id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070213.1 Rolnummer: P.05.0371.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-03-05 Raadplegingen: 751 - laatst gezien 2026-07-04 04:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 23, eerste lid, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het E.V.R.M., in zoverre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, de erin bepaalde geldboete op enigerlei wijze te matigen
(1).
(1)Arbitragehof, 14 sept. 2006, arrest nr 138/
- Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Accijnzen - Minerale olie - Wet 22 okt. 1997 - Artikel 23 - Onmogelijkheid voor de strafrechter om de wettelijk bepaalde geldboete te matigen - Grondwettigheid Tekst van de beslissing Nr. P.05.0371.N D L C B, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Caroline De Baets, advocaten bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-45, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep was gericht tegen het arrest, op 16 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Bij arrest van 27 september 2005 heeft het Hof het cassatieberoep verworpen in zoverre het de schuldigverklaring van de eiser en diens veroordeling in betaling van de ontdoken rechten betreft en heeft het Hof zijn verdere uitspraak onder meer over de bestraffing opgeschort totdat het Arbitragehof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zou hebben gedaan over drie vragen. Het Arbitragehof heeft bij arrest nr. 138/2006 van 14 september 2006 op de vragen geantwoord. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel van het tweede middel
- Het bestreden arrest verklaarde de eiser schuldig aan een overtreding van de artikelen 7 en 23 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, thans de wet betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit, en veroordeelde hem tot betaling van een geldboete van 702.130,70 euro, zijnde tienmaal de ontdoken accijns, bijzondere accijns en energiebijdrage, verklaarde de producten waarop de accijns is verschuldigd, verbeurd, veroordeelde de eiser bij niet-wederoverlegging ervan tot het betalen van de 17.136,16 euro, verplichtte de eiser tot het betalen van een bijdrage en verwees hem in de kosten, hierin begrepen een vergoeding. De appelrechters oordeelden hierbij dat het hen niet toegelaten was de door de vermelde wet gestelde bestraffing te matigen wanneer de straf, hier de geldboete, in het concrete geval, niet in verhouding zou staan met de aard van het misdrijf of de financiële draagkracht van de beklaagde.
- In het tweede onderdeel van het tweede middel voerde de eiser onder meer aan dat: - artikel 23 van de wet van 22 oktober 1997, in samenhang gelezen met artikel 7 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met artikel 6.1 EVRM, schendt, - het bestreden arrest, door op grond van voornoemd artikel 23 te weigeren de hem op te leggen straf concreet te beoordelen, het algemeen rechtsbeginsel van het eerlijk proces door een onpartijdige rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, miskent.
- In zijn arrest nr. 138/2006 van 14 september 2006 zegt het Arbitragehof voor recht dat artikel 23, eerste lid, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 EVRM schendt, in zoverre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, de erin bepaalde geldboete op enigerlei wijze te matigen. Het onderdeel is derhalve gegrond. Dictum Het Hof, Werkt zijn arrest van 27 september 2005 verder uit. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot straf, hierin begrepen de verbeurdverklaring en de veroordeling bij niet-wederoverlegging, en tot het betalen van een bijdrage en hem verwijst in kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerder in de ene helft van de kosten. Laat de andere helft van de kosten ten laste van de eiser. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Begroot de kosten op 213,54 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren, Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 13 februari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070213.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050927.2 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090902.5 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180221.2 ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220425.2 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.114 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.020 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.081 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.399 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.051 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.053 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.056 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div