id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 Rolnummer: C.04.0390.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 761 - laatst gezien 2026-07-03 23:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het B.T.W.-Wetboek te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dit toetsingsrecht moet in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; de rechter mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie; hieruit volgt dat de rechter, die in feite en in rechte alle pertinente omstandigheden moet kunnen beoordelen, en al wat onder de beoordeling van het bestuur valt moet kunnen controleren, hieruit niet de bevoegdheid put om een sanctie louter op grond van opportuniteit en tegen wettelijke regels in te verminderen of kwijt te schelden
(1).
(1)Zie Cass., 21 jan. 2005, AR C.02.0572.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31, nr 43, met concl. O.M. en Cass., 16 feb. 2007, AR F.05.0015.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3, www.cass.be; Cass., 16 feb. 2007, AR F.06.0032.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5, www.cass.be. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Administratieve sancties met repressief karakter - Wettelijkheid van de sanctie - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Artt. 70, § 1 en 84 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0390.N
- COMPAGNIE BELGE DE MANUTENTION, naamloze vennootschap, met zetel te 9042 Desteldonk, Skaldenstraat 1,
- GHENT COAL TERMINAL, naamloze vennootschap, met zetel te 9042 Desteldonk, Skaldenstraat 1,
- ZEEBRUGSE BEHANDELINGSMAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 9042 Desteldonk, Skaldenstraat 1, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, met kantoren te 9000 Gent, Martelaarslaan 1, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 553, 555, 1134, 1135, 1156, 1319, 1320, 1322 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1 en 6 van de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal; - artikel 48, ,§2, van het B.T.W.-Wetboek; - artikel 10 van het koninklijk besluit nr 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist dat het hoger beroep van de eisers slechts in beperkte mate gegrond is en bevestigt grotendeels het vonnis a quo, dat het verzet van de eisers tegen de op hun naam uitgevaardigde dwangbevelen heeft afgewezen, in de mate er aanleiding is tot herziening van de BTW, de toepassing van een geldboete en hun veroordeling tot de gerechtskosten op grond van de motieven op p. 7-9: "
- De BTW-administratie houdt staande dat ingevolge het recht van natrekking de NV Comptoir de Crédit eigenaar is geworden van de verbouwingswerken. Door dit onroerend goed te verhuren aan de (de eisers) werd door de NV Comptoir de Crédit een handeling gesteld die krachtens artikel 44, ,§3, 2°, BTW-Wet vrijgesteld is van BTW. Het verhuren van dit gebouw geeft geen aanleiding tot een recht op aftrek op grond van artikel 45, ,§1, BTW-Wet, zodat een herziening van de BTW zich opdrong. Deze zienswijze van de BTW-administratie onderstelt dat de NV Comptoir de Crédit eigenares is geworden van de inrichtingswerken bij het verstrijken van de normale duur van het commodaat, hetgeen precies het voorwerp uitmaakt van de betwisting. De (eisers) wijzen er op dat het gebouw voor BTW-doeleinden werd en wordt gebruikt. Het gebouw heeft volgens de (eisers) voortdurend dezelfde bestemming behouden zowel tijdens het commodaat als tijdens het huurcontract, hetgeen wordt aangetoond door de overlegging van de jaarrekeningen waaruit moet blijken dat de inrichtingswerken werden geactiveerd en afgeschreven via de resultatenrekening. De (eisers) voeren verder aan dat de inrichtingswerkzaamheden de onderneming niet hebben verlaten. De (eisers) kunnen in deze zienswijze niet worden bijgetreden. De betwisting betreft enkel de inrichtingswerken die tijdens het commodaat werden uitgevoerd. De vraag is wat de gevolgen zijn van de afstand van het recht van natrekking en de toekenning van een bouwrecht (inrichtingswerken) ten voordele van een derde. M.a.w. hoe moeten de artikelen 2 en 4 van de overeenkomst van commodaat worden geïnterpreteerd. Uit artikel 4 van de overeenkomst van commodaat blijkt ontegensprekelijk dat de NV Comptoir de Crédit afstand heeft gedaan van het recht van natrekking. Dit recht van natrekking wordt in artikel 546 BW gedefinieerd als 'het recht op al wat een roerende of onroerende zaak voortbrengt en op hetgeen, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig als bijzaak ermee verenigd wordt'. In de rechtspraak en rechtsleer bestaat geen betwisting over de principiële mogelijkheid te verzaken aan het recht van natrekking. De afstand van het recht van natrekking met de toekenning van een recht tot bouwen ten voordele van een derde houdt de vestiging in van een zelfstandig recht van opstal waarop de Opstalwet van toepassing is (vergelijk Cass., 19 mei 1988, R. W, 1988-89, p. 572 - Zie Van Oevelen, A., 'Actuele ontwikkelingen inzake het recht van erfpacht en het recht van opstal' in Zakenrecht. Absoluut niet een rustig bezit, Kluwer 1992, inzonderheid blz. 366-370 en de aldaar geciteerde rechtspraak). Eén van de essentiële kenmerken van het opstalrecht is dat het een in de tijd beperkt eigendomsrecht is. Toegepast op de overeenkomst van commodaat betekent dit dat het opstalrecht hoe dan ook beëindigd is op 31 december 1993 (zie artikel 5 van de overeenkomst van het commodaat) m.a.w. door het verstrijken van de termijn waarvoor het werd gevestigd. Overeenkomstig artikel 6 van de Opstalwet treedt bij het beëindigen van het recht van opstal de grondeigenaar (te dezen de NV Comptoir de Crédit) in de eigendom van de gebouwen, werken en beplantingen, onder gehoudenheid om de waarde daarvan op dien tijd te betalen aan degene die het recht van opstal had, welke laatste het recht van terughouding zal hebben totdat die betaling zal voldaan zijn. Laatstgenoemde bepaling is echter van suppletief recht (artikel 8 van de Opstalwet). Dit houdt in dat kan worden overeengekomen dat de grondeigenaar geen vergoeding zal verschuldigd zijn. Te dezen is de overeenkomst van commodaat een overeenkomst om niet en werd er uitdrukkelijk bedongen dat de uitgaven die door de (eiseressen) werden gedaan niet konden worden teruggevorderd van de NV Comptoir de Crédit. Uit voorgaande analyse volgt dat de NV Comptoir de Crédit eigenares is geworden van de inrichtingswerken en dat door de beëindiging van de overeenkomst van het commodaat het litigieuze onroerend goed waarop het zakelijk recht van gebruik was gevestigd, niet langer als bedrijfsmiddel in hoofde van de (eisers) kan worden beschouwd. Het bedrijfsmiddel houdt derhalve op te bestaan in de onderneming van de (eisers) derwijze dat de herziening van de aftrek m.b.t. dit bedrijfsmiddel aan de orde is.
- Ten overvloede kan daar aan worden toegevoegd dat lichamelijke goederen welke in huur worden gegeven of waarvan het genot of rechten op dat genot worden verleend of het voorwerp uitmaken van een onroerende leasing als bedrijfsmiddelen worden aangemerkt in hoofde van degene die deze rechten op dit goed verleent (artikel 6, ,§2 KB Nr. 3). Het verhuurde onroerend goed is in dat geval te beschouwen als bedrijfsmiddel in hoofde van de verhuurder de NV Comptoir de Crédit. In tegenstelling tot de overeenkomst van commodaat waarbij de gebruiker een zakelijk recht heeft op het onroerend goed, hebben de (eisers) als huurders slechts een persoonlijk recht om de verhuurder te verplichten tot genotverschaffing van het verhuurde goed gedurende de vastgestelde termijn. Niet alleen heeft de afstand van het recht van natrekking in de afgesloten huurcontracten betrekking op de inrichtingswerken en/of verbeteringswerken vanaf de totstandkoming en gedurende het huurcontract, doch bovendien geldt dit recht van natrekking zolang het huurcontract loopt. Het is pas op het einde van het huurcontract dat de huurders (te dezen de (eisers)) alle rechten op de mogelijke verbeteringswerken verliezen en eigendom worden van de verhuurder. Het is overigens niet die BTW op de uitgevoerde verbeteringswerken gedurende het huurcontract die thans in betwisting staat, wel de BTW ingevolge de inrichtingswerken gedurende de overeenkomst van commodaat. Terecht stelde de eerste rechter dat de clausule van natrekking in het huurcontract en deze in de overeenkomst van het commodaat los van elkaar staan en geenszins op dezelfde inrichtingswerken betrekking hebben. Van een voortgezette verzaking van het recht van natrekking kan er geen sprake zijn. In het licht van wat voorafgaat zijn alle beschouwingen van de (eisers) met betrekking tot de inhoud van de akte commodaat, de bedoeling van de contracterende partijen, de uitvoering van de overeenkomst en het feit dat de NV Comptoir de Crédit zich al dan niet als eigenaar gedraagt niet relevant". Grieven Wanneer partijen hun overeenkomst hebben vastgesteld in een geschrift, verhindert artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek de rechter om abstractie te maken van dit geschrift om de werkelijke bedoeling van partijen vast te stellen. Voor de uitlegging van de overeenkomst, kan de rechter op grond van artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek de voorkeur geven aan de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen boven de letterlijke betekenis van de bewoordingen van het geschrift, waarbij de rechter gebruik kan maken van alle beschikbare elementen, zowel intrinsieke als extrinsieke. In casu beslist het bestreden arrest dat het toegekende bouwrecht, nl. het hebben door de eisers van inrichtingswerken in het gebouw van de NV Comptoir de Crédit ingevolge de verzaking aan de natrekking van deze werken door deze eigenaar van het gebouw, noodzakelijk een opstalrecht vestigt onderworpen aan de Opstalwet van 10 januari 1824, alwaar de appèlrechters beslissen "De afstand van het recht van natrekking met de toekenning van een recht tot bouwen ten voordele van een derde houdt de vestiging in van een zelfstandig recht van opstal waarop de Opstalwet van toepassing is", om uit deze wettelijke kwalificatie, dewelke meebrengt dat "Eén van de essentiële kenmerken van het opstalrecht is dat het een in de tijd beperkt eigendomsrecht is" af te leiden dat "Toegepast op de overeenkomst van commodaat betekent dit dat het opstalrecht hoe dan ook beëindigd is op 31 december 1993 (zie art. 5 van de overeenkomst van het commodaat) m.a.w. door het verstrijken van de termijn waarvoor het werd gevestigd". Aldus leidt het bestreden arrest de gemeenschappelijke bedoeling van partijen, als dat de inrichtingswerken uitgevoerd door de eisers tijdens het commodaat per 31 december 1993 eigendom werden van de NV Comptoir de Crédit, enkel af uit voormelde kwalificatie als zijn dat opstallen in de zin van de Opstalwet, waarvan het essentieel is dat zij slechts een tijdelijk eigendomsrecht verlenen, dan wanneer de geschreven overeenkomst tussen partijen geen tijdslimiet aan het eigendomsrecht van de eisers op de inrichtingswerken vermeldt. Uit de feitelijke vaststellingen, die het bestreden (arrest) deed, o.m. op p. 3 middels de beschrijving van het voorwerp in artikel 1 van de overeenkomst dd. 9 oktober 1992 van commodaat, volgens dewelke de overeenkomst van commodaat als voorwerp had het onafgewerkt gebouw, gelegen te Gent, dertiende afdeling, Skaldenstraat, sectie B, deel van nummer 16/5 om het te gebruiken overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, blijkt het in casu echter niet te gaan om het bouwen van een gebouw op andermans grond, maar om het hebben in eigendom van inrichtingwerken in een gebouw dat aan een ander toebehoort. Deze toestand stemt niet overeen met de vestiging van een opstalrecht in de zin van artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal, nu het recht van opstal, zoals hier gedefinieerd wordt, een zakelijk recht is om gebouwen, werken of beplantingen op andermans grond te hebben. Het hebben in eigendom van inrichtingswerken in een gebouw dat aan een ander toebehoort valt daar niet onder, maar is voorzien in artikel 553 van het Burgerlijke Wetboek waarin sprake is van het verworven eigendomsrecht van "enig ander gedeelte van het gebouw". Daaruit volgt dat het bestreden arrest, dat beslist dat er aanleiding was om de afgetrokken B.T.W. te herzien op grond van artikel 10, 4°, van het K.B. nr 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, om de reden dat de bedrijfsmiddelen, nl. de werken uitgevoerd door de eisers tijdens het contract van commodaat, ophielden te bestaan in de onderneming van de eisers als gevolg van het feit dat het einde aan het contract van commodaat tevens ook een einde aan de afstand van het recht van natrekking heeft gesteld overeenkomstig artikel 6 van de Opstalwet, zijn beslissing niet wettig verantwoordt en - de artikelen 1 en 6 van de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal, alsmede de artikelen 553 en 555 van het Burgerlijk Wetboek schendt, nu uit de feitelijke vaststellingen gedaan door het hof blijkt dat het in casu niet over het hebben van gebouwen, werken of beplantingen op een andermans grond gaat die onder toepassing van de wet van 10 januari 1824 vallen, maar over het hebben van de eigendom van inrichtingswerken in andermans gebouw; - de artikelen 1134, 1335, 1156, 1319, 1320, 1322 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek schendt, nu het bestreden arrest zijn interpretatie van het contract van commodaat dd. 9 oktober 1992, m.b.t. het tijdstip waarop de afstand van het recht van natrekking een einde nam, enkel steunt op een extrinsiek element, te weten een verkeerde rechtsopvatting m.b.t. het bestaan van een recht van opstal in de zin van voormelde wet van 10 januari 1824; - artikel 10, 4°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, alsmede artikel 48, ,§2, B.T.W.-Wetboek schendt, nu de appelrechters hun beslissing dat de bedrijfsmiddelen in de onderneming van de eisers hebben opgehouden te bestaan, blijkens het voorgaande niet wettig hebben verantwoordt. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6, in het bijzonder ,§1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende en bij wet van 13 mei 1955 goedgekeurde Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; - artikel 14, in het bijzonder ,§1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981; - de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 70, ,§1 en ,§1bis, van het B.T.W.-Wetboek; - artikel 84, in het bijzonder lid 2 (zoals vóór als na zijn wijziging door de wet van 15 maart 1999), van het B.T.W.-Wetboek; - artikel 9 van het Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 (organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen). Aangevochten beslissingen Wat de administratieve boeten betreft, beslist het bestreden arrest dat "(...) een boete van 200 pct. zijnde tweemaal de ontdoken rechten een strafsanctie (is) in de zin van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR. Het hof is derhalve gerechtigd de wettelijkheid van die sanctie te onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het hof moet onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve boete van zodanige omvang. Hierbij mag de rechter acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld" maar dat "dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass, 24 januari 2002, roln. 00.0234 en 00.0307, www.cass.be)" zodat "rekening houdend met alle voorhanden zijnde gegevens dienen voor het overige de opgelegde boeten, zoals proportioneel verminderd, te worden behouden daar deze in evenredigheid zijn met de gepleegde inbreuken". Grieven De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag, in het bijzonder, nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Dit toetsingsrecht houdt ook in dat de rechter om redenen van opportuniteit boeten kan kwijtschelden of verminderen. Inderdaad, om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR, moet de gerechtelijke controle met volle rechtsmacht uitgeoefend kunnen worden op de toegepaste sanctie, wat betekent dat het rechterlijk orgaan de beslissing op alle punten in rechte en in feite moet kunnen hervormen en dat de rechter de bevoegdheid moet hebben de opportuniteit van de opgelegde sanctie te beoordelen of om een gehele of gedeeltelijke vermindering toe te staan. Het is des te meer het geval dat de administratie de mogelijkheid heeft de omvang van de sanctie, qua opportuniteit en billijkheid, te moduleren, minstens door tussenkomst van de minister van Financiën in de uitoefening van de machten verleend door artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 of artikel 84, lid 2, van het B.T.W.-Wetboek, en dat niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen. Daaruit volgt dat het bestreden arrest, dat vaststelt dat de boeten opgelegd aan de eisers een repressief karakter hebben en beslist dat de toetsingsrecht van de administratieve geldboeten niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen: - artikel 6, in het bijzonder ,§1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende en bij wet van 13 mei 1955 goedgekeurde Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 14, in het bijzonder ,§1, van het internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 alsmede artikel 70, ,§1 en 1bis, van het B.T.W.-Wetboek schendt, nu beide bepalingen vereisen dat de rechter een controle met volle rechtsmacht op boeten met een repressief karakter - zoals deze opgelegd door artikel 70, ,§1 en 1bis, van het B.T.W.-Wetboek - moet uitoefenen, welke controle betekent dat de rechter bevoegd is om, naast de opportuniteit van het opleggen van de sanctie te beoordelen, ook deze sanctie geheel of gedeeltelijk te verminderen; - de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet, alsmede artikelen 84, lid 2, van het B.T.W.-Wetboek en 9 van het Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 schendt, in de mate dat uit deze bepalingen blijkt dat de administratie de mogelijkheid heeft de omvang van de sanctie te moduleren en dat niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- De appelrechters steunen hun beslissing dat de tijdens de periode van bruikleen door de eiseressen uitgevoerde inrichtingswerken na afloop van de bruikleenovereenkomst op 31 december 1993, eigendom werden van de NV Comptoir de Crédit niet enkel op de reden dat deze inrichtingswerken opstallen waren zoals bedoeld in de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal, maar ook op de reden dat de clausule van natrekking in het huurcontract en deze in de overeenkomst van bruikleen los van elkaar staan en geenszins op dezelfde inrichtingswerken betrekking hebben. Het arrest leidt hieruit af dat van een voortgezette verzaking van het recht van natrekking geen sprake kan zijn en wijst alle argumenten van de eiseressen met betrekking tot de inhoud van de akte van bruikleen, de bedoeling van de contracterende partijen, de uitvoering van de overeenkomst en het feit dat de NV Comptoir de Crédit zich al dan niet als eigenaar gedraagt, als niet relevant af. Het middel berust op een onvolledige lezing van het arrest, en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 9 van het Organiek Besluit van 18 maart 1831 en van artikel 84, tweede lid, van het BTW-Wetboek. De genoemde bepalingen die verband houden met het genaderecht van de uitvoerende macht, zijn vreemd aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appelrechters uitspraak hebben gedaan.
- Het middel gaat voor het overige ervan uit dat de rechter in alle omstandigheden de bevoegdheid moet hebben de opportuniteit van een opgelegde sanctie van repressieve aard te beoordelen of om een gehele of gedeeltelijke vermindering van de sanctie toe te staan.
- De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het BTW-Wetboek te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
- Hieruit volgt dat de rechter, die in feite en in rechte alle pertinente omstandigheden moet kunnen onderzoeken om de rechtmatigheid van de straf te beoordelen, en al wat onder de beoordeling van het bestuur valt moet kunnen controleren, hieruit niet de bevoegdheid put om een sanctie louter op grond van opportuniteit en tegen wettelijke regels in te verminderen of kwijt te schelden. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 141,82 euro jegens de eisende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 16 februari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2026:ARR.20260420.1 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110311.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130418.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180511.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.5 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190117.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230302.1F.6 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070216.3 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070216.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190117.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div