← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070223.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070223.1 Rolnummer: C.06.0046.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 549 - laatst gezien 2026-07-04 02:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche Indien het bestuur bij de gunning van een overheidsopdracht voor aanneming van werken, leveringen en diensten, de inschrijvers er niet in kennis van stelt dat het hun prijzen, na verantwoording ervan, als abnormaal beschouwt, is hieraan toe te schrijven dat het de prijzen niet langer als abnormaal beschouwt en dat de inschrijving regelmatig is

(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot vernietiging op grond van het tweede onderdeel van het eerste middel wegens miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht strikt dient te worden geïnterpreteerd en enkel kan worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn. (Zie Cass., 13 sept. 2004, AR C.03.0540.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040913.8, nr 404). Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Vrije woorden: Inschrijvingen - Abnormale prijzen - Verantwoording - Geen verdere kennisgeving door het bestuur - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1976 - Art. 12, § 1 Koninklijk Besluit - 22-04-1977 - Art. 25, §§ 1 en 2 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0046.N KAREL RAEYMAKERS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2360 Oude-Turnhout, Tramwissel 2, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1.a. W.H., 1.b. S.M., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de NV Aqua Reno, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  1. CLARA'S HOFKE, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2370 Arendonk, Kloosterbaan 3, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. FEITEN De feiten kunnen volgens het verzoekschrift in cassatie als volgt worden samengevat. De VZW St.Agnetedal schreef een openbaâre aanbesteding uit waarop door de NV Aqua Reno, vertegenwoorâdigd door beide eerste verweerders qualitate qua, werd ingeschreâven. Naar aanleiding van het onderzoek van de in het kader van de gunâningprocedure ingediende inschrijvingen stelde de eiseres vast dat de inschrijving van de NV Aqua Reno die bij opening de laagste bieding bleek te zijn, een post bevatte, die zeer laag overkwam. De eenheidsprijzen terzake werden om deze reden vervangen door de gemiddelde eenheidsprijzen van de andere biedingen, waarop voormelde vennootschap niet meer de laagste doch wel de vijfde in het klassement werd. Na nazicht van de verschillende biedingen en na verrekening van de fouten en wijzigingen werden de werken uiteindelijk door tweede verweerster aan de ten gevolge hiervan goedkoopst gebleken aannemer toegewezen. III. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 12, ,§1, van de in casu van toepassing zijnde wet betreffende de overheidsopdrachten van 14 juli 1976 ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 januari 1997 tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en van hun uitvoeringsmaatregelen; - de artikelen 20, ,§5, en 25a, ,§1, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten van toepassing ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 januari 1997 tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en van hun uitvoeringsmaatregelen; - het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht strikt dient te worden geïnterpreteerd en enkel kan afgeleid worden uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn, beginsel waarvan onder meer artikel 1045 van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing uitmaakt; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het arrest doet het eerste vonnis teniet en, opnieuw recht doende, verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en in bepaalde mate gegrond, en de vordering in tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk en gegrond op grond onder meer van de volgende overwegingen: "(...) Dat artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten bepaalt dat wanneer de bevoegde overheid beslist de opdracht te gunnen, deze moet worden toevertrouwd aan de inschrijver die de laagste regelmatige inschrijving heeft ingediend op straffe van schadeloosstelling vastgesteld op 10 pct. van het bedrag van deze inschrijving; Dat het bestuur, blijkens artikel 25A, ,§1, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten, onverminderd de bestekbepalingen zoals die van artikel 14, tweede lid, inschrijvingen als onregelmatig en derhalve als niet bestaande kan beschouwen, indien zij niet overeenstemmen met de bepalingen van afdeling 2, enig voorbehoud inhouden of bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen; Dat, krachtens artikel 25, tweede lid, van het te dezen toepasselijk koninklijk besluit van 22 april betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, het bestuur, vooraleer het een inschrijving afwijst inzonderheid met verwijzing naar artikel 20, ,§5, wegens haar blijkbaar abnormaal hoge of abnormaal lage eenheidsprijzen of totale prijzen, de betrokken inschrijver per aangetekende brief moet verzoeken hierover, binnen een termijn van twaalf kalenderdagen, de nodige verantwoording te verstrekken; Dat het verder bepaalt dat het bestuur, na onderzoek van de gegeven uitleg, de betrokken inschrijver laat weten welke prijzen nog als abnormaal worden beschouwd; (...) Dat door het hof dient te worden vastgesteld dat de eiseres verzuimd heeft de NV Aqua Reno bij toepassing van voormeld artikel 25, tweede lid, te verzoeken binnen de termijn van twaalf kalenderdagen een omstandige verantwoording te verstrekken omtrent de prijzen die zij als abnormaal laag beschouwde; Dat uit dit verzuim volgt dat eerste geïntimeerde er van afgezien heeft de kwestieuze prijzen als abnormaal laag te beschouwen (R.v.St. 2 september 1983, Arr. R.v.St., 1983, nr. 23.459; Antwerpen, 17 oktober 1983, R.W., 1983-84, kol. 929-931); Dat de afwijking van de wettelijke verplichting om de opdracht te gunnen aan de laagste regelmatige inschrijving in dit geval dan ook op onrechtmatige wijze is geschied; Dat artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 aan de niet-naleving van de wettelijke verplichting de opdracht te gunnen aan de laagste regelmatige inschrijving automatisch de sanctie verbindt van een schadeloosstelling vastgesteld op 10 pct. van het bedrag van de inschrijving, zonder dat enig bijkomend bewijs omtrent de door de niet weerhouden bieder geleden schade en het oorzakelijk verband tussen de foutieve gunning en voormelde schade mag worden geëist; Dat het bestreden vonnis derhalve op grond van verkeerde motieven en met schending van de wet de oorspronkelijke vordering heeft afgewezen". Grieven Eerste onderdeel Wanneer de aanbestedende overheid meent dat een inschrijving abnormale prijzen bevat, moet een bijzondere procedure gevolgd worden m.b.t. het ondervragen van de inschrijver en vervolgens door de kennisgeving van de bevindingen. Indien het Bestuur de in de overheidsopdrachtenreglementering voorgeschreven procedure m.b.t. het onderzoek van abnormale prijzen niet volgt, kan het - mogelijkerwijze - een onrechtmatige daad (fout) begaan. Geen enkele wetsbepaling voorziet echter dat in dergelijke hypothese de inschrijving per se regelmatig zou bevonden worden. Het bestreden arrest leidt uit artikel 12, ,§A, van de wet van 1976 echter af dat de niet-naleving van de formele verplichtingen in het kader van het vaststellen van eventuele abnormale prijzen of dat de niet-ondervraging van de inschrijver tot het regelmatig karakter van de offerte zou leiden. Nochtans voorziet noch artikel 12, ,§1, van de overheidsopdrachtenwet, noch welke andere wettelijke of reglementaire bepaling dan ook dat het niet-naleven van de vormvereisten, tot een regelmatige inschrijving zou moeten leiden. Hieruit volgt dat het bestreden arrest dat beslist dat Aqua Reno, thans vertegenwoordigd door de eerste verweerders q.q., recht heeft op schadeloosstelling ten belope van 10 pct. van haar inschrijving, op grond van de overweging dat zij de laagste regelmatige inschrijving had ingediend, dan ook niet naar recht verantwoord is (schending van artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 en van de artikelen 20, ,§5, en 25a, ,§1, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten). Tweede onderdeel In de mate het bestreden arrest zou moeten uitgelegd worden in de zin dat de aanbestedende overheid afstand van haar recht zou gedaan hebben omdat uit het verzuim om prijsverantwoording te vragen zou volgen dat zij afgezien had de kwestieuze prijzen als abnormaal te beschouwen, moet opgemerkt worden dat het arrest evenmin naar recht is verantwoord. Afstand van recht dient strikt te worden geïnterpreteerd en kan enkel afgeleid worden uit feiten die niet voor een andere uitleg vatbaar zijn. Het bestreden arrest stelt dit vooreerst niet vast. Het maakt bijgevolg de wettigheidscontrole van het Hof van Cassatie niet mogelijk (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Het arrest laat evenzeer na, op grond van de feitelijke gegevens die het zou aangeven, vast te stellen dat de bedoelde feiten voor geen andere uitlegging vatbaar waren, zodat het niet naar recht is verantwoord (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht strikt dient te worden geïnterpreteerd en enkel kan afgeleid worden uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn, beginsel waarvan onder meer artikel 1045 Ger.W. een toepassing uitmaakt, en van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 22 en 23 van het Reglement van beroepsplichten verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 15 april 1985; - de artikelen 1134, 1135, 1137, 1142, 1147 tot 1151 en 1315, 1e lid, van het Burgerlijk Wetboek; - het begrip resultaatsverbintenis; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het arrest dat het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond verklaart op grond onder meer van de volgende overwegingen: "(...) Dat (de tweede verweerster) bij besluiten neergelegd op 20 oktober 1998 minstens impliciet tegen (de eiseres) incidenteel beroep (instelde) (...) en strekkende tot veroordeling van (de eiseres) om haar te vrijwaren; Dat geïntimeerden ter terechtzitting van 14 maart 2005 verklaard hebben dat de schriftelijke architectenovereenkomst niet meer kan worden overgelegd, m.a.w. niet meer beschikbaar is; (...) Dat door (de eiseres) niet wordt betwist dat haar opdracht erin bestond (de tweede verweerster) bij te staan en te adviseren bij de verrichtingen van aanbesteding en toewijzing; Dat (de eiseres) echter stelt dat de bijstand louter technisch was en een middelenverbintenis betrof en geenszins mag worden uitgebreid tot een juridische bijstand met betrekking tot de toepassing van de wetgeving op de overheidsopdrachten; (...) Dat luidens artikel 23 van het reglement van beroepsplichten, goedgekeurd en verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 18 april 1995 de architect bij aanbesteding van werken, en ook wanneer de toewijzing van opdrachten op een andere wijze geschiedt, erover zal waken dat alle mededingers gelijke kansen hebben, en zal hij de bouwheer bijstaan, zoals voorzien in artikel 22; Dat daaruit volgt dat de architect, die verplicht is de opdrachtgever advies te geven en bijstand te verlenen, hem deswege moet inlichten over de reglementering inzake overheidsopdrachten (vgl. Cass., 9 juni 1997, Arr. Cass., 1997, nr. 264, Pas., 1997, I, nr. 264; J.H. Herbots, S. Stijns, E. Degroote, W. Lauwers, J. Samoy, "Bijzondere Overeenkomsten. Overzicht van rechtspraak 1995-1998", T.P.R., 2002, nr. 642, p. 562-563); Dat (de eiseres) derhalve (de tweede verweerster) had moeten inlichten over de wettelijk verplichte verwittiging van de bieder dat zijn prijzen abnormaal worden geacht en eerste geïntimeerde had moeten verwittigen dat de mogelijke gevolgen van een verzuim van de naleving van de voorschiften van artikel 25 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten; Dat niet betwist wordt dat (de tweede verweerster) een leek is in aannemingszaken en dat zij geen overheidsinstelling met gespecialiseerde juridische medewerkers is; Dat zij er dan ook mocht op kunnen vertrouwen dat (de eiseres) haar volledig zou bijstaan niet alleen op technisch vlak maar ook op juridisch vlak, in zoverre dit de toepassing van de reglementering inzake overheidsopdrachten betreft; Dat (de eiseres) niet betwist dat zij dergelijke bijstand niet heeft verleend; Dat deze nalatigheid een professionele fout uitmaakt, die (de eiseres) ertoe verplicht (de tweede verweerster) te vrijwaren voor alle bedragen waartoe (de tweede verweerster) ten overstaan van (de eerste verweerder q.q.) gehouden is; Dat (de tweede verweerster) voorzeker niet tot enige betaling van enige schadevergoeding aan (de eerste verweerder q.q.) gehouden zou zijn geweest indien (de eiseres) haar opdracht correct had uitgevoerd; Dat het door (de tweede verweerster) ingestelde incidenteel beroep dan ook gegrond is". Grieven Eerste onderdeel Het bestreden arrest beslist dat de eiseres de tweede verweerster moet vrijwaren voor alle veroordelingen die tegen haar werden uitgesproken. Het overweegt immers dat de eiseres de opdracht had de aanbestedende overheid bij te staan en te adviseren bij de verrichtingen van aanbesteding en toewijzing, erin begrepen over de reglementering inzake overheidsopdrachten. Toegepast op het geval oordeelt het arrest dat de eiseres de tweede verweerster had moeten inlichten over de wettelijk verplichte verwittiging in geval van abnormale prijzen. Daarbij wordt niet duidelijk gemaakt of het arrest van oordeel is of de eiseres een middelverbintenis dan wel een resultaatsverbintenis aanging. Door ter zake geen duidelijkheid te verschaffen laten de motieven van het arrest niet toe aan het Hof van Cassatie zijn wettelijkheidcontrole uit te oefenen. Hieruit volgt dat het arrest bijgevolg artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet schendt. Tweede onderdeel Indien binnen bepaalde perken aan een architect een juridische bijstandsplicht wordt toevertrouwd, dan impliceert dergelijke opdracht geenszins een resultaatsverbintenis. Een schuldeiser van een resultaatsverbintenis geniet van een vrij eenvoudige bewijslast: wanneer het resultaat niet bereikt is staat de contractuele wanprestatie vast. Het hof van beroep schijnt dergelijke bewijsvoering te aanvaarden hoewel een architect m.b.t. juridisch advies geenszins een resultaatsverbintenis aangaat. Hieruit volgt dat het bestreden arrest bijgevolg de bewijsregels zoals vervat in de artikelen 1315, 1ste lid, van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek schendt. Het arrest miskent daarbij evenzeer het begrip "resultaatsverbintenis". Door bovendien te beslissen op basis van een vermeende resultaatsverbintenis dat de eiseres een fout had begaan, zonder na te gaan of de eiseres bij het uitvoeren van haar contractuele verbintenissen onzorgvuldig was geweest, is het bestreden arrest niet naar recht verantwoord en schendt het de regels i.v.m. de contractuele aansprakelijkheid (schending van de artikelen 1134, 1135, 1137, 1142, 1147 tot 1151 van het Burgerlijk Wetboek). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten moet, wanneer de bevoegde overheid beslist de opdracht te gunnen, deze worden toevertrouwd aan de inschrijver die de laagste regelmatige inschrijving heeft ingediend op straffe van schadeloosstelling vastgesteld op 10 pct. van het bedrag van deze inschrijving. Krachtens artikel 25, ,§1, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten kan het bestuur, onverminderd de nietigheid van elke inschrijving wegens afwijking van de essentiële bestekbepalingen zoals die van artikel 14, tweede lid, inschrijvingen als onregelmatig en derhalve als niet bestaande beschouwen, indien zij niet overeenstemmen met de bepalingen van afdeling 2, enig voorbehoud inhouden, of bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen. Krachtens ,§2 van hetzelfde artikel moet het bestuur, vooraleer een inschrijving af te wijzen inzonderheid met verwijzing naar artikel 20, ,§5, wegens haar blijkbaar abnormaal hoge of abnormaal lage eenheidsprijzen of totale prijzen, de betrokken inschrijver per aangetekende brief verzoeken hierover, binnen een termijn van 12 kalenderdagen de noodzakelijke verantwoordingen te verstrekken. Na onderzoek van de gegeven uitleg laat het bestuur de betrokken inschrijver weten welke prijzen nog als abnormaal worden beschouwd.
  3. Het bestuur kan volgens dat artikel inzonderheid als onregelmatig afwijzen, een inschrijving waarvan de bestanddelen niet met de werkelijkheid overeenstemmen, bij voorbeeld wanneer de prijzen abnormaal laag of abnormaal hoog zijn. Het bestuur moet in dat geval, voordat het de inschrijving afwijst, de inschrijver verzoeken verantwoording te verstrekken over zijn prijzen. Het moet indien het de prijzen abnormaal laag of hoog blijft vinden, na daarover uitleg te hebben gekregen, de inschrijvers daarvan in kennis stellen. Hieruit volgt dat indien het bestuur de betrokkenen er niet van in kennis stelt dat het hun prijzen, na verantwoording ervan, als abnormaal beschouwt, hieraan toe te schrijven is dat het de prijzen niet langer als abnormaal beschouwt en dat de inschrijving regelmatig is.
  4. Het arrest stelt vast dat de "(tweede verweerster) verzuimd heeft de NV Aqua Reno bij toepassing van voormeld artikel 25, tweede lid, (van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten), te verzoeken binnen de termijn van twaalf kalenderdagen een omstandige verantwoording te verstrekken omtrent de prijzen die zij als abnormaal laag beschouwde". De niet-naleving van deze reglementaire bepaling heeft volgens het arrest tot gevolg dat de tweede verweerster er van afgezien heeft de kwestieuze prijzen van de NV Aqua Reno als abnormaal laag te beschouwen. Aldus neemt het arrest aan dat de tweede verweerster door de niet-naleving van het voornoemde artikel 25 zich niet meer op de onregelmatigheid van de inschrijving van de NV Aqua Reno wegens het abnormaal karakter van de prijzen kan beroepen, zodat de inschrijving, waarvan niet wordt voorgehouden dat zij omwille van een andere reden onregelmatig zou zijn, als regelmatig moet worden beschouwd.
  5. Het arrest dat oordeelt dat de NV Aqua Reno de laagste regelmatige inschrijving indiende zodat ze, nu de tweede verweerster de opdracht niet aan haar gegund heeft, recht heeft op de schadeloosstelling bedoeld in artikel 12, ,§1, van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  6. Het arrest steunt zijn beslissing dat de "tweede verweerster er van afgezien heeft de kwestieuze prijzen van de NV Aqua Reno als abnormaal laag te beschouwen" en dat de inschrijving van de NV Aqua Reno als regelmatig moet worden beschouwd, niet op enige afstand van recht maar steunt op een uitlegging van artikel 25, tweede lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 22 april 1977". Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Het arrest oordeelt niet dat de verplichting van de architect te dezen een resultaatsverbintenis is, maar toetst de aansprakelijkheid van de architect aan de concrete verplichtingen die de architect in het kader van deze overheidsopdracht had opgenomen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  8. Het arrest oordeelt in concreto over de tekortkomingen begaan door de architect. Anders dan het onderdeel aanvoert oordeelt het arrest wel over de onzorgvuldigheid van de architect. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 1101,99 euro jegens de eisende partij en op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partijen sub 1a en 1b. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 23 februari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070223.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121026.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040913.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.