id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070209.1 Rolnummer: D.06.0002.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-10-26 Raadplegingen: 602 - laatst gezien 2026-07-04 00:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer een partij op de inleiding is verschenen of een schriftelijke verklaring van verschijning heeft gedaan en vervolgens conclusies heeft neergelegd, hetzij ter griffie, hetzij ter zitting, is de rechtspleging op tegenspraak, ook wanneer zij niet verschijnt op een latere zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd en dient de rechter op die conclusies te antwoorden
(1); dit is ook het geval wanneer die latere zitting is bepaald in een tussenvonnis waarbij de heropening van het debat wordt bevolen, zelfs teneinde het in zijn geheel te hernemen voor een anders samengestelde zetel.
(1)Zie Cass., 15 maart 2001, AR C.00.0366.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010315.7, nr
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Vrije woorden: Verschijning - Conclusie neergelegd - Rechtspleging - Aard - Geen verschijning - Gevolg - Heropening van het debat - Herneming voor een andere zetel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 728, 729 en 804 Tekst van de beslissing Nr. D.06.0002.N H.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE VAN ARCHITECTEN, publiekrechtelijk rechtspersoon, met zetel te 1000 Brussel, Livornostraat 160, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 13 januari 2006 op verwijzing gewezen door de raad van beroep van de Orde van architecten met het Nederlands als voertaal. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. Gelet op het arrest van het Hof uitgesproken op 19 februari
- II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 2, 728, 729 en 804, in het bijzonder tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De raad van beroep doet uitspraak bij verstek ten aanzien van de eiser, beslist dat, nu de eiser op de laatste zitting niet is verschenen noch iemand voor hem en hij alzo zijn eerder neergelegde conclusies niet herneemt, hij niet langer kennis vermag te nemen van de eerder door de eiser neergelegde conclusies, beantwoordt deze conclusies dan ook niet, verklaart de eerste tenlastelegging bewezen en legt hem uit dien hoofde de tuchtstraf op van schorsing voor de duur van 2 jaar op grond van de volgende redengeving: "De raadsman van de Nationale Orde verschijnt ter openbare zitting, wordt er gehoord en verklaart daarbij enerzijds zijn eerder neergelegde conclusies te hernemen en vraagt anderzijds verstek te verlenen t.a.v. (de eiser), die, alhoewel tijdig en regelmatig opgeroepen, ter zitting niet verschijnt, noch iemand voor hem, en alzo evenmin zijn eerder, voor de anders samengestelde raad van beroep, neergelegde conclusies herneemt. In de gegeven omstandigheden vermag de raad van beroep, zoals thans en, weze herhaald, anders dan bij de vroegere behandeling van de zaak samengesteld, niet langer kennis te nemen van de eerder door (de eiser), alhier niet hernomen, neergelegde conclusies.
- De niet-betaling van de bijdragen kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf (art. 49 wet van 26 juni 1963 en 111 Huishoudelijk Reglement)" (bestreden beslissing, derde blad bovenaan). Grieven Eerste onderdeel Luidens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dat wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Daaruit vloeit voort dat de bepalingen van artikelen 728, 729 en 804 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op de procedure voor de tuchtraden en de raden van beroep van de Orde der architecten. Overeenkomstig artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtspleging op tegenspraak ten aanzien van de partij die is verschenen overeenkomstig artikel 728 of 729 van het Gerechtelijk Wetboek en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd. In een dergelijk geval dient de rechter te antwoorden op de verweermiddelen, vervat in de conclusie, neergelegd door de niet verschijnende partij. Uit de tussenbeslissing die door de raad van Beroep werd gewezen op 17 juni 2005 blijkt dat eiser op de openbare zitting van 15 april 2005 waarop de zaak de eerste maal werd behandeld wel degelijk is verschenen in persoon en dat hij tevens een conclusie heeft ingediend ter zitting. Uit de tussenbeslissing van 4 november 2005 blijkt verder dat eiser ook op de openbare zitting van 7 oktober 2005 in persoon is verschenen. Tevens heeft hij een aanvullende conclusie ingediend. Nu de eiser op de eerste twee openbare zittingen waarop zijn zaak werd behandeld is verschenen en conclusies heeft ingediend dient hij overeenkomstig artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te worden beschouwd als een verschijnende partij. Uit de samenlezing van artikel 804, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 149 van de Grondwet vloeit voort dat de appelrechters derhalve verplicht waren op de verweermiddelen die door de eiser waren aangevoerd in zijn eerder ingediende conclusies te antwoorden. Door uitspraak te doen bij verstek ten aanzien van de eiser en door te beslissen dat zij niet langer vermogen kennis te nemen van de eerder door de eiser ingediende conclusies en door deze conclusies niet te beantwoorden en vervolgens de eiser schuldig te verklaren aan de eerste tenlastelegging en hem te veroordelen tot een schorsing voor de duur van 2 jaar, schenden de appelrechters alle in de hoofding aangeduide wetsartikelen en het algemeen rechtsbeginsel. Tweede onderdeel In zijn regelmatig ter zitting van 15 april 2005 voor de appelrechters ingediende appelconclusie voerde de eiser omstandig aan dat de raad van beroep niet voldeed aan het vereiste van de onpartijdigheid van de rechter onder meer neergelegd in artikel 6 EVRM nu deze raad een orgaan is dat binnen dezelfde rechtspersoon, tevens belanghebbende, onder toezicht staat van de Nationale Raad, tegenpartij in de procedure, en de raad in die hoedanigheid acht dient te slaan op verplichtingen en aanbevelingen dienaangaande gegeven door de Nationale Raad al dan niet vervat in het Huishoudelijk Reglement (zie conclusie dd. 15 april 2005, blz. 2 tot 3). Inzake de eerste tenlastelegging werd verder aangevoerd dat de leden van de raad van beroep betaald werden door de Nationale Raad wat eveneens aan hun onafhankelijkheid afbreuk deed. Dit was volgens de eiser des te meer het geval in zijn zaak nu deze de betaling van de bijdragen betrof en derhalve verbonden was met de betaling van de uitkeringen aan de leden van de raad van beroep. Verder liet de eiser gelden dat hij een aantal vorderingen had ingesteld ten aanzien van de Orde die door de Orde stelselmatig genegeerd werden en die niet bij wijze van tegenvordering door de raad van beroep konden worden behandeld (conclusie eiser, blz. 3 tot 5). Op grond van al deze elementen voerde de eiser aan dat de behandeling van zijn zaak voor de raad van de Orde een schending inhield van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechterlijke instantie objectief, onafhankelijk en onpartijdig moet zijn en van artikel 6.1 van het EVRM. De eiser voerde voorts in conclusie aan dat het principe non bis in idem werd geschonden door het feit dat de sanctie mee bepaald werd door feiten of sancties uit het verleden. Verder voerde de eiser aan dat zijn recht van verdediging werd geschonden telkens sancties of feiten in aanmerking werden genomen. Ten gronde voerde de eiser aan dat de niet of laattijdige betaling van de bijdrage aan de Orde de eer en de waardigheid van het beroep niet in het gedrang brengt. Artikel 49 van de Wet van 26 juni 1963 legt, zo voerde de eiser aan, aan de architect geen verplichtingen op zodat de architect geen inbreuk op deze bepaling kan plegen. De appelrechters laten na dit omstandige verweer van de eiser ontwikkeld in zijn conclusie ingediend ter zitting van 15 april 2005 en in de aanvullende conclusie te beantwoorden en schenden zodoende artikel 149 van de Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de Belgische wet van 13 mei 1955 (hierna artikel 3 EVRM); - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing wordt de eerste tenlastelegging bewezen verklaard, de tweede tenlastelegging wordt niet bewezen verklaard en rechtsprekend met eenparigheid van stemmen wordt aan de eiser de tuchtstraf opgelegd van schorsing voor de duur van 2 jaar op grond van de volgende redengeving: "
- De niet betaling van de bijdragen kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf (art. 49 wet van 26 juni 1963 en 111 Huishoudelijk Reglement).
- Uit de stukken waarvan deze raad vermag kennis te nemen kan zonder twijfel worden uitgemaakt dat (de eiser) op zeer gespannen voet leeft met zowel de Provinciale als Nationale Orde, reeds eerder de tuchtsanctie van schorsing heeft opgelopen maar steevast blijft weigeren zich te schikken naar de voor 'elke' architect geldende verplichtingen. In de gegeven omstandigheden dringt een nieuwe tuchtstraf van schorsing zich op, nl voor de duur van twee jaar" (bestreden beslissing, derde blad). Grieven Artikel 3 EVRM bepaalt dat niemand mag onderworpen worden aan onmenselijke of vernederende straffen. Een straf die kennelijk onevenredig is, schendt artikel 3 EVRM. Te dezen werd oorspronkelijk zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan eiser de tuchtstraf opgelegd van 1 jaar schorsing voor twee tenlasteleggingen, met name het niet betalen van de bijdragen aan de Orde en een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 29 van het Reglement van Beroepsplichten dd. 18 april 1985 door te weigeren zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek en niet aanwezig te zijn geweest op het verhoor door het bureau op 28 februari
- In het arrest van het Hof van 19 februari 2004 werd de beslissing van de raad van beroep van 18 december 2002 waarbij aan de eiser de tuchtsanctie van 1 jaar was opgelegd op grond van beide bewezen verklaarde tenlasteleggingen, vernietigd wegens miskenning van het recht van verdediging van de eiser. Nu het Hof tot Cassatie is overgegaan op grond van een middel dat enkel opkwam tegen de bewezenverklaring van de tweede tenlastelegging impliceert de uitspraak van het Hof dat het van oordeel was dat de zwaarte van de opgelegde tuchtstraf mede bepaald was door de bewezenverklaring van de tweede tuchtinbreuk. Thans, na cassatie, oordeelt de raad van beroep, uw arrest volgend, dat de tweede tenlastelegging niet bewezen is, verklaart de raad van beroep enkel de eerste tenlastelegging bewezen, maar legt thans voor deze enkele tenlastelegging niettemin een tuchtstraf op die het dubbele bedraagt van de eerder opgelegde tuchtstraf. In het licht van de procedurevoorgaanden is dergelijke tuchtstraf kennelijk onevenredig en schenden de appelrechters derhalve artikel 3 EVRM. Door deze tuchtstraf te gronden op de overweging dat uit de stukken waarvan de raad van beroep vermag kennis te nemen zonder twijfel kan worden uitgemaakt dat de eiser op zeer gespannen voet leeft met zowel de Provinciale als de Nationale Orde en steevast blijft weigeren zich te schikken naar de voor elke architect geldende verplichtingen houdt de raad van beroep bij het bepalen van de opgelegde tuchtstraf rekening met de wijze waarop eiser zich verdedigt en schendt hij zodoende het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
- De verweerster voert aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het werd ingesteld alvorens de termijn om verzet aan te tekenen tegen de bestreden beslissing, die ten aanzien van de eiser bij verstek werd gewezen, verstreken was.
- In het eerste onderdeel van het eerste middel bekritiseert de eiser de bestreden beslissing in zoverre zij vaststelt dat ze bij verstek is gewezen wat hem betreft. Het onderzoek van het middel van niet-ontvankelijkheid is derhalve niet te scheiden van het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel.
- Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Eerste middel Eerste onderdeel
- Artikel 804, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien een van de partijen niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, tegen haar vonnis bij verstek kan worden gevorderd. Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling, is de rechtspleging evenwel op tegenspraak ten aanzien van de partij die is verschenen overeenkomstig de artikelen 728 en 729 van het Gerechtelijk Wetboek en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd.
- Uit voormelde wetsbepaling volgt dat wanneer een partij op de inleiding verschenen is of een schriftelijke verklaring van verschijning heeft gedaan en vervolgens conclusies heeft neergelegd, hetzij ter griffie, hetzij ter zitting, de rechtspleging op tegenspraak is ook wanneer zij niet verschijnt op een latere zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd. Zulks heeft voor gevolg dat de rechter gehouden is op de neergelegde conclusie te antwoorden. Gezien artikel 804 van het Gerechtelijk Wetboek ter zake niet in een afwijkende regeling voorziet, is dat ook het geval wanneer die latere zitting is bepaald in een tussenvonnis waarbij de heropening van het debat wordt bevolen, zelfs teneinde het debat in zijn geheel te hernemen voor een anders samengestelde zetel.
- Ingevolge artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dat wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, dus ook op tuchtprocedures, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dat wetboek. In de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten worden geen van artikel 804 van het Gerechtelijk Wetboek afwijkende procedureregels bepaald en die wet bevat evenmin bepalingen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met voormeld artikel
- Artikel 804 van het Gerechtelijk Wetboek is dan ook van toepassing op de tuchtprocedure geregeld in voormelde wet van 26 juni
- Overeenkomstig artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, is artikel 804 van hetzelfde wetboek ook toepasselijk in hoger beroep.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt: - na verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 19 februari 2004 werden de partijen tijdig en regelmatig opgeroepen om op 21 januari 2005 te verschijnen voor de anders samengestelde raad van beroep; - op de zitting van 21 januari 2005 is de eiser verschenen en werd de zaak voor behandeling uitgesteld op 15 april 2005; - op de zitting van 15 april 2005 is de eiser in persoon verschenen en heeft hij een conclusie neergelegd, waarna de debatten werden gesloten en de uitspraak werd gesteld op 17 juni 2005; - op 17 juni 2005 werd een beslissing van heropening van het debat uitgesproken waarbij aan de meest gerede partij werd bevolen voor 16 september 2005 alle stukken omtrent de procedure tussen de eiser en de Nationale Raad over te leggen en werd de zaak voor verdere behandeling gesteld op 7 oktober 2005; - op de zitting van 7 oktober 2005 werd de eiser andermaal gehoord en heeft hij een aanvullende conclusie neergelegd, waarna de uitspraak werd gesteld op 4 november 2005; - op 4 november 2005 werd een beslissing uitgesproken waarbij andermaal de heropening van het debat werd bevolen "teneinde de zaak in haar geheel te kunnen hernemen voor de raad van beroep zoals thans anders samengesteld" en werd de zaak voor behandeling gesteld op de zitting van 9 december 2005; - voormelde beslissing werd ter kennis gebracht van de eiser bij aangetekende brief van 7 november 2005; - op de zitting van 9 december 2005 is de eiser niet verschenen en was hij evenmin vertegenwoordigd.
- In de thans bestreden beslissing wordt vastgesteld dat de eiser, hoewel tijdig en regelmatig opgeroepen, ter zitting niet verschijnt noch iemand voor hem en derhalve zijn eerder, voor de anders samengestelde raad van beroep neergelegde conclusies, niet herneemt. Vervolgens oordeelt de raad van beroep dat hij geen kennis dient te nemen van de eerder door de eiser neergelegde en niet hernomen conclusies, en verklaart uitspraak te doen bij verstek ten aanzien van de eiser. Door aldus te oordelen schendt de raad van beroep artikel 804 van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden beslissing. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Veroordeelt de verweerster in de kosten. Verwijst de zaak naar de raad van beroep van de Orde van architecten met het Nederlands als voertaal, anders samengesteld. De kosten zijn begroot op de som van 454,08 euro jegens de eisende partij en op de som van 111,76 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van 9 februari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070209.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171016.5 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120110.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010315.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100521.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div