← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070205.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070205.2 Rolnummer: S.06.0030.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-10-26 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-03 06:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wetgever beoogt de afgevaardigde of de kandidaat-afgevaardigde tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst een inkomen te waarborgen doordat hij naast de werkloosheidsuitrusting een bijkomende vergoeding ontvangt, betaald door de werkgever, die samen gelijk zijn aan het voorheen verdiende nettoloon; met nettoloon wordt niet bedoeld het fiscaal netto-inkomen, te weten na aftrek van de belastingen, gezien de belastingen afhankelijk zijn van een aantal factoren die vreemd zijn aan de dienstbetrekking. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Vrije woorden: Ontslagregeling - Dringende redenen - Rechterlijke procedure - Arbeidsovereenkomst - Schorsing - Inkomensgarantie - Werkgever - Aanvullende vergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - Art. 9 Koninklijk Besluit - 21-05-1991 - Art. 1 Tekst van de beslissing Nr. S.06.0030.N V.C., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. DELTA AIR TRANSPORT, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, verweerster,
  2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, met kabinet te 1000 Brussel, Koningsstraat 180, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, partij opgeroepen in bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 februari 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11 en 159 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 2 (inzonderheid ,§1 en ,§3), 4 (inzonderheid ,§1), 5 (inzonderheid ,§5 en voor zoveel als nodig ook ,§3), 6 en 9 van de wet van 19 maart 1991, houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de onâdernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden; - artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 tot vaststelling van de berekenings- en betalingsmodaliteiten van de bijkomende vergoeding verschuldigd aan de personeelsafgevaardigde of de kandidaat-personeelsafgevaardigde in het kader van de procedure tot erkenning van een dringende reden. Bestreden beslissing Het Arbeidshof te Antwerpen verklaart in het bestreden arrest van 28 februari 2005 eiseres' hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Het arbeidshof bevestigt het bestreden vonnis van 12 januari 2000 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in de mate dat het de eis strekkende tot veroordeling van de verweerster tot betaling van de aanpassingen voor anciënniteit en leeftijd van de bijkomende vergoeding zoals bedoeld in artikel 9 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden die verschuldigd is aan de eiseres en de eis strekkend tot veroordeling van verweerster tot betaling van socialezekerheidsbijdragen op deze bijkomende vergoeding aan de RSZ, ongegrond heeft verklaard. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van 12 januari 2000 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in de mate dat het de eis van (de eiseres) strekkend tot betaling van indexaanpassingen op de bijkomende vergoedingen ongegrond heeft verklaard. Opnieuw rechtsprekend daarover, verklaart het de eis zonder voorwerp. Aldus bevestigt het arbeidshof (behalve wat de indexering betreft) minstens impliciet de beslissing van de eerste rechter waar deze de oorspronkelijke vordering (die ertoe strekte te horen beslissen dat de aanvullende vergoeding die de verweerster in uitvoering van genoemd artikel 9 van de wet van 19 maart 1991 betaalde, te gering was) afwees als ongegrond. Het arbeidshof beveelt de heropening der debatten alvorens verder recht te spreken over de tegenvordering van de verweerster tegen de eiseres. Het arbeidshof verklaart zijn arrest verbindend ten aanzien van de Belgische Staat en stelt de beslissing over de kosten uit. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest vanaf p. 5, in het midden tot p. 8, bovenaan): "2.
  3. de verplichting van de werkgever tot betaling van een inkomen gelijk aan het nettoloon (artikel 9 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden) Artikel 9 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden luidt als volgt: Artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 genomen in uitvoering van voormelde wet, luidt als volgt: Mevrouw V. voert aan dat zij van de NV (Delta Air Transport) na de schorsing van de arbeidsovereen-komst in het jaar 1995 en de daaropvolgende jaren niet het netto inkomen heeft ontvangen zoals haar dat door artikel 9 van voormelde wet zou worden gegarandeerd. Uit de dagvaarding blijkt dat zij dit afleidt uit de omstandigheid dat zij voor het inkomstenjaar 1995 aan de fiscus nog een bedrag van 268.171 BEF verschuldigd bleef, daar waar zij in de voorgaande aanslagjaren nooit bijkomende belasting diende te betalen. Uitgaande van een volgens de naamloze vennootschap verschuldigd nettoloon van 80.535 BEF per maand, en dat volgens mevrouw V. minimaal verschuldigd was, zou de NV jaarlijks minimaal nog een nettobedrag van 264.152 BEF moeten ophoesten om aan haar wettelijke verplichtingen te voldoen. Mevrouw V. gaat ervan uit dat de NV op grond van de wet gehouden is haar een inkomen te waarborgen dat gelijk is aan het nettoloon dat zij verdiende voorafgaand aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst. Blijkbaar wil mevrouw V. dat haar een gelijk fiscaal netto-inkomen op jaarbasis wordt gewaarborgd, dit wil zeggen niet alleen na aftrek van socialezekerheidsbijdragen (voor zover die al verschuldigd zijn) en bedrijfsvoorheffing, maar na aftrek van de eigenlijke belasting. Het (arbeidshof) oordeelt ter zake als volgt: Krachtens artikel 9 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden moet de werkgever op het einde van elke gewone betaalperiode een vergoeding bovenop de werkloosheidsuitkeringen betalen, waardoor aan de personeelsafgevaardigde of aan de kandidaat personeelsafgevaardigde een inkomen wordt gewaarborgd dat gelijk is aan zijn nettoloon. In diezelfde bepaling wordt het aan de Koning overgelaten de wijze van berekening van die bijkomende vergoeding vast te stellen, waaronder dient te worden verstaan dat hij meteen ook kan vaststellen op welke wijze een inkomen wordt gewaarborgd dat geacht wordt gelijk te zijn aan het nettoloon. Naar het oordeel van het (arbeidshof) blijkt uit de tekst van artikel 9 niet dat aan de beschermde werknemer wiens arbeidsovereenkomst is geschorst een inkomen wordt gegarandeerd dat gelijk is aan zijn netto maandelijks inkomen, zoals mevrouw V. dat verstaat. Bijgevolg staat niets eraan in de weg dat de Koning, door gebruik te maken van de bevoegdheid die de wetgever hem heeft gegeven, de omvang van de bijkomende vergoeding derwijze vaststelt dat ze niet noodzakelijk een inkomen garandeert dat gelijk is aan het netto-inkomen, zoals mevrouw V. dat verstaat. Naar het oordeel van het (arbeidshof) bestaat er dan ook geen aanleiding om in toepassing van artikel 159 van de Grondwet de toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 te weigeren. De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen naar het oordeel van het (arbeidshof) daaraan geen afbreuk. Ten overvloede merkt het (arbeidshof) op dat uit niets blijkt dat het de bedoeling van de wetgever zou geweest zijn om aan de beschermde werknemer als bedoeld in artikel 9 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden, een gelijk fiscaal netto inkomen op jaarbasis te waarborgen, in de zin dat van het brutoloon niet alleen de socialezekerheidsbijdragen (voor zover die al verschuldigd zijn) en bedrijfsvoorheffing zouden moeten worden afgetrokken, maar bovendien ook de eigenlijke belasting, temeer omdat dat inkomen mede kan beïnvloed worden door andere - aan de tewerkstelling geheel vreemde - factoren die het voor de werkgever overigens quasi onmogelijk zouden maken zulk een inkomen te becijferen. Bovendien wordt in het sociaal recht onder 'netto-inkomen' doorgaans het loon bedoeld dat overblijft na aftrek van socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing en dus niet na aftrek van de socialezekerheidsbijdragen en de eigenlijke belasting". Grieven Het arbeidshof stelt vast dat de eiseres, in dienst van de verweerster, voor de sociale verkiezingen van 1991 als kandidaat voor de ondernemingsraad werd voorgedragen, doch niet verkozen werd (arrest p. 4, V, 1, eerste en tweede alinea). Luidens artikel 2, ,§1, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat- personeelsafgevaardigden, kunnen de personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden, zoals omschreven in artikel 1, ,§2, van dezelfde wet, worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht werd aangenomen. Er werd tussen partijen niet betwist dat de eiseres als niet-verkozen kandidate een beschermd statuut genoot, nu het door de verweerster voorgenomen ontslag wegens dringende reden zich situeerde in de bij artikel 2, ,§3, van genoemde wet van 19 maart 1991 omschreven beschermingsperiode. Het arbeidshof stelt tevens vast dat de verweerster op 25 oktober 1994 bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de in artikel 4 van genoemde wet van 19 maart 1991 voorziene procedure, strekkend tot voorafgaande aanneming van dringende reden teneinde te kunnen overgaan tot het ontslag van de eiseres, startte. Het was evenmin tussen partijen betwist dat de arbeidsovereenkomst van eiseres tussen de gerechtelijke procedure geschorst werd, het weze overeenkomstig artikel 5, ,§3, van genoemde wet van 19 maart 1991, zoals impliciet voorgehouden door het arbeidshof (arrest p. 4, in fine), het weze overeenkomstig artikel 5, ,§5, van dezelfde wet, zoals voorgehouden door partijen (samenvattende conclusie in hoger beroep, p. 2, nr. 1.2.; eerste conclusie voor de verweerster voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, p. 2, eerste alinea, in fine). Evenmin werd betwist dat de eiseres aldus, benevens haar werkloosheidsuitkering, recht had op een aanvullende vergoeding lastens verweerster, haar werkgever, op grond van artikel 9 van de genoemde wet van 19 maart 1991, dat luidt: "Indien de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij wijze van voorlopige maatregel voor een personeelsafgevaardigde beslist of indien de werkgever voor een kandidaat-personeelsafgevaardigde beslist dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst moet geschorst blijven tot hem de in kracht van gewijsde gegane uitspraak over de ernst van de door de werkgever ingeroepen redenen wordt betekend of, indien er geen hoger beroep geweest is, tot bij het verstrijken van de termijn voor hoger beroep moet de werkgever op het einde van elke gewone betaalperiode een vergoeding bovenop de werkloosheidsuitkeringen betalen, waardoor aan de personeelsafgevaardigde of aan de kandidaat-personeelsafgevaardigde een inkomen wordt gewaarborgd dat gelijk is aan zijn nettoloon. De Koning bepaalt de wijze van berekening van deze bijkomende vergoeding. Het referteloon dat als basis dient voor de berekening van de bijkomende vergoeding is gebonden aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen (...). De bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn van toepassing op de betaling door de werkgever van de bij dit artikel bedoelde bijkomende vergoeding. De bijkomende vergoeding bedoeld in het eerste lid blijft verworven voor de personeelsafgevaardigde en aan de kandidaat-personeelsafgevaardigde, ongeacht de beslissing van het arbeidsgerecht over de door de werkgever ingeroepen redenen. De Koning kan de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers uitbreiden tot de betaling van deze bijkomende vergoeding (...)". Deze bepaling werd uitgevoerd door het koninklijk besluit van 21 mei 1991 tot vaststelling van de berekeningsen betalingsmodaliteiten van de bijkomende vergoeding verschuldigd aan de personeelsafgevaardigde of de kandidaat-personeelsafgevaardigde in het kader van de procedure tot erkenning van een dringende reden, waarvan artikel 1 bepaalt: ",§
  4. De vergoeding, verschuldigd aan de werknemer in uitvoering van artikel 9 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeels-afgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, is gelijk aan het verschil tussen het maandelijks bedrag van de werkloosheidsvergoedingen en het netto referteloon. ,§
  5. Het netto referteloon bestaat uit: - het gemiddeld bedrag van het nettoloon vermeerderd met de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, en in voorkomend geval, - het gemiddeld nettobedrag van de voordelen in natura. Om het nettobedrag van het loon en de voordelen te bepalen, dient men het brutobedrag te verminderen met de persoonlijke bijdragen inzake sociale zekerheid en de fiscale afhouding. Het netto referteloon wordt afgerond naar de hogere honderd franken. Het gemiddelde bedoeld in het eerste lid wordt berekend op basis van het loon of de voordelen die werden betaald of hadden moeten betaald worden in de loop van de twaalf maanden, voorafgaand aan de maand gedurende dewelke de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst begon, gedeeld door twaalf. Wanneer de werknemer geen recht heeft gehad op een loon en op voordelen gedurende al de maanden van de referteperiode, zal het gemiddelde slechts berekend worden voor de maanden gedurende dewelke een recht verworven werd. ,§
  6. Het maandelijks bedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in artikel 1, wordt bekomen door het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering te vermenigvuldigen met 26". Het arbeidshof stelde vast (arrest p. 8, nr. 2.2.1., eerste alinea) dat tussen partijen niet betwist werd dat het netto referteloon zoals bedoeld in artikel 1 van het genoemde koninklijk besluit van 21 mei 1991, 80.535 BEF beliep of 1.996,41 euro. De eiseres erkende (samenvattende conclusie in hoger beroep p. 11, 3.1.7.) dat zij vanaf de schorsing van de arbeidsovereenkomst een werkloosheidsuitkering genoot en, anderzijds, een aanvullende vergoeding van de werkgever. De eiseres preciseerde, zonder dat dit door de verweerster werd betwist:

(1)dat zij ongeveer 30.000 BEF werkloosheidsuitkeringen genoot;
(2)dat op deze uitkering zowat 3.000 BEF bedrijfsvoorheffing werd geheven en zij dus netto ongeveer 27.000 BEF per maand ontving;
(3)dat de werkgever een aanvullende vergoeding voorzag van 50.466 BEF,
(4)waarop 5.197 BEF bedrijfsvoorheffing werd ingehouâden zodat een nettovergoeding van 44.909 BEF overbleef. De eiseres wees er aldus op dat zij netto 27.000 BEF werkloosheidsuitkeringen en 44.909 BEF bijkomende vergoeding ontving, wat tesamen 71.909 BEF netto opleverde, terwijl, zoals door het arbeidshof vastgesteld, partijen het erover eens waren dat het netto referteloon 80.535 BEF beliep. Eerste onderdeel Luidens bovengenoemde wettelijke regeling, die hier als uitdrukkelijk hernomen dient te worden aangezien, legt de wetgever, in de bij artikel 9 van de genoemde wet van 19 maart 1991 bedoelde gevallen, aan de werkgever van de beschermde werknemer op, bij het verstrijken van elke gewone betaalperiode, een vergoeding te betalen bovenop de werkloosheidsuitkeringen, waardoor aan de werknemer een bepaald inkomen wordt gewaarborgd, te weten een inkomen "dat gelijk is aan zijn nettoloon". De wetgever bepaalt de maatstaf van de vergoeding: zij moet bovenop de werkloosheidsuitkering een inkomen waarborgen dat gelijk is aan het bij de werkgever verdiende nettoloon. De wetgever verleent aan de Koning de bevoegdheid de berekeningsmodaliteiten van deze aldus omschreven bijkomende vergoeding te bepalen. De Koning kan aldus de regels preciseren waardoor de lastens de werkgever vallende bijkomende vergoeding een gelijkheid moet waarborgen tussen het voorheen verdiende nettoloon enerzijds, en de werkloosheidsuitkeringen en de aanvullende vergoeding anderzijds. Ten onrechte oordeelt het arbeidshof dat de bewoordingen van genoemd artikel 9 zouden toelaten te stellen dat de Koning "meteen ook kan vaststellen op welke wijze een inkomen wordt gewaarborgd dat geacht wordt gelijk te zijn aan het nettoloon" (arrest p. 7, vijfde volle alinea; eisers benadrukt). Het behoort niet tot de door de wetgever aan de Koning toegemeten bevoegdheid om een vermoeden van gelijkstelling tussen de bedoelde bedragen in te stellen, nu de Koning slechts bevoegdheid bekwam de berekeningsregels vast te stellen die de bedoelde inkomensgelijkheid in werkelijkheid en effectief moeten waarborgen. Overigens blijkt uit geen enkele bepaling van het genoemde koninklijk besluit van 21 mei 1991 dat de Koning met de aldus uitgevaardigde regels een vermoeden van gelijkheid heeft willen instellen tussen, enerzijds, het nettoloon en, anderzijds, de samenvoeging van werkloosheidsuitkeringen en de bijkomende vergoeding, tot vaststelling waarvan dit koninklijk besluit werd uitgevaardigd. Voor zover de beslissing van het arbeidshof aldus moet worden begrepen dat het genoemde koninklijk besluit van 21 mei 1991 ertoe strekt de berekeningsmodaliteiten van de in artikel 9 van de genoemde wet van 19 maart 1991 bedoelde bijkomende vergoeding in die zin vast te leggen dat het inkomen moet worden geacht gelijk te zijn aan het door hetzelfde artikel 9 bedoelde nettoloon, miskent het arbeidshof de genoemde bepalingen (schending van de artikelen 2 (inzonderheid ,§1 en ,§3), 4 (inzonderheid ,§1), 5 (inzonderheid ,§5 en voor zoveel als nodig ook ,§3), 6 en 9 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden en van artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 tot vaststelling van de berekenings- en betalingsmodaliteiten van de bijkomende vergoeding verschuldigd aan de personeelsafgevaardigde of de kandidaat-personeelsafgevaardigde in het kader van de procedure tot erkenning van een dringende reden). Tweede onderdeel Artikel 9 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden legt aan de werkgever op om aan de beschermde werknemer wiens arbeidsovereenkomst is geschorst, op het einde van elke gewone betaalperiode bovenop de werkloosheidsuitkeringen een bijkomende vergoeding te betalen waardoor "een inkomen wordt gewaarborgd dat gelijk is aan zijn nettoloon". Zoals door de eiseres in conclusie aangevoerd (samenvattende conclusie in hoger beroep, p. 4 e.v.) blijkt uit de voorbereidende werken van de wet van 19 maart 1991 dat de wetgever in bovengenoemd geval aan de (kandidaat-) personeelsafgevaardigde heeft willen waarborgen dat zijn financiële situatie tijdens de duur van de procedure ongewijzigd bleef, zodat hij geen inkomensschade ondervindt wanneer zijn arbeidsovereenkomst wordt geschorst (wat voor de kandidaat-personeelsafgevaardigde kan ingevolge een loutere beslissing van de werkgever) gedurende de gerechtelijke procedure die strekt tot het bekomen van de erkenning van een dringende reden tot ontslag. Zoals door de eiseres aangevoerd, laten de bewoordingen van artikel 9 van de genoemde wet van 19 maart 1991, zoals toegelicht in de voorbereidende werken op de wet, niet toe dat de beschermde werknemer wiens arbeidsovereenkomst geschorst wordt tijdens de procedure tot erkenning van een dringende reden tot ontslag, enig financieel nadeel zou lijden in vergelijking met de situatie dat zijn arbeidsovereenkomst niet wordt geschorst tijdens deze procedure. Het arbeidshof kon dienvolgens niet wettig oordelen dat "niets eraan in de weg (staat) dat de Koning, door gebruik te maken van de bevoegdheid die de wetgever hem heeft gegeven, de omvang van de bijkomende vergoeding derwijze vaststelt dat ze niet noodzakelijk een inkomen garandeert dat gelijk is aan het netto-inkomen, zoals mevrouw V. dat verstaat" (arrest p. 7, vierde laatste alinea). Luidens artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Zoals terecht door de eiseres aangevoerd in conclusie (samenvattende conclusie in hoger beroep, pp. 7-8) moet worden aangenomen dat de berekeningsregels van hogerbedoelde vergoeding, zoals opgenomen in het genoemde koninklijk besluit van 21 mei 1991, de bij artikel 9 van genoemde wet van 19 maart 1991 gewaarborgde inkomensgelijkheid niet waarborgen, zodat dit koninklijk besluit in strijd was met deze wet en dienvolgens niet kon worden toegepast (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet). Luidens artikel 10 van de gecoördineerde Grondwet zijn de Belgen gelijk voor de wet en overeenkomstig artikel 11 van dezelfde Grondwet moeten rechten en vrijheden aan de Belgen worden verzekerd zonder discriminatie. Genoemd artikel 9 van de wet van 19 maart 1991, dat zelf overigens bepaalt dat een inkomensgelijkheid moet worden gewaarborgd aan de beschermde werknemer wiens arbeidsovereenkomst geschorst wordt tijdens de gerechtelijke procedure tot erkenning van een dringende reden tot ontslag, zou derhalve, zoals door de eiseres aangevoerd in haar repliek op het advies van het openbaar ministerie (p. 3), een ongelijkheid creëren tussen de beschermde werknemer wiens arbeidsovereenkomst niet geschorst wordt tijdens de gerechtelijke procedure tot erkenning van de dringende reden tot ontslag (die zijn "nettoloon" blijft behouden) en de werknemer wiens arbeidsovereenkomst wel geschorst wordt tijdens deze gerechtelijke procedure (die aanspraak kan maken op een werkloosheidsuitkering, verhoogd met een lastens de werkgever vallende aanvullende vergoeding), wanneer zou worden aangenomen dat in deze laatste hypothese de samenstelling van de werkloosheidsuitkeringen en de bedoelde bijkomende vergoeding die de werkgever bij het einde van elke betaalperiode moet betalen, niet noodzakelijk gelijk moet zijn aan het nettoloon dat de werknemer zou genieten indien zijn arbeidsovereenkomst niet zou zijn geschorst. Hieraan doet geen afbreuk de vaststelling dat het voor de werkgever "quasi onmogelijk" zou zijn het netto-inkomen te becijferen. Het arbeidshof geeft derhalve aan artikel 9 van de genoemde wet van 19 maart 1991 een draagwijdte die het niet bezit (schending van de artikelen 2 (inzonderheid ,§1 en ,§3), 4 (inzonderheid ,§1), 5 (inzonderheid ,§5 en voor zoveel als nodig ook ,§3), 6 en 9 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeels-afgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden en van artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 tot vaststelling van de berekenings- en betalingsmodaliteiten van de bijkomende vergoeding verschuldigd aan de personeelsafgevaardigde of de kandidaat-personeelsafgevaardigde in het kader van de procedure tot erkenning van een dringende reden) en oordeelt ten onrechte dat er geen aanleiding was om de toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 te weigeren (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet). Minstens miskent het arbeidshof aldus het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel (schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet). Het behage het Hof, gelet op artikel 26, ,§2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de in het dispositief van deze voorziening nader omschreven prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. Derde onderdeel Zoals reeds aangegeven, stelde het arbeidshof vast (arrest p. 8, nr. 2.2.1., eerste alinea) dat tussen partijen niet betwist werd dat het netto referteloon zoals bedoeld in artikel 1 van het genoemde koninklijk besluit van 21 mei 1991, 80.535 BEF beliep of 1.996,41 euro. De eiseres voerde aan, zoals hierboven verduidelijkt, dat zij maandelijks slechts kon beschikken over een netto-inkomen van 71.909 BEF, bestaande uit netto 27.000 BEF werkloosheidsuitkeringen en netto 44.909 BEF bijkomende vergoeding lastens de werkgever. Aldus kon het arbeidshof niet wettig eiseres' vordering, die ertoe strekte te horen vaststellen dat de bijkomende vergoeding die de werkgever haar uitkeerde tijdens de periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst ter gelegenheid van een gerechtelijke procedure in erkenning van een dringende reden tot ontslag, te laag werd bepaald en dienvolgens moest worden verhoogd, afwijzen (schending van artikelen 2 (inzonderheid ,§1 en ,§3), 4 (inzonderheid ,§1), 5 (inzonderheid ,§5 en voor zoveel als nodig ook ,§3), 6 en 9 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden en van artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 tot vaststelling van de berekenings- en betalingsmodaliteiten van de bijkomende vergoeding verschuldigd aan de personeelsafgevaardigde of de kandidaat-personeelsafgevaardigde in het kader van de procedure tot erkenning van een dringende reden). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  1. De appelrechters oordelen dat artikel 9 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (hierna wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden) het aan de Koning overlaat de wijze van berekening van de bijkomende vergoeding vast te stellen "waaronder dient te worden verstaan dat Hij meteen ook kan vaststellen op welke wijze een inkomen wordt gewaarborgd dat geacht wordt gelijk te zijn aan het nettoloon".
  2. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, blijkt uit de context van het arrest dat de appelrechters aldus niet oordelen dat voormeld artikel 9 de Koning machtigt een vermoeden van gelijkstelling in te stellen tussen, enerzijds, het nettoloon dat de beschermde werknemer ontving en, anderzijds, de samengevoegde werkloosheidsuitkering en de bijkomende vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in het koninklijk besluit van 21 mei 1991 bepaalde regels. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  3. Overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden, moet de werkgever indien de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij wijze van voorlopige maatregel voor een personeelsafgevaardigde beslist of indien de werkgever voor een kandidaat-personeelsafgevaardigde beslist dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst moet geschorst blijven tot hem de in kracht van gewijsde gegane uitspraak over de ernst van de door de werkgever ingeroepen reden wordt betekend of, indien er geen hoger beroep geweest is, tot bij het verstrijken van de termijn voor hoger beroep, op het einde van elke gewone betaalperiode, een vergoeding bovenop de werkloosheidsuitkeringen betalen, waardoor aan de personeelsafgevaardigde of aan de kandidaat-personeelsafgevaardigde een inkomen wordt gewaarborgd dat gelijk is aan zijn nettoloon. Krachtens het tweede lid van dat artikel, bepaalt de Koning de wijze van berekening van deze bijkomende vergoeding en is het referteloon dat als basis dient voor de berekening van de bijkomende vergoeding gebonden aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de formule geregeld bij de collectieve arbeidsovereenkomst die op de werknemer van toepassing is of, bij ontstentenis van dergelijke overeenkomst, volgens de formule die normaal van toepassing is op het loon van deze werknemer.
  4. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 tot vaststelling van de berekenings- en betalingsmodaliteiten van de bijkomende vergoeding verschuldigd aan de personeelsafgevaardigde of de kandidaat-personeels-afgevaardigde in het kader van de procedure tot erkenning van een dringende reden, genomen in uitvoering van voormeld artikel 9, eerste lid, bepaalt: ",§
  5. De vergoeding, verschuldigd aan de werknemer in uitvoering van artikel 9 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeels-afgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, is gelijk aan het verschil tussen het maandelijks bedrag van de werkloosheidsvergoedingen en het netto referteloon. ,§
  6. Het netto referteloon bestaat uit: - het gemiddeld bedrag van het nettoloon vermeerderd met de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, en, in voorkomend geval, - het gemiddeld netto bedrag van de voordelen in natura. Om het nettobedrag van het loon en de voordelen te bepalen, dient men het brutobedrag te verminderen met de persoonlijke bijdragen inzake sociale zekerheid en de fiscale afhouding. Het netto referteloon wordt afgerond naar de hogere honderd franken. Het gemiddelde bedoeld in het eerste lid wordt berekend op basis van het loon of de voordelen die werden betaald of hadden moeten betaald worden in de loop van de twaalf maanden, voorafgaand aan de maand gedurende dewelke de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst begon, gedeeld door twaalf. Wanneer de werknemer geen recht gehad heeft op een loon en op voordelen gedurende al de maanden van de referteperiode, zal het gemiddelde slechts berekend worden voor de maanden gedurende dewelke een recht verworven werd. ,§
  7. Het maandelijks bedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in artikel 1, wordt bekomen door het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering te vermenigvuldigen met 26".
  8. Uit de wetsgeschiedenis van de wet ontslagregeling personeels-afgevaardigden blijkt dat artikel 9 van die wet beoogt de afgevaardigde of de kandidaat-afgevaardigde tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst een inkomen te waarborgen doordat hij naast de werkloosheidsuitkering een bijkomende vergoeding ontvangt, betaald door de werkgever, die samen gelijk zijn aan het voorheen verdiende nettoloon. Het blijkt niet dat met nettoloon bedoeld wordt het fiscaal netto-inkomen, te weten na aftrek van de belastingen, gezien de belastingen afhankelijk zijn van een aantal factoren die vreemd zijn aan de dienstbetrekking.
  9. De appelrechters stellen vast, zonder dat er op dit punt miskenning van bewijskracht van akten wordt aangevoerd, dat de eiseres er van uitgaat dat voormeld artikel 9 haar een gelijk fiscaal netto-inkomen op jaarbasis waarborgt, "dit wil zeggen niet alleen na aftrek van socialezekerheidsbijdragen (...) en bedijfsvoorheffing, maar na aftrek van de eigenlijke belasting". Vervolgens oordelen de appelrechters dat voormeld artikel 9 en artikel 1 van het in uitvoering hiervan genomen koninklijk besluit van 21 mei 1991 aan de beschermde werknemer wiens arbeidsovereenkomst is geschorst geen inkomen waarborgt dat gelijk is aan zijn netto maandinkomen, zoals de eiseres dat verstaat. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht en schenden zij de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
  10. Gezien het onderdeel uitgaat van de onjuiste hypothese dat artikel 9 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden de beschermde werknemer geen gelijkheid van netto-inkomen waarborgt, is er geen aanleiding om de door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen. Derde onderdeel
  11. De appelrechters stellen vast dat tussen de partijen niet wordt betwist dat het netto referteloon zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1991 voor de eiseres 80.535 BEF of 1.996,41 euro bedraagt. De appelrechters stellen daarentegen niet vast dat, zoals het onderdeel voorhoudt, de eiseres maandelijks slechts kon beschikken over een netto-inkomen van 71.909 BEF.
  12. Het onderzoek van het onderdeel vergt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. De kosten begroot op de som van 119,31 euro jegens de eisende partij en op de som van 208,33 euro jegens de verwerende partij sub
  13. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070205.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.