id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.4 Rolnummer: F.05.0093.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2007-10-26 Raadplegingen: 542 - laatst gezien 2026-07-04 03:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bij art. 371 W.I.B.
(1992)bepaalde bezwaartermijn is een vervaltermijn, welke behoudens overmacht niet kan worden verlengd; hieruit volgt dat een eventuele miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur door de administratie, die voor de belastingplichtige niet heeft geleid tot een overmachtsituatie, niet tot gevolg heeft dat een laattijdig bezwaarschrift ontvankelijk dient verklaard te worden
(1)(Deels impliciete oplossing).
(1). Cass., 29 mei 1992, AR F.1950.N, nr
- Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Vrije woorden: Bezwaartermijn - Miskenning van een beginsel van behoorlijk bestuur - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 366 en 371 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Beginsel van behoorlijk bestuur - Belastingzaken - Bezwaartermijn inzake inkomstenbelastingen - Miskenning van een beginsel van behoorlijk bestuur - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 366 en 371 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.05.0093.N S.N., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent, met kantoren te 9000 Gent, Savaanstraat 11/1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in een verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- De eiser legt niet uit hoe en waardoor de appelrechters de artikelen 367 en 372 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)schenden.
- Artikel 366 van dat wetboek, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de belastingschuldige tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar kan indienen bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd. Artikel 371 van dat wetboek, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar nadat waarin de belasting is gevestigd, zonder dat de termijn evenwel minder dan zes maanden mag bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.
- De appelrechters stellen vast dat de aanslagbiljetten werden verzonden op 30 oktober 1995 (aanvankelijke aanslag 1995), op 8 juli 1997 (tweede aanslag 1995), op 21 april 1997 (aanslag 1996) en op 22 december 1997 (aanslag 1997), zodat om tijdig te zijn de bezwaarschriften moesten ingediend geweest zijn op respectievelijk 30 april 1996, 30 april 1998 (1995 en 1996) en 22 juni 1998 (aanslagjaar 1997). Hieruit konden de appelrechters, zonder schending van de voormelde wetsbepalingen afleiden dat een bezwaarschrift tegen de aanslagen over de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997 dat is ingediend op 15 februari 2000, laattijdig is.
- Een eventuele miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur door de administratie, die voor de belastingplichtige niet heeft geleid tot een overmachtsituatie, heeft niet tot gevolg dat een laattijdig verzoekschrift door de appelrechters ontvankelijk dient verklaard te worden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen dat de verwijzing door de eiser naar de briefwisseling van 17 juli 1997 met de controlediensten van de belastingen niet dienend is, nog afgezien van het feit dat de administratie tot op vandaag stelt de brief niet eerder te hebben ontvangen dan op 17 december
- Het blijkt niet dat de appelrechters door de verwijzing naar het standpunt van de verweerder dat hij de brief van 17 juli 1997 slechts heeft ontvangen op 17 december 1999, dat standpunt overnemen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het blijkt niet dat de appelrechters de brieven van de eiser van 17 juli 1997 en 17 december 1997 hebben aangemerkt als bezwaarschriften. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Krachtens artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen de partijen die het eventueel bekrachtigt.
- De rechter die over het bedrag van de gerechtskosten oordeelt doet zodoende geen uitspraak over een vordering.
- Het onderdeel dat volledig is gebaseerd op de stelling dat de appelrechters door een bedrag toe te kennen dat de kostenraming van de partijen overstijgt, het beschikkingsbeginsel miskennen, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 87,17 euro jegens de eisende partij en op de som van 122,35 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en op de openbare terechtzitting van 16 februari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2016:ARR.20160622.6 ECLI:BE:CALIE:2016:ARR.20161130.8 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140619.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div