheid van een wet met artikel 149 Grondwet en de artikelen 6.1 E.V.R.M. en 14.1 I.V.B.P.R. kan geen aanleiding geven tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; deze bepalingen maken immers geen deel uit van de bepalingen vermeld in artikel 26, § 1, Bijzondere Wet Arbitragehof. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Arbitragehof - Verplichting voor het Hof - Grenzen - Vraag bedoeld in artikel 26, § 1 Bijzondere Wet Arbitragehof Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag - Verplichting voor het Hof - Grenzen - Vraag bedoeld in artikel 26, § 1 Bijzondere Wet Arbitragehof Fiches 14 - 15 Er is geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof wanneer de vraag verschillende procedures vergelijkt en dus geen onderscheid betreft tussen personen of partijen die zich in eenzelfde rechtstoestand bevinden, maar wel tussen personen in dezelfde hoedanigheid die zich in verschillende rechtstoestanden bevinden die zonder onderscheid voor alle partijen gelden
(1).
(1)Zie Cass., 8 sept. 1998, AR P.98.1060.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980908.12, nr 393; Cass., 19 mei 2004, AR P.04.0548.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040519.32, nr 268. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Arbitragehof - Verplichting voor het Hof - Grenzen - Prejudiciële vraag - Vraag die verschillende procedures met elkaar vergelijkt - Onderscheid tussen personen in dezelfde hoedanigheid maar in verschillende rechtstoestanden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 06-01-1989 - Art. 26 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Hof van Cassatie - Verplichting voor het Hof - Grenzen - Prejudiciële vraag - Vraag die verschillende procedures met elkaar vergelijkt - Onderscheid tussen personen in dezelfde hoedanigheid maar in verschillende rechtstoestanden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 06-01-1989 - Art. 26 Fiche 16 Artikel 342 Wetboek van Strafvordering legt de gezworenen geen bijzondere regels op voor het vormen van hun overtuiging, maar legt hen op na te gaan welke indruk de tegen de beschuldigde aangevoerde bewijzen en middelen van verweer op hen hebben gemaakt; hieruit volgt dat de gezworenen hun innerlijke overtuiging vormen op grond van alle gegevens van de zaak, dit is na afweging van de bewijswaarde van de verschillende tijdens het geding voorgebrachte elementen. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Verklaring van de jury - Wijze waarop de gezworenen hun overtuiging moeten vormen Fiche 17 In zijn akte van beschuldiging mag het openbaar ministerie aan de feitelijke gegevens die hij vermeldt de uitlegging geven die hij juist en gepast acht; die uitlegging, die de verdediging kan aanvechten en die de jury vrij beoordeelt, heeft geen incidentie op de regelmatigheid van de bewijsvoering
(1).
(1)Zie Cass., 1 dec. 1993, AR P.93.1381.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931201.14, nr
- Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Behandeling ter zitting - Akte van beschuldiging - Uitlegging door het openbaar ministerie van feitelijke gegevens - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.06.1390.N J. D. D., beschuldigde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- R. V. B., en
- L. V. B., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Assisen van de Provincie Vlaams Brabant van 26 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Overeenkomstig artikel 342 Wetboek van Strafvordering moeten de gezworenen geen rekenschap geven van de middelen waardoor zij tot hun overtuiging zijn gekomen, moeten zij geen bijzondere regels in acht nemen om uit te maken of een bewijs volkomen en genoegzaam is en welk hun oordeel is over de tegen de beschuldigde aangevoerde bewijzen en zijn middelen van verdediging, en dienen zij ten slotte hun beslissing over de schuld niet te motiveren.
- Het veroordelend arrest van het hof van assisen is, ook wat de schuld betreft, regelmatig met redenen omkleed wanneer het, zoals hier, de vaststelling bevat dat de jury bevestigend heeft geantwoord op de vragen over de ten laste gelegde misdrijven die in de bewoordingen van de wet zijn omschreven en waarvan alle bestanddelen zijn aangegeven. In zoverre het schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het middel naar recht.
- De enkele omstandigheid dat de gezworenen voor het hof van assisen niet verplicht zijn hun beslissing over de schuld te motiveren, levert geen miskenning op van de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR. Deze bepalingen houden voor de gezworenen geen enkele verplichting in hun overtuiging te motiveren. Het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging zijn gewaarborgd wanneer de beschuldigde, zoals hier, tijdens de procedure voor het hof van assisen de mogelijkheid heeft al zijn verweermiddelen te laten gelden. Het feit dat de gezworenen, anders dan de correctionele of de politierechtbank, niet verplicht zijn te antwoorden op de door de beschuldigde neergelegde conclusie over de schuldvraag doet daaraan niet af en houdt geen gevaar voor willekeur in. De samenstelling van de jury en de procedure voor het hof van assisen die niet vergelijkbaar is met deze voor de correctionele of de politierechtbank, bieden immers de nodige waarborgen tegen willekeur.
- Zo verplicht artikel 241 Wetboek van Strafvordering de procureur-generaal een akte van beschuldigingstelling op te stellen die beschrijft: 1° de aard van het misdrijf dat aan de beschuldiging ten grondslag ligt; 2° het feit en alle omstandigheden die de straf kunnen verzwaren of verminderen. Artikel 294 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de akte van beschuldiging aan de beschuldigde moet worden betekend samen met de dagvaarding om voor het hof van assisen te verschijnen. Overeenkomstig artikel 312bis Wetboek van Strafvordering dienen de partijen onmiddellijk na de eedaflegging van de jury en voor de aanvang van de verdere rechtspleging de middelen bedoeld in artikel 235bis Wetboek van Strafvordering die zij aan de feitenrechter kunnen onderwerpen, bij conclusie omschrijven. Het hof van assisen moet daarover onmiddellijk uitspraak doen. Tegen dit arrest kan cssatieberoep worden ingesteld samen het het cassatieberoep tegen het eindarrest. Overeenkomstig artikel 313 Wetboek van Strafvordering moet onmiddellijk daarna onder meer de procureur-generaal de akte van beschuldiging voorlezen en de raadsman de akte van verdediging. De verdere procedure voor het hof van assisen verloopt geheel anders dan voor de correctionele en politierechtbank. Ze kenmerkt zich door onmiddellijkheid van het mondeling voorstellen en bediscussiëren van het bewijs en huldigt een maximaal recht op tegenspraak en verdediging. Overeenkomstig artikel 377 en volgende Wetboek van Strafvordering spreekt ten slotte de jury zich uit over de schuld aan de hand van precieze vragen die uit de vele akte van beschuldiging volgen en eventuele vragen over een of meer verzwarende omstandigheden of over een door de beschuldigde aangevoerde grond van verschoning. Deze procedure voor het hof van assisen houdt in dat de beschuldigde een gemotiveerde uitspraak kan krijgen over de wettigheid en de regelmatigheid van het bewijs en voldoende kan weten welke bewijzen of verweer de jury overtuigd heeft geacht en welke niet.
- Artikel 352 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de rechters, buiten het geval van artikel 118 van de wet van 18 juni 1869 op de rechterlijke organisatie, éénparig overtuigd zijn dat de gezworenen, al hebben zij de vormen in acht genomen, zich in de zaak zelf hebben vergist, het hof van assisen verklaart dat het vonnis uitgesteld is en de zaak naar een volgende zitting verwijst om te worden onderworpen aan een nieuwe jury waarvan geen van de gezworenen deel mag uitmaken. Die bepaling houdt niet in dat de rechters moeten motiveren waarom zij oordelen dat de gezworenen zich over de schuldvraag niet hebben vergist. Het middel faalt in zoverre evenzeer naar recht.
- De eiser verzoekt de volgende vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt artikel 342 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, in samenlezing met de artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet en de artikelen 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955) en 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (gesloten op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981), in zoverre uit deze bepalingen moet worden afgeleid dat de beschuldigde die beoordeeld wordt door het hof van assisen, niet het recht heeft op een gemotiveerde beslissing nopens de schuldvraag en dienaangaande ook door het neerleggen van conclusies geen gemotiveerde beslissing over de schuldvraag kan uitlokken, terwijl de beklaagde die beoordeeld wordt voor de gewone strafrechtbanken (politierechtbank, correctionele rechtbank, hof van beroep), wèl recht heeft op een gemotiveerde beslissing nopens de schuldvraag en in dit verband dan ook door het neerleggen van conclusies, houdende verweermiddelen, desgewenst een nader gemotiveerde beslissing van de strafrechter kan uitlokken". De bestaanbaarheid van een wet met artikel 149 Grondwet en de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR geeft geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. Deze bepalingen maken immers geen deel uit van de bepalingen vermeld in artikel 26, ,§ 1, Bijzondere Wet Arbitragehof. Voor het overige blijkt uit het hiervoor beschreven onderscheid tussen de procedure voor het hof van assisen en deze voor de correctionele of de politierechtbank dat de voorgestelde vraag niet een onderscheid betreft tussen personen of partijen die zich in eenzelfde rechtstoestand bevinden maar wel tussen personen in dezelfde hoedanigheid die zich in verschillende rechtstoestanden bevinden die zonder onderscheid voor alle partijen gelden. Er is geen aanleiding de voorgestelde vraag te stellen. Tweede middel
- Artikel 342 Wetboek van Strafvordering legt de gezworenen geen bijzondere regels op voor het vormen van hun overtuiging. Het legt hen op na te gaan welke indruk de tegen de beschuldigde aangevoerde bewijzen en middelen van verweer op hen hebben gemaakt. Hieruit volgt dat de gezworenen hun innerlijke overtuiging vormen op grond van alle gegevens van de zaak, dit is na afweging van de bewijswaarde van de verschillende tijdens het geding voorgebrachte elementen. Het middel dat aanvoert dat de innerlijke overtuiging van de gezworenen dergelijke afweging niet inhoudt, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel, in zoverre het ervan uitgaat dat het verhoor van de getuige G. C. voor de eiser belastend was, verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- In zijn akte van beschuldiging mag het openbaar ministerie aan de feitelijke gegevens die hij vermeldt, zoals de weigering van de beschuldigde zich te onderwerpen aan een polygraaftest, de uitlegging geven die hij juist en gepast acht. Die uitlegging die de verdediging kan aanvechten en de jury vrij beoordeelt, heeft geen incidentie op de regelmatigheid van de bewijsvoering. Het middel faalt in zoverre naar recht. Vierde middel
- Het arrest veroordeelt de eiser tot levenslange opsluiting wegens het feit van opzettelijke doding met voorbedachten rade, dit is het misdrijf bepaald in de artikelen 392, 393 en 394 Strafwetboek. Dit misdrijf wordt met toepassing van dit laatste artikel in zijn hier toepasselijke versie, gestraft met levenslange opsluiting. Aldus veroordeelt het arrest dat artikel 394 Strafwetboek vermeldt, de eiser wettig tot die straf en is het regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 53,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren, Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 30 januari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070130.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090610.3 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090610.9 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091014.1 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091014.2 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110215.8 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120919.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150923.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250107.2N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931201.14 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950201.12 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950531.9 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980908.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040519.32 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.21 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090127.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090310.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div