id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070205.1 Rolnummer: S.06.0024.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 456 - laatst gezien 2026-07-03 18:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het is de taak van de rechter om na te gaan of de gegevens die aangevoerd worden om het bestaan van een gezagsrelatie te staven een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid
(1).
(1)Cass., 20 maart 2006, S.05.0069.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.4, nr 160. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: Gezag - Bewijslevering - Beoordeling door de rechter - Feitelijke gegevens - Niet-onverenigbare gegevens Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt. 2 en 3 Vrije woorden: Gezag - Kwalificatie door de partijen - Zelfstandige samenwerking - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt. 2 en 3 Fiche 3 Wanneer de partijen hun verhouding kwalificeren als de uitvoering van zelfstandige arbeid door de ene in opdracht van de andere, schept dit geen vermoeden van het bestaan van een overeenkomst tot uitvoering van zelfstandige arbeid; wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in dit geval socialezekerheidsbijdragen voor werknemers opvordert, moet hij het bestaan van een arbeidsovereenkomst bewijzen, wat inhoudt dat het bewijs zal dienen te worden geleverd dat de arbeid uitgevoerd werd onder het gezag van de opdrachtgever-werkgever; zodoende wordt de bewijslast van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet verzwaard: deze dienst dient louter het bewijs te leveren van het werkelijk bestaan van een arbeidsovereenkomst wanneer hij op die basis socialezekerheidsbijdragen opvordert. Evenmin wordt in deze bewijsregeling een bijzondere waarde gehecht aan de kwalificatie van een overeenkomst tot uitvoering van zelfstandige arbeid, die geveinsd kan zijn. In zoverre de gegevens die aangevoerd worden om de gezagsrelatie te staven ook passen in het kader van een overeenkomst tot uitvoering van zelfstandige arbeid en dus daarmee niet onverenigbaar zijn, zijn deze gegevens gewoonweg geen sluitend bewijs van een gezagsrelatie in het kader van een arbeidsovereenkomst
(1).
(1)Cass., 20 maart 2006, S.05.0069.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.4, nr
- Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Rijksdienst voor Sociale Zekerheid - Arbeidsovereenkomst - Gezag - Bewijs - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt. 2 en 3 oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1315 en 1321 Algemeen rechtsbeginsel Algemeen rechtsbeginsel Tekst van de beslissing Nr. S.06.0024.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.L., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 februari 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in een verzoekschrift middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Wanneer de partijen hun verhouding kwalificeren als de uitvoering van zelfstandige arbeid door de ene in opdracht van de andere, schept dit geen vermoeden van het bestaan van een overeenkomst tot uitvoering van zelfstandige arbeid. Wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in dit geval socialezekerheids-bijdragen voor werknemers opvordert, moet hij het bestaan van een arbeidsovereenkomst bewijzen, wat inhoudt dat het bewijs zal dienen te worden geleverd dat de arbeid uitgevoerd werd onder het gezag van de opdrachtgever-werkgever. De rechter moet de werkelijke toestand nagaan aan de hand van de gegevens waarvan het bewijs wordt verstrekt. Omtrent de gegevens die aangevoerd worden om het bestaan van een gezagsrelatie te staven, is het de taak van de rechter na te gaan of deze gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.
- Zodoende wordt de bewijslast van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet verzwaard. Deze dienst dient louter het bewijs te leveren van het bestaan van een arbeidsovereenkomst wanneer het op die basis socialezekerheids- bijdragen opvordert. Evenmin wordt in deze bewijsregeling een bijzondere waarde gehecht aan de kwalificatie van een overeenkomst tot uitvoering van zelfstandige arbeid, die geveinsd kan zijn. In zoverre de gegevens die aangevoerd worden om de gezagsrelatie te staven ook passen in het kader van een overeenkomst tot uitvoering van zelfstandige arbeid en dus daarmee niet onverenigbaar zijn, zijn deze gegevens gewoonweg geen sluitend bewijs van een gezagsrelatie in het kader van een arbeidsovereenkomst.
- Op grond van de vaststelling dat de verweerder geen beslag kon leggen op hun tijdsgebruik en er van toezicht en controle op de uitvoering van de arbeid geen sprake is ten aanzien van L.K., J.O. en J.B., oordeelt het arrest dat de door de eiser aangevoerde elementen de kwalificatie van zelfstandige samenwerking niet uitsluiten en dat de eiser er niet in slaagt het bewijs van een werkgeversgezag te leveren. Door aldus te oordelen schendt het arrest de aangewezen wetsbepalingen niet en miskent het evenmin het algemeen rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit". Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel dat aanvoert dat het arrest bij de beoordeling van de gezagselementen die door de eiser werden aangevoerd om het bestaan van een arbeidsovereenkomst aan te tonen, de overeenkomst van zelfstandige samenwerking ten aanzien van J.B. als uitgangspunt heeft genomen, mist feitelijke grondslag, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, bijzonder om de onder randnummer 3 vermelde redenen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 146,31 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070205.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div