← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070202.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 61

, § 1, eerste, tweede, derde, vierde, 5de en 6de lid Vrije woorden: Gemeenschappen en Gewesten die de Staat opvolgen - Schulden - Verplichtingen inzake investeringen Wettelijke bepalingen:

Art. 61

, § 1, eerste, tweede, derde, vierde, 5de en 6de lid Fiche 3 De contractuele verplichtingen inzake investeringen aangegaan door het Wegenfonds voor de inwerkingtreding van de Bijzondere Wet Financiering Gemeenschappen en Gewesten ten laste van de vastleggingskredieten, die voorkomen in de begroting van deze instelling, kunnen niet worden aangemerkt als andere uitgaven bedoeld in het artikel 61, § 1, zesde lid van die wet. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST Vrije woorden: Gemeenschappen en Gewesten die de Staat opvolgen - Wegenfonds - Contractuele verplichtingen inzake investeringen - Investeringen aangegaan voor de inwerkingtreding van de wet van 16 jan. 1989 - Ten laste van de vastleggingskredieten in de begroting van het Wegenfonds Wettelijke bepalingen:

Art. 61, § 1, eerste, tweede, derde, vierde, 5de en 6de lid Tekst van de beslissing Nr.

C.05.0589.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, met kabinet te 1000 Brussel, Brederodestraat 9, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. CONSTRUCTIES, ELECTRICITEITSWERKEN EN INDUSTRIE-BOUW, naamloze vennootschap, met zetel te 1130 Brussel, Dobbelenbergstraat 8, dewelke thans ingevolge akte van splitising door opslorping geworden is: 1.a. CEI, naamloze vennootschap, met zetel te 1120 Brussel, Antoon van Osslaan, 1, bus 2, 1.b.CEI ELECTROTEC, naamloze vennootschap, met zetel te 1130 Brussel, Dobbelenbergstraat 8, dewelke thans, na naamswijziging FABRICOM GTI, naamloze vennootschap, met zetel te 1180 Brussel, Gatti de Gamondstraat 254 geworden is,
  2. VAN OORD WERKENDAM BV, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te Werkendam (Nederland), Sasdijk 34, verweersters,
  3. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president van de Vlaamse Regering, met kantoren te 1000 Brussel, Koolstraat 35, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II laan 20, bus 9, verweerder, minstens in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 juni 2005 geweâzen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 61, ,§1, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid, en 82 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten; - artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart de ingestelde rechtsmiddelen ontvankelijk doch ongegrond. Zegt voor recht dat er geen aanleiding toe bestaat het hoger beroep tergend en roekeloos te verklaren. Zegt voor recht dat de in eerste aanleg toegekende bedragen, die verwijzingen inhouden naar de Belgische Frank, met toepassing van art. 14 van de E.G. Verordening nr. 974/98 d.d. 3 mei 1998 over de invoering van de euro (...) moet gelezen worden, bij wijze van verwijzing naar de euro-eenheid als: het bedrag in Belgische Frank: wordt in euro gelezen als: 906.587 22.548, 07 8.791 217,82 12.900 319,78 veroordeelt (de eiser) tot de kosten van het hoger beroep, begroot (...) " na vastgesteld te hebben op p. 2: De aldus ingestelde vordering vond haar oorzaak in de volgende feiten: - De storting op 31 augustus 1989 van 29.074.673 BEF, terwijl toen een bedrag verschuldigd was van 29.981.260 BEF, hetzij 2.220.834 BEF aan intresten en 27.760.426 BEF in hoofdsom. - Ingevolge de toerekening van de gedane betaling op de intresten en vervolgens op het kapitaal bleef er een bedrag in hoofdsom verschuldigd van 906.587 BEF", op p. 4: "(...) sloten het Wegenfonds en (de eerste verweerster)(...) een overeenkomst waarbij het Wegenfonds aan (de eerste verweerster) een vergoeding toekende 'van 27.760.426 BEF, betaalbaar op 31.8.
  4. Voormelde som wordt verhoogd met de wettelijke intresten ingeval van betaling op een latere datum'. De Juridische Dienst voor de aannemingsopdrachten van het Wegenfonds maakte op 8 november 1988 aan de Directie Comptabiliteit een vereffeningsborderel nr. 95/88 over (...) voor een bedrag van 27.760.426 BEF 'te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 31.8.88 tot datum van betaling'", en op p. 6 "De vereffening en vastlegging gebeurden slechts op 20 maart 1989, met berekening der intresten per 3 april 1989", op grond van de motieven op p.7-9: "
  5. De Financieringswet van 16 januari 1989, gepubliceerd op 17 januari 1989, maar in werking getreden op 1 januari 1989, bepaalt in art. 61, ,§1, dat de Gemeenschappen en de Gewesten, 'tenzij in deze wet anders wordt bepaald', de rechten en de verplichtingen overnemen van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hun worden toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures. Op deze algemene regel van het eerste lid van art. 61, ,§1, worden in het tweede lid uitzonderingen gemaakt voor bepaalde leningen en in het derde lid voor contractuele verplichtingen met betrekking tot investeringen. Het vierde lid van art. 61, ,§1, van de Financieringswet bepaalt: 'Dezelfde regeling is van toepassing op de contractuele verplichtingen die door het Wegenfonds werden aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de vastleggings kredieten die voorkomen in de begroting van deze instelling'. Art. 61, ,§1, van de Financieringswet vervolgt ( leden 5 tot en met 8): De in de twee voorgaande leden bepaalde contractuele verplichtingen hebben betrekking op de vóór de inwerkingtreding van deze wet aangegane vastleggingen, zoals blijkt uit de boekhouding der controleurs der vastleggingen of uit de boekhouding van het Wegenfonds. Wat andere uitgaven betreft dan deze die beoogd worden in de hierboven vermelde leden 2, 3 en 4 blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 1988: - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet voorgelegd worden; - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met geldende wetten en reglementen. De Staat bezorgt onverwijld aan de Gemeenschappen en Gewesten, ieder wat hem betreft, de akten en bescheiden die de rechten en verplichtingen vermelden die door hen krachtens deze paragraaf worden overgenomen. Een inventaris van de verstrekte akten en documenten wordt opgemaakt en ondertekend door de bevoegde Executieve of haar afgevaardigde. In geval van geschil kan de Gemeenschap of het Gewest steeds de staat bij de zaak betrekken en kan laatstgenoemde steeds in de zaak tussenkomen.
  6. 'Uit deze bepalingen blijkt dat, opdat de Staat gebonden zou zijn, de verbintenis moet zijn aangegaan vóór 1 januari 1989 én eveneens budgettair moet zijn vastgelegd vóór 1 januari
  7. Vallen derhalve ten laste van de deelgebieden: hetzij betalingen die buiten de uitvoering van de oorspronkelijke overeenkomst vallen, hetzij betalingen die weliswaar de uitvoering van de overeenkomst zijn maar waarvoor het vóór 1 januari 1989 vastgelegd bedrag niet volstaat. Prijsherzieningen, aanhangsels en dergelijke, die nieuwe vastleggingen vereisen vanaf 1 januari 1989, zijn ten laste van de deelgebieden'. Er werd reeds onderstreept dat de besproken regels vereisen dat een onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, 'de andere uitgaven' en anderzijds de contractuele verplichtingen m.b.t. investeringen. Opdat de Staat gebonden zou blijven door contractuele verplichtingen inzake investeringen die aangegaan werden vóór de inwerkingtreding van de Financieringswet, moeten deze verplichtingen m.b.t. investeringen ook zijn vastgelegd vóór deze inwerkingtreding en voorkomen in de begroting. Indien de vastlegging niet tijdig geschiedde vallen de contractuele verplichtingen inzake investeringen eventueel, indien de voorwaarden verenigd zijn, onder de 'andere uitgaven' bedoeld in het zesde lid van art. 61, ,§
  8. Ter zake blijkt duidelijk uit de voorgelegde stukken dat de contractuele verplichtingen, voortvloeiende uit de dading, op 1 januari 1989 niet voorkwamen in de begroting van het Wegenfonds. De vereffening en de vastlegging geschiedden pas op 20 maart
  9. Wel wordt bewezen door het geschrift van de dading zelf dat de schuld, meer bepaald de hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf 31 augustus 1988 tot op de dag van betaling, vaststond en dat niet alleen de betaling ervan werd aangevraagd maar door de schuldenaar ook werd toegestaan vóór 31 december
  10. Met toepassing van het zesde lid van art. 61, ,§1, van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, blijft deze schuld bijgevolg ten laste van de Staat.
  11. Uit de door (de eiser) omtrent art. 1254 B.W. ingeroepen elementen kan helemaal niet worden afgeleid dat de schuldeiser erin zou hebben toegestemd de betaling niet in de eerste plaats op de interesten toe te rekenen.
  12. Het hoger beroep is ongegrond. Het incidenteel beroep werd slechts in ondergeschikte orde ingesteld". Grieven Krachtens artikel 61, ,§1, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, tenzij in deze wet anders wordt bepaald, nemen de Gemeenschappen en de Gewesten de rechten en verplichtingen van de Staat over die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures. Krachtens artikel 61, ,§1, derde lid, van genoemde Financieringswet, onverminderd het bepaalde bij artikel 73, ,§1, van die wet, blijft de Staat alleen gebonden door de contractuele verplichtingen die hij heeft aangegaan en vastgelegd voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 1989, blijkens artikel 82 van dezelfde wet, ten laste van de gesplitste kredieten van het deel I - Kredieten bestemd voor de uitvoering van het investeringsprogramma, van de Titel II - Kapitaaluitgaven, of van de Fondsen van de Titel VI Afzonderlijke sectie van de begroting die worden gestijfd door niet gesplitste kredieten van het voormelde Deel I van de Titel II van de begroting. Krachtens dat derde lid blijven contractuele verplichtingen met betrekking tot investeringen, met inbegrip van de eventuele verwijlintresten, ten laste van de Staat, dit alles beperkt tot het bedrag van de openstaande vastlegging blijkens artikel 61, ,§1, vijfde lid, van genoemde Financieringswet en wat de verwijlintresten betreft beperkt tot de periode die eindigt op 31 december
  13. Krachtens het vierde lid van genoemd artikel 61, ,§1, van de Financieringswet is dezelfde regeling van het derde lid van toepassing op de contractuele verplichtingen die door het Wegenfonds werden aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 1989, blijkens artikel 82 van dezelfde wet, ten laste van de vastleggingskredieten die voorkomen in de begroting van deze instelling. De in de voormelde leden drie en vier bedoelde contractuele verplichtingen hebben, krachtens het vijfde lid van voormeld artikel van de Financieringswet, betrekking op de vóór 1 januari 1989 aangegane vastleggingen, zoals, naargelang, blijkt uit de boekhouding der controleurs der vastleggingen of uit de boekhouding van het Wegenfonds. Het is enkel voor de "andere uitgaven" geviseerd in het zesde lid van genoemd artikel 61, ,§1, van de Financieringswet , nl. de andere uitgaven dan deze die beoogd worden in de hierboven vermelde leden 2, 3 en 4, dat de Staat eveneens gebonden blijft door de bestaande verplichtingen op 31 december 1988, hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet voorgelegd worden, hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met geldende wetten en reglementen. Eerste onderdeel Uit het samenlezen van de aangehaalde leden één, drie, vier en vijf van artikel 61, ,§1, van de Financieringswet volgt dat de contractuele verplichtingen die worden aangegaan door het Wegenfonds die ten laste komen van de vastleggingskredieten die voorkomen in zijn begroting, wanneer zij niet zijn aangegaan én vastgelegd vóór 1 januari 1989 zoals blijkt uit de boekhouding van het Wegenfonds, desondanks overgenomen worden door de Gemeenschappen en Gewesten krachtens de algemene regel vervat in het aangehaalde eerste lid van artikel 61, ,§
  14. Immers, de genoemde contractuele verplichtingen zijn en blijven te onderscheiden van het begrip "andere uitgaven", geviseerd in het zesde lid van het aangehaald artikel 61, ,§1, van de Financieringswet, hetwelk geen betrekking heeft op de voormelde contractuele verplichtingen aangegaan door het Wegenfonds. M.a.w. de voormelde contractuele verplichtingen vormen een aparte categorie, die ten laste blijven van de Staat indien uit de begroting van het Wegenfonds blijkt dat de vastlegging vóór 1 januari 1989 geschiedde, maar binnen welke categorie de rechtsopvolging door, naargelang, de Gemeenscheppen en de Gewesten wel optreedt zo uit de begroting van het Wegenfonds blijkt dat de vastlegging na 31 december 1988 geschiedde. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, eens het beslist dat het "duidelijk uit de voorgelegde stukken (blijkt) dat de contractuele verplichtingen, voortvloeiend uit de dading, op 1 januari 1989 niet voorkwamen in de begroting van het Wegenfonds" omdat "De vereffening en de vastlegging (pas) geschiedden (...) op 20 maart 1989 ", onwettig beslist dat die contractuele verplichtingen, voortvloeiend uit de dading, hetzij de erin toegekende vergoeding "van 27.760.426 BEF betaalbaar op 31.8.
  15. Voormelde som wordt verhoogd met de wettelijke intresten ingeval van betaling op een latere datum", ten laste blijft van de eiser met toepassing van het zesde lid van artikel 61, ,§1, van de Financieringswet, omdat de contractuele verplichtingen inzake investeringen, die geviseerd zijn door het derde, vierde en vijfde lid van voormeld artikel 61, ,§1, wanneer hun vastlegging niet tijdig geschiedde, in strijd met wat de appelrechters beslissen, niet eventueel onder de "andere uitgaven" van voormeld zesde lid vallen, mits de voorwaarden van deze categorie verenigd zijn (schending van artikel 61, ,§1, zesde lid, van de Financieringswet), maar ook die contractuele verplichtingen blijven aangegaan door het Wegenfonds (schending van artikel 61, ,§1, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 82 van de Financieringswet), die overgenomen worden door, naargelang, de Gemeenschappen en de Gewesten, op grond van de algemene regel van het eerste lid van hetzelfde artikel 61, ,§
  16. (schending van de artikelen 61, ,§1, lid 1, en 82 van de Financieringswet). Tweede onderdeel De eerste en de tweede verweersters vroegen, blijkens hun ter zitting van 11 april 2005 neergelegde aanvullende besluiten, in hoger beroep "(de eiser) er toe te veroordelen om aan (de eerste verweerster) te betalen, het bedrag van 906.587 BEF, in kapitaal hetzij minstens uit hoofde van vervallen intresten, in ieder geval te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het vermelde bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot op datum van de effectieve betaling aan (de eerste en de tweede verweersters)". Krachtens artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek is na de aanrekening van de deelbetaling op de interesten, wat overblijft een deel van de oorspronkelijke hoofdsom die zelf gebeurlijk nieuwe interesten kan opbrengen. De omstandigheid dat de eerste en de tweede verweersters er zich toe beperken slechts intresten te vorderen vanaf de dagvaarding, zoals het van aanvullend recht zijnde artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek hen toelaat, wijzigt niets aan de vaststelling dat zij in hoofdorde de betaling van de som van 906.587 BEF vorderden ten titel van kapitaal/hoofdsom. Het bestreden arrest, door het enkel ongegrond verklaren van het hoger beroep van eiser en de veroordeling door de eerste rechter tot de som van 906.587 BEF te behouden, laat in het ongewisse of die som verschuldigd is ten titel van hoofdsom of uit hoofde van vervallen intresten. Aldus is het bestreden arrest aangetast door dubbelzinnigheid (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet), vermits, enerzijds, in de uitlegging ervan dat de som van 906.587 BEF verschuldigd is als intrest, de beslissing inzake de rechtsopvolging wettig is nu de Staat gehouden blijft voor dergelijke intresten, mits het voldaan zijn van de voorwaarden voor de andere uitgaven geviseerd in artikel 61, ,§1, zesde lid, van de Financieringswet en, anderzijds, in de uitlegging ervan dat de som van 906.587 BEF verschuldigd is als hoofdsom, onwettig is, nu de Staat niet gehouden blijft, maar krachtens artikel 61, ,§1, eerste lid, van voormelde Financieringswet rechtsopvolging plaats heeft door,naargelang, de Gemeenschappen of Gewesten, voor deze contractuele verplichting tot de hoofdsom aangegaan door het Wegenfonds (Schending van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 61, ,§1, lid 1, en artikel 82 van de Financieringswet), zoals uit het samenlezen van de aangehaalde leden één, drie, vier en vijf van artikel 61, ,§1, van de Financieringswet volgt dat de contractuele verplichtingen die worden aangegaan door het Wegenfonds en die ten laste komen van de vastleggingskredieten die voorkomen in zijn begroting, wanneer zij niet zijn aangegaan én vastgelegd vóór 1 januari 1989 zoals blijkt uit de boekhouding van het Wegenfonds overgenomen worden. (schending van artikel 61, ,§1, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 82 van de Financieringswet). Immers, de genoemde contractuele verplichting tot de hoofdsom te onderscheiden is en blijft van het begrip "andere uitgaven", geviseerd in het zesde lid van het aangehaald artikel 61, ,§1 van genoemde Financieringswet (schending van artikel 61, ,§1, zesde lid, en artikel 82 van de Financieringswet). M.a.w. de voormelde contractuele verplichtingen vormen een aparte categorie, die niet ten laste blijven van de Staat indien uit de begroting van het Wegenfonds blijkt dat de vastlegging na 1 januari 1989 geschiedde, zoals vastgesteld door de appelrechters dat het "duidelijk uit de voorgelegde stukken (blijkt) dat de contractuele verplichtingen, voortvloeiend uit de dading, op 1 januari 1989 niet voorkwamen in de begroting van het Wegenfonds" omdat "De vereffening en de vastlegging (pas) geschiedden (...) op 20 maart 1989." (schending van de artikelen 61, ,§1, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid, en 82 van de Financieringswet). Derde onderdeel Bevat het bestreden arrest voormelde dubbelzinnigheid niet en beslist het dat de som van 906.587 BEF verschuldigd is ten titel van hoofdsom, na toepassing van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, zoals in hoofdorde gevorderd werd door eerste en tweede verweersters en het bestreden arrest aanneemt waar het overweegt op p. 2: "De aldus ingestelde vordering vond haar oorzaak in de volgende feiten: - (...) - De storting op 31 augustus 1989 van 29.074.673 BEF, terwijl toen een bedrag verschuldigd was van 29.981.260 BEF, hetzij 2.220.834 BEF aan intresten en 27.760.426 BEF in hoofdsom. - ingevolge de toerekening van de gedane betaling op de intresten en vervolgens op het kapitaal bleef er een bedrag in hoofdsom verschuldigd van 906.587 BEF" en antwoordt op p. 9: "
  17. Uit de door (de eiser) omtrent art. 1254 B.W. ingeroepen elementen kan helemaal niet worden afgeleid dat de schuldeiser erin zou hebben toegestemd de betaling niet in de eerste plaats op de interesten toe te rekenen", dan blijft de beslissing dat eiser gehouden is op grond van artikel 61, ,§1, zesde lid, van de Financieringswet onwettig omdat de contractuele verplichtingen inzake investeringen, die geviseerd zijn door het derde, vierde en vijfde lid van voormeld artikel 61, ,§1, wanneer hun vastlegging niet tijdig geschiedde, in strijd met wat de appelrechters beslissen, niet eventueel onder de "andere uitgaven" van voormeld zesde lid vallen, mits de voorwaarden van deze categorie verenigd zijn (schending van artikel 61, ,§1, zesde lid, van de Financieringswet), maar blijven die verplichtingen ook contractuele verplichtingen aangegaan door het Wegenfonds (schending artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 61, ,§1, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 82 van de Financieringswet), die overgenomen worden door, naargelang, de Gemeenschappen en de Gewesten, op grond van de algemene regel van het eerste lid van hetzelfde artikel 61, ,§
  18. (schending van de artikelen 61, ,§1, lid 1, en 82 van de Financieringswet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1154 en 1254 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart de ingestelde rechtsmiddelen ontvankelijk doch ongegrond. Zegt voor recht dat er geen aanleiding toe bestaat het hoger beroep tergend en roekeloos te verklaren. Zegt voor recht dat de in eerste aanleg toegekende bedragen, die verwijzingen inhouden naar de Belgische Frank, met toepassing van art. 14 van de E.G. Verordening nr. 974/98 d.d. 3 mei 1998 over de invoering van de euro (..) moet gelezen worden, bij wijze van verwijzing naar de euro-eenheid als: het bedrag in Belgische Frank: wordt in euro gelezen als: 906.588 22.548, 07 8.792 217,82 12.900 319,78 Veroordeelt (de eiser) tot de kosten van het hoger beroep, begroot ( ..) " na vastgesteld te hebben op p. 2: De aldus ingestelde vordering vond haar oorzaak in de volgende feiten: - De storting op 31 augustus 1989 van 29.074.673 BEF, terwijl toen een bedrag verschuldigd was van 29.981.260 BEF, hetzij 2.220.834 BEF aan intresten en 27.760.426 BEF in hoofdsom. - Ingevolge de toerekening van de gedane betaling op de intresten en vervolgens op het kapitaal bleef er een bedrag in hoofdsom verschuldigd van 906.587 BEF", op p. 4: "( ..) sloten het Wegenfonds en (de eerste verweerster)(...) een overeenkomst waarbij het Wegenfonds aan (de eerste verweerster) een vergoeding toekende 'van 27.760.426 BEF, betaalbaar op 31.8.
  19. Voormelde som wordt verhoogd met de wettelijke intresten ingeval van betaling op een latere datum'. De Juridische Dienst voor de aannemingsopdrachten van het Wegenfonds maakte op 8 november 1988 aan de Directie Comptabiliteit een vereffeningsborderel nr. 95/88 over (...) voor een bedrag van 27.760.426 BEF 'te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 31.8.88 tot datum van betaling'", en op p. 6 "De vereffening en vastlegging gebeurden slechts op 20 maart 1989, met berekening der intresten per 3 april 1989", op grond van de motieven op p.7-9: "
  20. De Financieringswet van 16 januari 1989, gepubliceerd op 17 januari 1989, maar in werking getreden op 1 januari 1989, bepaalt in art. 61, ,§1, dat de Gemeenschappen en de Gewesten, 'tenzij in deze wet anders wordt bepaald', de rechten en de verplichtingen overnemen van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hun worden toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures. Op deze algemene regel van het eerste lid van art. 61, ,§1, worden in het tweede lid uitzonderingen gemaakt voor bepaalde leningen en in het derde lid voor contractuele verplichtingen met betrekking tot investeringen. Het vierde lid van art. 61, ,§1, van de Financieringswet bepaalt: 'Dezelfde regeling is van toepassing op de contractuele verplichtingen die door het Wegenfonds werden aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de vastleggings kredieten die voorkomen in de begroting van deze instelling'. Art. 61, ,§1, van de Financieringswet vervolgt ( leden 5 tot en met 8): De in de twee voorgaande leden bepaalde contractuele verplichtingen hebben betrekking op de vóór de inwerkingtreding van deze wet aangegane vastleggingen, zoals blijkt uit de boekhouding der controleurs der vastleggingen of uit de boekhouding van het Wegenfonds. Wat andere uitgaven betreft dan deze die beoogd worden in de hierboven vermelde leden 2, 3 en 4 blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 1988: - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet voorgelegd worden; - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met geldende wetten en reglementen. De Staat bezorgt onverwijld aan de Gemeenschappen en Gewesten, ieder wat hem betreft, de akten en bescheiden die de rechten en verplichtingen vermelden die door hen krachtens deze paragraaf worden overgenomen. Een inventaris van de verstrekte akten en documenten wordt opgemaakt en ondertekend door de bevoegde Executieve of haar afgevaardigde. In geval van geschil kan de Gemeenschap of het Gewest steeds de staat bij de zaak betrekken en kan laatstgenoemde steeds in de zaak tussenkomen.
  21. 'Uit deze bepalingen blijkt dat, opdat de Staat gebonden zou zijn, de verbintenis moet zijn aangegaan vóór 1 januari 1989 en eveneens budgettair moet zijn vastgelegd vóór 1 januari
  22. Vallen derhalve ten laste van de deelgebieden: hetzij betalingen die buiten de uitvoering van de oorspronkelijke overeenkomst vallen, hetzij betalingen die weliswaar de uitvoering van de overeenkomst zijn maar waarvoor het vóór 1 januari 1989 vastgelegd bedrag niet volstaat. Prijsherzieningen, aanhangsels en dergelijke, die nieuwe vastleggingen vereisen vanaf 1 januari 1989, zijn ten laste van de deelgebieden'. Er werd reeds onderstreept dat de besproken regels vereisen dat een onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, 'de andere uitgaven' en anderzijds de contractuele verplichtingen m.b.t. investeringen. Opdat de Staat gebonden zou blijven door contractuele verplichtingen inzake investeringen die aangegaan werden vóór de inwerkingtreding van de Financieringswet, moeten deze verplichtingen m.b.t. investeringen ook zijn vastgelegd vóór deze inwerkingtreding en voorkomen in de begroting. Indien de vastlegging niet tijdig geschiedde vallen de contractuele verplichtingen inzake investeringen eventueel, indien de voorwaarden verenigd zijn, onder de 'andere uitgaven' bedoeld in het zesde lid van art. 61, ,§
  23. Ter zake blijkt duidelijk uit de voorgelegde stukken dat de contractuele verplichtingen, voortvloeiende uit de dading, op 1 januari 1989 niet voorkwamen in de begroting van het Wegenfonds. De vereffening en de vastlegging geschiedden pas op 20 maart
  24. Wel wordt bewezen door het geschrift van de dading zelf dat de schuld, meer bepaald de hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf 31 augustus 1988 tot op de dag van betaling, vaststond en dat niet alleen de betaling ervan werd aangevraagd maar door de schuldenaar ook werd toegestaan vóór 31 december
  25. Met toepassing van het zesde lid van art. 61, ,§1, van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, blijft deze schuld bijgevolg ten laste van de Staat.
  26. Uit de door (de eiser) omtrent art. 1254 B.W. ingeroepen elementen kan helemaal niet worden afgeleid dat de schuldeiser erin zou hebben toegestemd de betaling niet in de eerste plaats op de interesten toe te rekenen.
  27. Het hoger beroep is ongegrond. Het incidenteel beroep werd slechts in ondergeschikte orde ingesteld". Grieven De eerste en de tweede verweersters vroegen, blijkens hun ter zitting van 11 april 2005 neergelegde aanvullende besluiten, in graad van beroep "(de eiser) er toe te veroordelen om aan (de eerste verweerster) te betalen, het bedrag van 906.587 BEF, in kapitaal hetzij minstens uit hoofde van vervallen intresten, in ieder geval te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het vermelde bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot op datum van de effectieve betaling aan (de eerste en de tweede verweersters)". Eerste onderdeel Krachtens artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek is na de aanrekening van de deelbetaling op de intresten, wat overblijft een deel van de oorspronkelijke hoofdsom, die zelf gebeurlijk nieuwe interesten kan opbrengen. De omstandigheid dat eerste en tweede verweersters er zich toe beperken slechts gerechtelijke intresten te vorderen vanaf de datum van de dagvaarding, zoals het van aanvullend recht zijnde artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek hen toelaat, wijzigt niets aan de vaststelling dat zij in hoofdorde de betaling van de som van 906.587 BEF vorderden ten titel van kapitaal/hoofdsom. Minstens vorderden eerste en tweede verweersters de betaling van dezelfde som uit hoofde van vervallen intresten, in ieder geval te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot op de datum van betaling. Evenwel kunnen intresten op intresten niet worden toegekend, dan mits het naleven van de voorwaarden gesteld in artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, welke bepaling van openbare orde is. Overeenkomstig deze bepaling brengt intrest slechts intrest op vanaf het ogenblik dat de kapitalisatie ervan in een bijzondere overeenkomst is bedongen of in een gerechtelijke aanmaning wordt gevorderd. Daartoe volstaat het niet dat wanneer de vordering strekt tot het betalen van intrest dat ook gerechtelijke intrest wordt gevorderd, maar vereist is dit dat een gerechtelijke aanmaning aangeeft dat intrest op intrest of kapitalisatie van intrest wordt gevorderd. De inleidende dagvaardigt bevat geen dergelijke aanmaning nu in het dispositief ervan in ondergeschikte orde enkel de veroordeling werd gevorderd "tot betaling van de achterstallige intresten ten belope van negenhonderd zesduizend vijfhonderd zevenentachtig frank". Het bestreden arrest, door het enkel ongegrond verklaren van het hoger beroep van de eiser en de veroordeling door de eerste rechter tot de som van 906.587 BEF te behouden, laat in het ongewisse of die som verschuldigd is ten titel van hoofdsom of uit hoofde van vervallen intresten. Aldus is het bestreden arrest aangetast door dubbelzinnigheid (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet), vermits, enerzijds, in de uitlegging ervan dat de som van 906.587 BEF verschuldigd is als hoofdsom, de beslissing houdende toekenning van de gevorderde gerechtelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding wettig is, nu een partij kan afzien van het voordeel van artikel 1153 Burgerlijk Wetboek en, anderzijds, in de uitlegging ervan dat de som van 906.587 BEF verschuldigd is als intrest, de beslissing houdende toekenning van de gevorderde gerechtelijke intresten in de aanvullende besluiten neergelegd door de eerste en de tweede verweerster ter zitting van 11 april 2005 vanaf de datum van de dagvaarding onwettig is, nu niet voldaan is op datum van die dagvaarding aan de vereiste van een gerechtelijke aanmaning, dewelke er niet in voorkomt, het bestaan van een bijzondere overeenkomst desbetreffend voor het overige evenmin niet vastgesteld zijnde, zoals nochtans vereist door artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek (Schending van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek), minstens in deze lezing het bestreden arrest niet zonder artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek te miskennen de som van 906.587 BEF kan toekennen uit hoofde van achterstallige/vervallen intresten, na vastgesteld te hebben op p. 2 : "De aldus ingestelde vordering vond haar oorzaak in de volgende feiten: - (...) - De storting op 31 augustus 1989 van 29.074.673 BEF, terwijl toen een bedrag verschuldigd was van 29.981.260 BEF, hetzij 2.220.834 BEF aan intresten en 27.760.426 BEF in hoofdsom. - Ingevolge de toerekening van de gedane betaling op de intresten en vervolgens op het kapitaal bleef er een bedrag in hoofdsom verschuldigd van 906.587 BEF" en te antwoorden op p. 9: "
  28. Uit de door (de eiser) omtrent art. 1254 B.W. ingeroepen elementen kan helemaal niet worden afgeleid dat de schuldeiser erin zou hebben toegestemd de betaling niet in de eerste plaats op de interesten toe te rekenen", vermits na die toerekening overeenkomstig voormeld artikel 1254 slechts een saldo uit hoofde van hoofdsom overblijft (schending van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Bevat het bestreden arrest voormelde dubbelzinnigheid niet en beslist het dat de som van 906.587 BEF verschuldigd is ten titel van intresten, dan blijft de beslissing tot toekenning van de gevorderde gerechtelijke intresten in de aanvullende besluiten neergelegd door de eerste en de tweede verweerster ter zitting van 11 april 2005 vanaf de datum van de dagvaarding onwettig, nu niet voldaan is op datum van die dagvaarding aan de vereiste van een gerechtelijke aanmaning, dewelke er niet in voorkomt, het bestaan van een bijzondere overeenkomst desbetreffend voor het overige evenmin niet vastgesteld zijnde, zoals nochtans vereist door artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek (schending van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek), minstens in deze lezing het bestreden arrest niet zonder artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek te miskennen de som van 906.587 BEF kan toekennen uit hoofde van achterstallige/vervallen intresten, na vastgesteld te hebben op p. 2: "De aldus ingestelde vordering vond haar oorzaak in de volgende feiten: - (...) - De storting op 31 augustus 1989 van 29.074.673 BEF, terwijl toen een bedrag verschuldigd was van 29.981.260 BEF, hetzij 2.220.834 BEF aan intresten en 27.760.426 BEF in hoofdsom. - Ingevolge de toerekening van de gedane betaling op de intresten en vervolgens op het kapitaal bleef er een bedrag in hoofdsom verschuldigd van 906.587 BEF" en te antwoorden op p. 9: "
  29. Uit de door (de eiser) omtrent art. 1254 B.W. ingeroepen elementen kan helemaal niet worden afgeleid dat de schuldeiser erin zou hebben toegestemd de betaling niet in de eerste plaats op de interesten toe te rekenen", vermits na die toerekening overeenkomstig voormeld artikel 1254 slechts een saldo uit hoofde van hoofdsom overblijft (schending van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  30. Krachtens artikel 61, ,§1, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, (hierna: Financieringswet) nemen de Gemeenschappen en Gewesten, tenzij in deze wet anders wordt bepaald, de rechten en verplichtingen van de Staat over die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toeâkomstige gerechtelijke procedures. Het tweede lid laat echter ten last van de Staat de verplichtingen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de leningen aangegaan door het Wegenfonds voor de inwerkingtreding van deze wet. Het derde lid bepaalt dat onverminderd het bepaalde bij artikel 73, ,§1, van de bijzondere wet, de Staat daarenboven alleen gebonden blijft door de contractuele verplichtingen die hij heeft aangegaan en vastgelegd vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de gesplitste kredieten van het Deel I Kredieten bestemd voor de uitvoering van het Investeringsprogramma, van de Titel II Kapitaaluitgaven, of van de Fondsen van de Titel IV Afzonderlijke sectie van de begroting, die worden gestijfd door niet gesplitste kredieten van het voormelde Deel I van de Titel II van de begroting. Het vierde lid bepaalt dat dezelfde regeling van toepassing is op de contractuele verplichtingen die door het Wegenfonds werden aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de vastleggingskredieten die voorkomen in de begroting van deze instelling. Het vijfde lid bepaalt dat de contractuele verplichtingen bedoeld in het derde en het vierde lid betrekking hebben op de vóór de inwerkingtreding van deze wet aangegane vastleggingen, zoals blijkt uit de boekhouding der controleurs der vastleggingen of uit de boekhouding van het Wegenfonds. Het zesde lid bepaalt dat wat andere uitgaven betreft dan deze die beoogd worden in het tweede, derde en vierde lid, de Staat eveneens gebonden blijft door de bestaande verplichtingen op 31 december 1988: - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vast uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet voorgelegd worden; - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met geldende wetten en reglementen.
  31. Uit die wetsbepalingen volgt dat het begrip "andere uitgaven" moet onderscheiden worden van de verplichtingen inzake investeringen. De contractuele verplichtingen inzake investeringen aangegaan door het Wegenfonds voor de inwerkingtreding van de Financieringswet ten laste van de vastleggingskredieten, die voorkomen in de begroting van deze instelling, kunnen niet worden aangemerkt als andere uitgaven bedoeld in het zesde lid van artikel 61, ,§1, van de Financieringswet.
  32. De appelrechters oordelen: - er kwam een dading tot stand tussen partijen voorafgaand aan 31 augustus 1988; - de contractuele verplichtingen voortvloeiend uit de dading kwamen op 1 januari 1989 niet voor in de begroting van het Wegenfonds, terwijl de vereffening en vastlegging dateert van na 1 januari 1989; - ingevolge de toerekening van de gedane betaling op de interest en vervolgens op het kapitaal bleef er een bedrag in hoofdsom verschuldigd van 906.587 BEF; - indien de vastlegging niet tijdig geschiedde vallen de contractuele verplichtingen inzake investeringen eventueel, indien de voorwaarden verenigd zijn, onder de "andere uitgaven" bedoeld in het zesde lid van artikel 61, ,§1, van de Financieringswet; - ingevolge de dading, de schuld omvattend de hoofdsom vermeerderd met de wettelijke interest vanaf 31 augustus 1988 tot de dag van betaling vaststond en "niet alleen de betaling ervan werd aangevraagd maar door de schuldenaar ook werd toegestaan voor 31 december 1988".
  33. Door hun oordeel dat de betwiste schuld op grond van het zesde lid van artikel 61, ,§1, van de voormelde wet ten laste blijft van de Staat, schenden de appelrechters dit artikel. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 2 februari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070202.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010316.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.