id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 44
, tweede lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Akkoordprocedure - Handelingen door de schuldenaar verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting Wettelijke bepalingen:
Art. 44
, tweede lid Fiches 3 - 4 Alleen de schulden die ontstaan uit handelingen door de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting tijdens de periode van voorlopige opschorting van betaling gelden als boedelschulden van het latere faillissement
(1).
(1)Zie Cass., 8 sept. 2006, AR C.05.0284.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060908.4, nr ...; J. CAEYMAEX, "Les dettes de masse antérieures à la faillite", (noot onder Kh. Brussel, 25 januari 2001), J.L.M.B. 2001, 1756-1761; P. COUSSEMENT, "De overgang van gerechtelijk akkoord naar faillissement en de vaststelling van de datum van staking van betaling", R.W. 2003-04,
(1677)1684; A. CUYPERS, De invloed van de nieuwe wetten betreffende het gerechtelijk akkoord en het faillissement op de kredieten en de kredietzekerheden. Voorrechten en hypotheken. Grondige Studies, Antwerpen, Kluwer, 1998, 64; A. DE WILDE, "Opeenvolgende situaties van samenloop en artikel 44, tweede lid W.G.A.", (noot onder Kh. Turnhout, 26 juni 2001), T.B.H., 2003,
(345)347-349; E. DIRIX, "Posities van schuldeisers en hun zekerheidsrechten", in H. BRAECKANS, E. DIRIX en E. WYMEERSCH, Faillissement en Gerechtelijk Akkoord: het nieuwe recht, Antwerpen, Kluwer, 1998, 378-383; M. TISON, "Schuldeisers en het gerechtelijk akkoord", Gandaius Actueel IV, Antwerpen, Kluwer, 1999, 192; J. WINDEY en T. HÜRNER, "Les dettes de masse de l'article 44, alinéa 2", (noot onder Luik, 17 juni 2003), T.B.H. 2005,
(262)265-266. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GERECHTELIJK AKKOORD Vrije woorden: Akkoordprocedure - Handelingen verricht door de schuldenaar - Boedelschulden Wettelijke bepalingen:
Art. 44
, tweede lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Akkoordprocedure - Boedelschulden Wettelijke bepalingen:
Art. 44, tweede lid Tekst van de beslissing Nr.
C.06.0162.N BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Ontvanger der directe belastingen te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1.a. W.H., 1.b. M.C., 1.c. C.K., allen in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Sofinal Cotesa,
- DEXIA BANK BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44,
- FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3,
- ING BELGIE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24,
- KBC BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 december 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 9, 15, 19, 26, 27, 29, 36, 37, 38, 40 en 44, in het bijzonder het tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord; - artikel 99 van de faillissementswet van 8 augustus
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest vernietigt het vonnis van de eerste rechter in zoverre het voor recht zegde dat eiser wordt aanvaard voor 124.929,06 euro als boedelschuld. Opnieuw recht doende, zegt het bestreden arrest voor recht dat de eiser, naast de 129.753 euro, waarvoor hij al opgenomen is in het bevoorrecht passief, bijkomend voor 124.929,06 euro wordt opgenomen in het bevoorrecht passief. Het bestreden arrest oordeelt op grond van de volgende overwegingen dat enkel de schulden die ontstaan zijn tijdens de periode van de voorlopige opschorting van betaling het karakter van boedelschuld kunnen verwerven in de zin van artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli
- "De opdracht van de commissaris inzake opschorting is volledig anders binnen het kader van de periode van voorlopige opschorting dan binnen het kader van de periode van definitieve opschorting. De door de wetgever gebruikte termen tot omschrijving van diens opdracht zijn volkomen verschillend naargelang van de periode waarop ze betrekking hebben. De periode van voorlopige opschorting is een 'precaire' periode, waarin de commissaris inzake opschorting de centrale figuur is in het delicate begeleiden van het bedrijf dat, enerzijds, verder moet werken ('going concern') en, anderzijds, een voor de schuldeisers aanvaardbaar plan moet opstellen. Voor diegene die schuldeisers worden in die periode van voorlopige opschorting, moet een garantie worden gegeven dat zij een 'supervoorrecht' hebben, zoniet zullen zij afhaken. Ingeval zij niet een bijzondere bescherming genieten, is het niet meer mogelijk het bedrijf aan de gang te houden; de bedoeling van de gerechtelijk akkoordprocedure, nl. het redden van de onderneming, wordt onmogelijk. Om die reden heeft de wetgever voorzien in het statuut van 'boedelschuld', doch onder die voorwaarde dat die schuld is tot stand gekomen ten gevolge van handelingen die zijn verricht met 'medewerking, machtiging of bijstand' van de commissaris inzake opschorting (toepassing artikel 44, tweede lid, WGA). De periode van de definitieve opschorting is van geheel andere aard dan de periode voorlopige opschorting. In de periode van definitieve opschorting is het plan aanvaard en moet het bedrijf werken binnen de krijtlijnen zoals uitgestippeld in het plan. Het bedrijf staat in de periode van definitieve opschorting weer volledig onafhankelijk: de bestuursorganen hebben volledig de macht. Het bedrijf kan weerom onbelemmerd deelnemen aan het commerciële leven: schulden aangaan en schuldvorderingen scheppen, zonder enige restrictie. Het enige waaraan de onderneming zich dient te houden, is het nakomen van het plan dat een betalingsen afbetalingsschema ten opzichte van de schuldeisers die betrokken waren in de gerechtelijk akkoordprocedure. De commissaris inzake opschorting heeft slechts de opdracht toezicht en controle over de uitvoering van dat plan uit te oefenen. Tot medewerking, machtiging of bijstand is hij geenszins gerechtelijk gemachtigd noch kan hij daartoe gerechtelijk gemachtigd worden. Aldus kan er tijdens de periode van definitieve opschorting gewoon géén schuldvordering ontstaan ten gevolge van een verrichting die geschied is met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting en kan er bijgevolg ook geen boedelschuld ontstaan. Wie schuldeiser wordt van een bedrijf in de periode van definitieve opschorting is een 'gewone speler' in het commerciële leven, zoals de firma die de definitieve opschorting heeft bekomen eveneens (opnieuw) een 'gewone speler' in het commerciële leven is geworden. Een en ander kan tot gevolg hebben dat het kwestieuze bedrijf geen of nauwelijks enig krediet van leveranciers of andere nieuwe schuldeisers kan bekomen en uiteindelijk toch het faillissement tegemoet gaat. Dit is een vrijemarktgegeven waarbij niets anders kan worden vastgesteld dan dat de markt geen voldoende geloof en vertrouwen heeft in het commerciële project van die kwestieuze firma. Voorafgaande is evenwel geen reden om schulden die ontstaan zijn in de periode van definitieve opschorting het statuut van boedelschuld te geven. Tenslotte is het juist dat de (eiser) als fiscale overheid, vaak geen vrije keuze heeft om al dan niet met een schuldenaar samen te werken: indien de schuldenaar mensen tewerkstelt is er (meestal) automatisch bedrijfsvoorheffing verschuldigd. Een en ander heeft evenwel niet als gevolg dat de (eiser) op een andere wijze zou moeten worden behandeld als een 'gewone' schuldeiser wiens schuldvordering ook is ontstaan in de periode van definitieve opschorting. Het verlenen van het 'statuut' van boedelschuld is een uitzondering op de regel dat de schulden die ontstaan zijn vóór de faillietverklaring worden opgenomen in het (al dan niet bevoorrecht) passief van het faillissment. Een restrictieve benadering van de aanspraken om als boedelschuld te worden erkend, dringt zich bijgevolg op. Uit wat voorafgaat, volgt dat er geen overtuigende wettelijke grondslag is om de schulden die ontstaan zijn tijdens de periode van definitieve opschorting, het statuut van boedelschuld te verlenen. In die omstandigheden dringt zich de opname op van de volledige schuldvordering van (de eiser) in het bevoorrecht passief" (arrest, p. 2-4). Grieven Het gerechtelijk akkoord kan aan de schuldenaar worden toegestaan indien hij tijdelijk zijn schulden niet kan voldoen of indien de continuïteit van zijn onderneming bedreigd wordt door moeilijkheden die op min of meer korte termijn kunnen leiden tot het ophouden van betalen. Het akkoord kan alleen worden toegestaan indien de financiële toestand van de onderneming kan worden gesaneerd en het economisch herstel ervan mogelijk lijkt (artikel 9 van de wet van 17 juli 1997). Indien voldaan is aan deze voorwaarden en de rechtbank op grond van een voorlopige beoordeling oordeelt dat de continuïteit van de onderneming geheel of gedeeltelijk kan worden gehandhaafd, kent deze een voorlopige opschorting van betaling toe voor een observatieperiode die niet langer dan zes maanden mag zijn (artikel 15, ,§1, eerste lid). In het vonnis dat de voorlopige opschorting van betaling toestaat, wijst de rechtbank een of meer commissarissen inzake opschorting aan, dewelke individueel alle handelingen kunnen verrichten die nodig of nuttig zijn voor de vervulling van hun gemeenschappelijke opdrachten (artikel 15, ,§1, tweede lid). De rechtbank kan bepalen dat de schuldenaar geen daden van bestuur of beschikking mag verrichten zonder machtiging van de commissaris inzake opschorting (artikel 15, ,§1, derde lid). In het algemeen wordt de commissaris inzake opschorting ermee belast de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure bij te staan bij het bestuur, onder toezicht van de rechtbank, hij brengt verslag uit telkens als de omstandigheden het vereisen en in ieder geval op verzoek van de rechtbank (artikel 19, eerste lid). Specifiek tijdens de voorlopige opschorting van betaling onderzoekt de commissaris inzake opschorting de aangegeven schuldvordering en de ingediende titels (artikel 26), verwijst, bij betwisting, de niet-toegelaten schuldvorderingen naar de rechtbank (artikel 27) en staat de schuldenaar bij met het opstellen van het herstel- of betalingsplan (artikel 29, ,§1). Tijdens de definitieve opschorting van betaling oefent de commissaris inzake opschorting toezicht en controle uit over de uitvoering van het plan en de akkoordprocedure, waarbij hij ten minste om de zes maanden en telkens als de rechtbank erom verzoekt, verslag uitbrengt aan de rechtbank over de uitvoering van het plan en het akkoord (artikel 36); bij niet-uitvoering van geheel of een deel van het plan kan hij in zijn verslag aan de rechtbank de herroeping van de opschorting vorderen (artikel 37), terwijl op zijn verzoek de rechtbank ook wijzigingen aan het plan kan goedkeuren (artikel 38). De algemene bijstandsverplichting van de commissaris inzake opschorting, zoals omschreven in artikel 19, eerste lid, dooft na de goedkeuring van het plan niet uit zodat de schuldenaar ook tijdens de definitieve opschorting van betaling handelingen kan verrichten met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting. Een maand vóór het verstrijken van de termijn van de definitieve opschorting brengt de commissaris inzake opschorting een eindverslag uit omtrent de uitvoering van het plan, waarna de rechtbank, op verzoek van de commissaris inzake opschorting, het einde van de opschorting uitspreekt (artikel 20). Luidens artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, worden de handelingen door de schuldenaar, tijdens de akkoordprocedure verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting, bij faillissement beschouwd als handelingen van de curator, waarbij de schulden gedurende de akkoordprocedure aangegaan gelden als boedelschulden van het faillissement. De wetgever heeft met de uitvoering van het statuut van boedelschuld voor de schulden, aangegaan tijdens de akkoordprocedure met tussenkomst van de commissaris inzake opschorting, een zekerheid willen verschaffen aan de schuldeisers die bereid zijn om, spijts de precaire toestand van de schuldenaar tijdens het gerechtelijk akkoord, met hem te contracteren. In de mate dat de schuldenaar ook tijdens de definitieve opschorting van betaling in een precaire positie blijft verkeren, gelet onder meer op het risico dat het akkoord steeds kan worden herroepen van zodra de schuldenaar een deel van het plan niet uitvoert, komt het statuut van boedelschuld ook toe aan de schulden die tijdens de definitieve opschorting van betaling met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting door de schuldenaar zijn aangegaan. In zoverre in de tekst van artikel 44, tweede lid, uitdrukkelijk wordt verwezen naar handelingen verricht tijdens de akkoordprocedure en naar schulden aangegaan gedurende de akkoordprocedure was het duidelijk de intentie van de wetgever om ook aan deze schulden die tijdens de definitieve opschorting van betaling met tussenkomst van de commissaris inzake opschorting zijn ontstaan het "supervoorrecht" van boedelschuld te verlenen. Het herstel en het voortbestaan van de onderneming na afloop van de definitieve opschorting is de enige finaliteit van het gerechtelijk akkoord zodat ook tijdens de definitieve opschorting van betaling de bestaande medecontractanten blijvend moeten worden gemotiveerd om met de schuldenaar te contracteren terwijl ook nieuwe schuldeisers via artikel 44, tweede lid, moeten worden aangemoedigd om met de schuldenaar handelsbetrekkingen aan te knopen tijdens de definitieve opschorting van betaling. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat er tijdens de periode van de definitieve opschorting geen schuldvordering kan ontstaan ten gevolge van een verrichting die geschied is met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting omdat de commissaris inzake opschorting in die periode slechts de opdracht heeft om toezicht en controle uit te oefenen over de uitvoering van het plan en niet gemachtigd is tot medewerking, machtiging of bijstand zodat er tijdens de definitieve opschorting van betaling gewoon geen boedelschuld kan ontstaan. Volgens het bestreden arrest worden de schuldenaar en de nieuwe schuldeisers tijdens de definitieve opschorting van betaling bovendien "gewone spelers in het commerciële leven" en kan de precaire toestand van de schuldenaar op zich niet verantwoorden dat aan de schulden die zijn ontstaan tijdens de definitieve opschorting van betaling het statuut van boedelschuld wordt gegeven. Aldus uitzondering op de regel dat de schulden die ontstaan zijn vóór de faillietverklaring in het passief van het faillissement worden opgenomen, behoeft het statuut van boedelschuld een restrictieve benadering, aldus het bestreden arrest. In zoverre het arrest oordeelde dat er tijdens de definitieve opschorting van betalingen geen handelingen kunnen worden verricht door de schuldenaar met bijstand, machtiging of medewerking van de commissaris inzake opschorting, miskent het bestreden arrest de opdracht van de commissaris inzake opschorting, zoals die omschreven is in de artikelen 9, 15, 19, 26, 27, 29, 36, 37, 38 en 40 van de wet van 17 juli 1997, en waaruit volgt dat zijn bijstandsverplichting ex artikel 19 een algemene draagwijdte heeft die geldt voor de hele duur van de akkoordprocedure. Door op die gronden het temporeel toepassingsgebied van artikel 44, tweede lid, te beperken tot de schulden die slechts tijdens de voorlopige opschorting van betaling met bijstand, machtiging of medewerking van de commissaris inzake opschorting kunnen worden aangegaan, waardoor het de kwalificatie van boedelschuld zonder meer ontzegt aan alle schulden die tijdens de definitieve opschorting van betaling zijn aangegaan, schendt het bestreden arrest zowel de tekst als de ratio legis van artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de periode van de definitieve opschorting van betaling (124.929,06 euro) niet als boedelschuld kan worden erkend maar in het bevoorrecht passief van het faillissement dient te worden opgenomen (schending van alle bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord (hierna WGA), worden handelingen door de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting, bij faillissement beschouwd als handelingen van de curator, waarbij de schulden gedurende de akkoordprocedure aangegaan gelden als boedelschulden van het faillissement. Voor de periode van de voorlopige opschorting van betaling en observatieperiode, wordt krachtens artikel 19, eerste lid, van de WGA, de commissaris inzake opschorting door de rechtbank aangewezen en ermee belast de schuldenaar bij te staan bij het bestuur, onder toezicht van de rechtbank. Tijdens de periode van de definitieve opschorting van betaling oefent de commissaris inzake opschorting, overeenkomstig artikel 36, eerste lid, van de WGA, daarentegen slechts toezicht en controle uit over de uitvoering van het plan en de akkoordprocedure. De schuldenaar wordt immers geacht tijdens die periode de leiding van de onderneming op zelfstandige wijze in handen te nemen.
- Hieruit volgt dat onder "handelingen door de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting" zoals bedoeld in vermeld artikel 44, tweede lid, moeten worden verstaan, de handelingen die door de schuldenaar zijn verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting, tijdens de periode van de voorlopige opschorting van betaling. Het zijn derhalve slechts de schulden die uit die handelingen ontstaan, die gelden als boedelschulden van het faillissement.
- Het middel gaat ervan uit dat het statuut van boedelschuld ook toekomt aan de schulden die tijdens de periode van de definitieve opschorting van betaling met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting, door de schuldenaar zijn aangegaan. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 581,83 euro jegens de eisende partij en op de som van 302.75 euro jegens de verwerende partijen sub 2, 3, 4 en
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 2 februari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070202.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060908.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div