← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.6 Rolnummer: C.06.0431.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 761 - laatst gezien 2026-07-04 05:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de partijen de feiten aanvoeren waarop zij hun vordering laten steunen, zonder daarbij enige rechtsgrond aan te geven, schendt de rechter die op die feiten een rechtsgrond toepast zonder de partijen toe te laten daarover tegenspraak te voeren, hun recht van verdediging niet

(1).
(1)Zie: A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Liège, Fac. de droit, 1987, 78; S. MOSSELMANS, art. 807, Ger.W., in Commentaar Gerechtelijk recht, Mechelen, Kluwer, 2002, 15; J. KIRKPATRICK, Un principe général du droit plus fort que la loi: le respect du droit de défense en cas de décision judiciaire fondée sur un moyen pris d'office, in "Imperat Lex - Liber Amicorum Pierre Marchal", Brussel, Larcier, 2003, p. 289, nr 11; J.F. van DROOGHENBROECK, Cassation et juridiction, Brussel, Bruylant, 2004, p. 384, voetnoot 1089, p. 612, nr 798 en p. 632, nr
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Algemeen Vrije woorden: Vordering - Rechtsgrond - Ontstentenis - Toepassing door de rechter - Recht van verdediging Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Algemeen Vrije woorden: Vordering - Rechtsgrond - Ontstentenis - Toepassing door de rechter Annotaties Publicaties: J.T. - Jean-François VAN DROOGHENBROECK; Pour les droits de défense aussi: iura vigilantibus. - 2008, 173-175 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0431.N KIBEKA, naamloze vennootschap, met zetel te 3140 Keerbergen, Emiel Opdebeecklaan 90-92, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. R. P., en zijn echtgenote,
  3. N. I., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 april 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: ¿Zegt dat het beroep, met inbegrip van het incidenteel beroep ontvankelijk is; Hervormt het bestreden vonnis, en veroordeelt (de eiseres) om de houten palen en de verhoging aangebracht op de eigendom van (de verweerders) weg te nemen, en de grondwerken nodig voor het eventueel aanleggen van een weg op haar eigendom uit te voeren zoals aangegeven in het verslag van de deskundige, waarna (de eiseres) zelf zal oordelen of ze de eigenlijke weg verder zal aanleggen. (De eiseres) zal met deze werken een aanvang maken een maand na de betekening van het arrest, op verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag vertraging, en zal de werken voltooien uiterlijk zes maanden na de aanvang ervan, op verbeurte van een dwangsom van 20,00 euro per dag. Veroordeelt (de eiseres) tot het betalen van een schadevergoeding van 10.000 euro + 1.200 euro = 11.200 euro, meer de gerechtelijke intrest vanaf 16 juni 1997, zoals gevorderd in conclusies. Wijst het incidenteel beroep van (de eiseres) af als ongegrond. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van beide aanleggen, in het totaal vastgesteld in haren hoofde op 944,56 euro (¿) en in hoofde van (de verweerders) op 4.357,23 euro (¿)¿, op grond van de motieven op p. 5: ¿De hiervoor aangehaalde bijzondere voorwaarde, opgenomen in de onderhandse koopovereenkomst van (de verweerders), geeft inderdaad bepaalde rechten aan (de eiseres), ook al is die geen partij bij die overeenkomst¿, en op p. 7: ¿De onderhandse akte van aankoop was niet tegenstelbaar aan (de eiseres)¿. Grieven Krachtens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet staat een tegenstrijdigheid gelijk met de afwezigheid van motieven. Het is tegenstrijdig te beslissen tezelfdertijd, enerzijds, dat de onderhandse koop-verkoopovereenkomst gesloten tussen de verweerders en de consoorten C. - V. C. niet tegenstelbaar was aan de eiseres en, anderzijds, dat diezelfde overeenkomst bepaalde rechten geeft aan de eiseres. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet naar genoegen van recht gemotiveerd is (Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging, zoals neergelegd o.m. in artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: ¿Zegt dat het beroep, met inbegrip van het incidenteel beroep ontvankelijk is; Hervormt het bestreden vonnis, en veroordeelt (de eiseres) om de houten palen en de verhoging aangebracht op de eigendom van (de verweerders) weg te nemen, en de grondwerken nodig voor het eventueel aanleggen van een weg op haar eigendom uit te voeren zoals aangegeven in het verslag van de deskundige, waarna (de eiseres) zelf zal oordelen of ze de eigenlijke weg verder zal aanleggen. (De eiseres) zal met deze werken een aanvang maken een maand na de betekening van het arrest, op verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag vertraging, en zal de werken voltooien uiterlijk zes maanden na de aanvang ervan, op verbeurte van een dwangsom van 20,00 euro per dag. Veroordeelt (de eiseres) tot het betalen van een schadevergoeding van 10.000 euro + 1.200 euro = 11.200 euro, meer de gerechtelijke intrest vanaf 16 juni 1997, zoals gevorderd in conclusies. Wijst het incidenteel beroep van (de eiseres) af als ongegrond. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van beide aanleggen, in het totaal vastgesteld in haren hoofde op 944,56 euro (...) en in hoofde van (de verweerders) op 4.357,23 euro¿, op grond van de motieven op p. 5: ¿A. De rechtsverhouding tussen de partijen: De partijen maken niet duidelijk wat de aard is van de rechtsverhouding. Beide gaan ervan uit dat (de eiseres) het recht heeft om een toegangsweg op haar eigendom aan te leggen, en daarbij de nodige grondwerken uit te voeren op de eigendommen van (de verweerders), en met minimale hoogteverschillen. Vast staat dat er tussen partijen rechtstreeks geen overeenkomst werd gesloten. De binding van (de verweerders) aan eerder genoemd recht van (de eiseres) laat zich het best verklaren op grond van een beding ten voordele van derden. De hiervoor aangehaalde bijzondere voorwaarde, opgenomen in de onderhandse koopovereenkomst van (de verweerders), geeft inderdaad bepaalde rechten aan (de eiseres), ook al is die geen partij bij die overeenkomt¿. Grieven Hoewel het aan de rechter staat op de feiten die regelmatig bij hem aanhangig zijn gemaakt, de rechtsnormen toe te passen krachtens welke hij de vordering zal toewijzen of afwijzen, dient hij het recht van verdediging in acht te nemen. In casu stellen de appelrechters uitdrukkelijk vast dat partijen niet duidelijk maken wat de aard is van hun rechtsverhouding, waarna zij ambtshalve de aangehaalde bijzondere voorwaarde in de onderhandse koopovereenkomst, waarbij de eiseres geen partij was, kwalificeren als een beding ten behoeve van derden. Uit geen enkel stuk van de procedure, waarop het Hof regelmatig vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres voorafgaandelijk aan het bestreden arrest in de gelegenheid werd gesteld om zich uit te spreken omtrent de toepassing van de rechtsregel van het beding ten behoeve van een derde, die niet door de verweerders werd aangevoerd. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig uitspraak deed met schending van het recht van verdediging van de eiseres (Schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel, zoals neergelegd in o.m. artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: ¿Zegt dat het beroep, met inbegrip van het incidenteel beroep ontvankelijk is. Hervormt het bestreden vonnis, en veroordeelt (de eiseres) om de houten palen en de verhoging aangebracht op de eigendom van (de verweerders) weg te nemen, en de grondwerken nodig voor het eventueel aanleggen van een weg op haar eigendom uit te voeren zoals aangegeven in het verslag van de deskundige, waarna (de eiseres) zelf zal oordelen of ze de eigenlijke weg verder zal aanleggen. (De eiseres) zal met deze werken een aanvang maken een maand na de betekening van het arrest, op verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag vertraging, en zal de werken voltooien uiterlijk zes maanden na de aanvang ervan, op verbeurte van een dwangsom van 20,00 euro per dag. Veroordeelt (de eiseres) tot het betalen van een schadevergoeding van 10.000 euro + 1.200 euro = 11.200 euro, meer de gerechtelijke intrest vanaf 16 juni 1997, zoals gevorderd in conclusies. Wijst het incidenteel beroep van (de eiseres) af als ongegrond. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van beide aanleggen, in het totaal vastgesteld in haren hoofde op 944,56 euro (...) en in hoofde van (de verweerders) op 4.357,23 euro (...)¿, op grond van de motieven op p. 9: ¿
  4. Vergoeding van de schade van (de verweerders). a. Meerkost voor bouwen en vertraging van de bouwplannen. Deskundige Mevrouw Boeckx stelt dat door de aanwezigheid van de hoge keerdam, (de verweerders) niet kunnen bouwen zoals gepland, d.w.z. dat er eigenlijk een extra verdieping nodig is, of minstens een verhoogde kruipkelder. Bovendien stellen (de verweerders) dat ze een afwijking van de verkavelingsvoorschriften moeten verkrijgen om zo te bouwen, en dat hun bouwplannen vertraging hebben opgelopen door de fout van (de eiseres). Zelfs al zou (de eiseres) van meet af aan de weg hebben aangelegd conform de bijzondere voorwaarde, dan nog zouden (de verweerders) geconfronteerd zijn met een aanzienlijk hoogteverschil aan de perceelsgrens. Zelfs in de voor hen meest gunstige hypothese, nl. dat de weg zo laag mogelijk zou zijn aangelegd, dan nog zou de keerwand slechts drie meter verder van de eigendomsgrens verwijderd zijn. (De verweerders) bewijzen niet dat die drie meter zo'n verschil maken dat zij dan wel een normale verdieping en terras zouden hebben kunnen aanleggen op het niveau van het maaiveld. Zij leggen ook geen enkel bewijs voor, dat zij pogingen hebben ondernomen om te bouwen met een extra verdieping, of dat hun bouwplannen vertraging hebben opgelopen. Zij leggen weliswaar een plan voor, opgesteld door architect V.I., niet gedateerd en niet door hen ondertekend, maar het blijkt niet dat een vergunning werd aangevraagd, laat staan verleend of geweigerd, voor dit plan. Wel is het zo dat (de verweerders) visuele en esthetische schade hebben geleden, schade die billijkheidshalve op 10.000,00 euro wordt geraamd¿. Grieven De rechter kan geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken krachtens artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, noch meer dan het gevraagde toekennen krachtens het beschikkingsbeginsel. In graad van beroep hebben de verweerders op geen enkel ogenblik betoogd, noch schadevergoeding gevorderd, voor visuele of esthetische schade die zij zouden geleden hebben. In hun definitieve synthesebesluiten vorderden de verweerders enkel schadevergoeding wegens ¿Opstellen bouwplannen¿ (p. 26), ¿Meerkost woning met kruipkelder¿ (p. 27 e.v.); ¿Schade wegens vertraging bouwplannen¿ (p. 28 e.v.) en ¿Schade gevelde bomen¿ (p. 29 e.v.), welke posten allen door de appelrechters werden afgewezen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de eiseres onwettig veroordeelt tot het betalen van 10.000,00 euro schadevergoeding wegens visuele en esthetische schade, meer de gerechtelijke intrest vanaf 16 juni 1997, welke schadeposten niet door de verweerders werden gevorderd (Schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek), maar ambtshalve door de appelrechters werden weerhouden in de plaats van de door de verweerders gevorderde en afgewezen posten (Schending van het beschikkingsbeginsel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het is niet feitelijk tegenstrijdig te oordelen, enerzijds, dat de onderhandse koopovereenkomst van 15 maart 1996, gesloten tussen de verweerders en C. - V.C., aan de eiseres niet tegenwerpelijk is en, anderzijds, dat diezelfde overeenkomst rechten geeft aan de eiseres. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  6. Wanneer de partijen de feiten aanvoeren waarop zij hun vordering laten steunen, zonder daarbij enige rechtsgrond aan te geven, schendt de rechter die op die feiten een rechtsgrond toepast zonder de partijen toe te laten daarover tegenspraak te voeren, hun recht van verdediging niet.
  7. Het arrest stelt vast, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, dat de partijen niet duidelijk maken wat de aard is van de rechtsverhouding. Het oordeelt vervolgens, zonder de partijen uit te nodigen daarover tegenspraak te voeren, dat ¿de binding van (de verweerders) aan het recht van (de eiseres) zich het best (laat) verklaren op grond van een beding ten voordele van derden¿.
  8. Het arrest schendt met die redenen het recht van verdediging van de eiseres niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerders geen vergoeding hebben gevorderd voor visuele en esthetische schade.
  10. Het arrest veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerders van een schadevergoeding van 11.200,00 euro, verhoogd met de gerechtelijke interest sedert 16 juni 1997, waarin een bedrag van 10.000,00 euro voor de visuele en esthetische schade.
  11. Door aldus vergoeding toe te kennen voor schade waarvoor de verweerders geen vergoeding hebben gevorderd, schendt het arrest artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van 10.000,00 euro begrepen in het bedrag van 11.200,00 euro, verhoogd met de gerechtelijke interest en uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot twee derden van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. De kosten zijn begroot op de som van 602,87 euro jegens de eisende partij en op de som van 135,48 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van 16 februari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090528.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120111.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140108.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.