id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070223.2 Rolnummer: C.06.0275.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-03-09 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-03 06:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het O.C.M.W. kan enkel aanspraak maken op de terugbetaling door particulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening bedoeld in artikel 97 O.C.M.W.-Wet. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: Maatschappelijke dienstverlening - Kosten - Terugbetaling door particulieren Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - Art. 97 Fiche 2 Het voorschieten van belastingen aan een verblijfhouder in een rustoord behoort niet tot de kosten van maatschappelijke dienstverlening waarvan het O.C.M.W. aanspraak kan maken op de terugbetaling door particulieren, waarbij het irrelevant is of dit voorschieten van belastingen die verblijfhouder in de mogelijkheid stelt een menswaardig bestaan te leiden. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: Maatschappelijke dienstverlening - Kosten - Terugbetaling door particulieren - Voorschieten van belastingen Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - Artt. 1, 57 en 97 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0275.N OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN BRUGGE, openbare instelling, met zetel te 8000 Brugge, Ruddershove 4, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- V.C.,
- V.W., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 11 februari 2005 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het derde kanton te Brugge. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 57, ,§1, 97, inzonderheid eerste en tweede lid, en 98, ,§2, inzonderheid eerste lid, eerste gedachtestreepje, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; - de artikelen 205 en 208 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart de vrederechter de vordering van eiser die strekt tot terugbetaling door de verweerders, onderhoudsplichtige zonen van wijlen mevrouw M.L.M., van de door de eiser vrijwillig betaalde belastingen voor rekening van wijlen hun moeder die deze laatste voor de aanslagjaren 1999, 2000 en 2001 verschuldigd was ingevolge de fiscale aftrek van door de verweerders betaald onderhoudsgeld, toelaatbaar, doch ongegrond en veroordeelt de eiser tot de kosten van het geding, op grond van de volgende motieven: "(De eiser wil) een door (hem) vrijwillig en dus zonder verzoek hiertoe, ten laste genomen betaling van belastingen (...) verhalen op de verweerders (...). Overeenkomstig de bepalingen van artikel 205 B.W. zijn de kinderen levensonderhoud verschuldigd aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn. Op deze rechtsgrond zijn de verweerders dan ook enkel gehouden tot tussenkomst in het levensonderhoud, terwijl betaling van verschuldigde belastingen hierin niet zijn begrepen. Het fiscaal recht is (...) autonoom, terwijl de wijze van inning van belastingen door de belastingwet wordt geregeld. Belastingen zijn principieel persoonlijke schulden, zodat de kinderen of erfgenamen niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor niet betaalde belastingen door hun ouders. Artikel 877 B.W. bepaalt enkel dat de titels die tegen de overledene uitvoerbaar waren, ook tegen de erfgenamen uitvoerbaar zijn. De verweerders hebben de nalatenschap van hun moeder verworpen door verklaring hiertoe gedaan ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 02.02.
- Dit heeft tot gevolg dat de nalatenschap nooit in het vermogen van de verwerpende erfgenamen is geweest. Fiscaalrechtelijk is de belastingschuld van de ouders in de voormelde omstandigheden dus niet verhaalbaar op kinderen. De belastingwet voorziet verder in de gedeeltelijke aftrekbaarheid van betaalde onderhoudsgelden van ouders. In deze omstandigheden gaat het dan ook niet op dat het OCMW deze belastingschuld vrijwillig betaalt om ze vervolgens te verhalen bij de vermogende kinderen. Dit zou neerkomen op een buitenwerking stellen van de wettelijke fiscale regeling, iets waar het OCMW niet toe bevoegd noch gerechtigd is. Het OCMW heeft tot taak aan de personen en de gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is, terwijl ons inziens de gemeenschap niet gehouden is de belastingen te betalen welke verschuldigd zijn, ten gevolge van voormelde wettelijk toegestane aftrekbaarheden. Wij beschouwen het dan ook niet als een vereiste van maatschappelijke dienstverlening van het OCMW om de verschuldigde belastingen te betalen of voor te schieten, welke in hoofde van de verblijfhouders in het OCMW rusthuis verschuldigd is geworden, omdat de onderhoudsplichtige van deze verblijfhouders bij toepassing van de fiscale wetgeving de betaalde onderhoudsbijdrage gedeeltelijk heeft afgetrokken van zijn inkomen. Dienvolgens kan het OCMW de aldus gedane betalingen ook niet recupereren bij toepassing van artikel 98 OCMW-wet, nu de gedane betaling van de belastingen volgens ons niet kan worden begrepen onder de kosten van de maatschappelijke dienstverlening, zoals bepaald in artikel 97 OCMW-wet. Tenslotte zij opgemerkt dat in voormelde omstandigheden, de 'begunstigde' van dergelijke maatschappelijke dienstverlening in feite de belastingen en het OCMW zelf zijn. In de algemene beslissing van 01.07.99 van het BCSD werd deze werkwijze immers onder meer gemotiveerd als volgt. '(...) dat het financieel voordeliger is voor het OCMW indien er geen beslag mogelijk is of indien de ontvanger der belastingen niet tot beslag overgaat'. hetgeen er toch op wijst dat de beoogde 'maatschappelijke dienstverlening' ook door eigen belang werd ingegeven. Inderdaad dergelijke beslagen brengen een hele hoop administratieve rompslomp met zich, die inderdaad veel kost aan personeel en administratie. Artikel 97 OCMW-wet voorziet echter uitdrukkelijk dat gemaakte administratiekosten geen voorwerp van terugvordering kunnen uitmaken, zodat de mogelijkheid bestaat dat de genomen maatregel zou kunnen ingegeven zijn om zo weinig mogelijk administratieve kosten te maken, nu het OCMW deze niet kan terug vorderen, hetgeen zou neerkomen op een miskenning van het door artikel 97 ingestelde verbod. Bovendien heeft de werkwijze van (de eiser) een ping-pong effect, zodat men zich zou kunnen afvragen waarmee we bezig zijn? De verweerders zullen immers de terug betaalde belastingen aftrekken bij hun volgende belastingaangifte, waarop hun moeder weer meer belastingen moet betalen, waarna de verweerders ze weer zullen aftrekken, enz. en dit alles zogezegd in het kader van maatschappelijke dienstverlening...."(blz. 3, vierde alinea tot en met blz. 5, zesde alinea, van het vonnis) Grieven Krachtens artikel 1, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hieronder afgekort als OCMW-wet, heeft elke persoon recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het tweede lid van artikel 1 van de OCMW-wet bepaalt dat openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden opgericht die, onder de door die wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren. Die opdracht wordt hernomen in artikel 57, ,§1, eerste lid, van de OCMW-wet luidens welk het OCMW tot taak heeft aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Artikel 98, ,§2, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van de OCMW-wet schrijft voor dat het OCMW de kosten van maatschappelijke dienstverlening krachtens een eigen recht verhaalt op de onderhoudsplichtigen van de begunstigde tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp. Artikel 97, eerste lid, van de OCMW-wet omschrijft wat voor de toepassing van hoofdstuk VII van de OCMW-wet ("Terugbetaling door particulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening") onder "kosten van maatschappelijke dienstverlening" moet worden verstaan. Eerste onderdeel Eerste subonderdeel De vrederechter stelt vast dat de belastingwet voorziet in de gedeeltelijke aftrekbaarheid van de aan ouders betaalde onderhoudsgelden (blz. 4, vierde alinea, van het vonnis). Hij overweegt dat eiser de taak heeft aan de personen en de gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is en dat de gemeenschap niet gehouden is de belastingen te betalen die ingevolge die wettelijk toegestane aftrekbaarheid verschuldigd zijn (blz. 4, zevende alinea, van het vonnis). De vrederechter oordeelt dat het dan ook niet als een vereiste maatschappelijke dienstverlening van de eiser kan worden beschouwd de belastingen te betalen of voor te schieten die de verblijfhouders in het OCMW-rusthuis verschuldigd zijn omdat hun onderhoudsplichtige de door hem betaalde onderhoudsbijdrage gedeeltelijk van zijn inkomen heeft afgetrokken (blz. 4, achtste alinea, van het vonnis). Hij besluit dat eiser de aldus gedane betalingen bijgevolg niet kan recupereren met toepassing van artikel 98 van de OCMW-wet, aangezien zij niet kunnen worden begrepen onder kosten van maatschappelijke dienstverlening zoals bepaald in artikel 97 van de OCMW-wet (blz. 4, negende alinea, van het vonnis). Ook overweegt de vrederechter dat de omstandigheid dat de verweerders de terugbetaalde belastingen bij hun volgende belastingsaangifte zouden kunnen aftrekken, de betaling van belastingen door eiser het karakter van maatschappelijke dienstverlening ontneemt ("dit alles zogezegd in het kader van maatschappelijke dienstverlening" blz. 5, zesde alinea, van het vonnis). De vrederechter onderzoekt daarbij niet of het betalen door eiser van de belastingen verschuldigd door OCMW-rustoordbewoners op de door hen ontvangen onderhoudsbijdragen, tot doel heeft die rustoordbewoners in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid en meer bepaald of het betalen door eiser van de personenbelasting voor de inkomstenjaren 1998, 1999 en 2000, verschuldigd door de moeder van de verweerders, dat doel nastreefde ten aanzien van haar. Evenmin stelt de vrederechter vast dat dit niet het geval was. Uit de vaststellingen van de vrederechter, noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het wettelijk doel van maatschappelijke dienstverlening, de menselijke waardigheid verzekeren, niet werd of kon worden bereikt door het betalen door eiser van de belastingen die de moeder van de verweerders, die verbleef in een rusthuis van de eiser, verschuldigd was op ontvangen onderhoudsbijdragen. Nochtans is het enige wettelijke criterium voor het subjectief recht op maatschappelijke dienstverlening bepaald in artikel 1, eerste lid, van de OCMW-wet dat de dienstverlening ertoe moet strekken de begunstigde in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het vervuld zijn van die voorwaarde moet worden nagegaan bij ieder concreet geschil over de vraag of een handeling van een OCMW deel uitmaakt van de maatschappelijke dienstverlening waarmee het is belast. Aangezien de vrederechter zijn beslissing de vordering van de eiser af te wijzen, steunt op de overweging dat het betalen of voorschieten van de door verblijfhouders in het OCMW-rusthuis verschuldigde belastingen op ontvangen onderhoudsbijdragen geen vereiste maatschappelijke dienstverlening is, zonder te onderzoeken of, dan wel vast te stellen dat die betaling of dat voorschot niet tot doel heeft de verblijfhouders, meer bepaald de moeder van de verweerders, in de mogelijkheid te stellen een menswaardig bestaan te leiden, verantwoordt de vrederechter zijn beslissing dat de eiser de betaling van de belastingen niet kan recupereren als kosten van maatschappelijke dienstverlening, niet naar recht (schending van de artikelen 1, 57, ,§1, 97, inzonderheid eerste en tweede lid, en 98, ,§2, inzonderheid eerste lid, eerste gedachtestreepje, van de OCMW-wet). Tweede subonderdeel De kosten van de maatschappelijke dienstverlening die krachtens artikel 98, ,§2, van de OCMW-wet op de onderhoudsplichtigen kunnen worden verhaald, worden opgesomd in artikel 97 van de OCMW-wet. Het gaat om door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan de begunstigde gedane betalingen in speciën, de kosten van in natura verleende hulp, de kosten van hospitalisatie, de kosten van huisvesting, met inbegrip van die welke gemaakt zijn in de inrichtingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, en de kosten berekend volgens vooraf vastgestelde algemene tarieven kunnen worden teruggevorderd. Alleen administratie-, onderzoekskosten en kosten van bepaalde prestaties die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn krachtens artikel 60 van de OCMW-wet verricht, worden uitdrukkelijk van het begrip "kosten van maatschappelijke dienstverlening" uitgesloten (art. 97, eerste en tweede lid, OCMW-wet). De vrederechter steunt zijn beslissing tot afwijzing van de vordering van de eiser tot terugbetaling door de verweerders van de door de eiser vereffende belastingen van hun moeder onder meer op de overweging dat "de mogelijkheid bestaat dat de genomen maatregel zou kunnen ingegeven zijn om zo weinig mogelijk administratieve kosten te maken, nu het OCMW deze niet kan terugvorderen, hetgeen zou neerkomen op een miskenning van het door artikel 97 ingestelde verbod". Het is evenwel niet omdat de toekenning van maatschappelijke dienstverlening voor een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een besparing op administratiekosten oplevert, dat de kosten van die maatschappelijke dienstverlening niet door dat openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen worden teruggevorderd krachtens artikel 98 van de OCMW-wet. De toekenning van maatschappelijke dienstverlening is alleen afhankelijk van het vervuld zijn van het wettelijk criterium van de menselijke waardigheid, zoals bepaald in artikel 1 van de OCMW-wet. Eventuele bijkomstige beweegredenen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om maatschappelijke dienstverlening in de een of andere vorm toe te kennen of "neveneffecten" van die toekenning doen aan de wettigheid daarvan geen afbreuk. Dat de betaling van de belastingen van M.L.M. aan het criterium van de menselijke waardigheid beantwoordt, wordt, zoals aangevoerd in het eerste onderdeel, door de vrederechter evenwel ten onrechte niet onderzocht. Bovendien sluit artikel 97 van de OCMW-wet, dat een opsomming geeft van wat onder "kosten van maatschappelijke dienstverlening" moet worden begrepen, de terugvordering van in de plaats van de begunstigde betaalde belastingen niet uit. Het bedrag van de betaalde belastingen is integendeel een betaling in speciën, die expliciet wordt genoemd in het eerste lid, 1, van die bepaling. Door de vordering van de eiser tot terugbetaling door de verweerders van de belastingen op onderhoudsbijdragen van M.L.M. als ongegrond af te wijzen op de overweging dat de betaling van de belastingen van een OCMW-rustoordbewoner zou kunnen ingegeven zijn door de overweging zo weinig mogelijk administratieve kosten te maken, schendt de vrederechter de artikelen 1, 97, inzonderheid eerste en tweede lid, en artikel 98, ,§2, inzonderheid eerste lid, eerste gedachtestreepje, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel Krachtens artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek zijn de kinderen levensonderhoud verschuldigd aan hun ouders en andere bloedverwanten in opgaande lijn die behoeftig zijn. Het levensonderhoud bevat alles wat noodzakelijk is om een menswaardig bestaan te leiden. Dat is meer dan wat nodig is om in leven te blijven. Het gaat niet alleen om voeding, kledij, huisvesting en verwarming, maar ook om een redelijke ontspanning, medische verzorging, kosten van de laatste ziekte en zelfs begrafeniskosten. De vrederechter beslist dat de verweerders op grond van artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek enkel gehouden zijn tot tussenkomst in het levensonderhoud van hun moeder, M.L.M. , terwijl de betaling van verschuldigde belastingen hierin niet is begrepen. Aldus weigert de vrederechter alle door de onderhoudsgerechtigde aan de overheid verschuldigde belastingen te beschouwen als levensonderhoud in de zin van artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek. De vrederechter houdt geen rekening met de concrete omstandigheden en de graad van behoeftigheid van M.L.M. . Hij onderzoekt niet of de betaling van de belastingschuld van M.L.M. door de eiser noodzakelijk was om haar in staat te stellen een menswaardig bestaan te leiden. Nochtans kan de betaling, door de onderhoudsplichtige, van het bedrag van een fiscale schuld van de onderhoudsgerechtigde, afhankelijk van de concrete omstandigheden, noodzakelijk zijn om de onderhoudsgerechtigde toe te laten een menswaardig leven te leiden. Zo stelt een behoeftige ouder die zijn fiscale schuld niet kan betalen bij gebrek aan financiële middelen, zich bloot aan een constante dreiging van uitvoerend beslag op zijn inkomsten en/of goederen. Telkens moet aan de hand van de concrete omstandigheden worden nagegaan of de betaling van een bedrag gelijk aan de belastingsschuld van de onderhoudsgerechtigde al dan niet behoort tot de onderhoudsplicht van artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek. Meer bepaald moet worden rekening gehouden met de mogelijkheden van de onderhoudsgerechtigde om de belastingsschuld met eigen financiële middelen te vereffenen, de gevolgen van die eventuele betaling op het geheel van diens bestaansmiddelen, de kans op beslag bij niet-betaling van de schuld en zelfs met de oorsprong van de belasting. De vrederechter diende dan ook in concreto na te gaan of de betaling van het bedrag van de fiscale schuld van M.L.M. voor de aanslagjaren 1998, 1999 en 2000 noodzakelijk was om haar toe te laten een menswaardig bestaan te leven. Aangezien de vrederechter, om de vordering van de eiser af te wijzen, steunt op de overweging dat kinderen krachtens artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek niet gehouden zijn de door hun ouders verschuldigde belastingen te betalen, zonder te onderzoeken of dan wel vast te stellen dat de betaling van de fiscale schuld van M.L.M. niet noodzakelijk was om haar toe te laten een menswaardig bestaan te leiden, verantwoordt de vrederechter zijn beslissing dat de eiser de betaling van de belastingen niet kan recupereren als kosten van maatschappelijke dienstverlening, niet naar recht (schending van de artikelen 205 van het Burgerlijk Wetboek en 98, ,§2, inzonderheid eerste lid, eerste gedachtestreepje, van de OCMW-wet). Tweede subonderdeel Artikel 208 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat levensonderhoud slechts wordt toegestaan naar verhouding van de behoeften van hem die het vordert en van het vermogen van hem die het verschuldigd is. Schulden van de onderhoudsgerechtigde kunnen zijn behoeftigheid beïnvloeden. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van de zaak, moet met die schulden dan ook rekening worden gehouden bij het bepalen van de graad van behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde. Dat geldt in elk geval voor een fiscale schuld, die niet vrijwillig door de onderhoudsgerechtigde werd aangegaan. De vrederechter beslist dat verweerders op grond van artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek enkel gehouden zijn tot tussenkomst in het levensonderhoud, terwijl de betaling van verschuldigde belastingen hierin niet is begrepen. De vrederechter houdt daarbij volstrekt geen rekening met de concrete omstandigheden van de zaak. Hij onderzoekt niet de graad van behoeftigheid van M.L.M. en de invloed van de belastingschuld op haar behoeftigheid. Aangezien de vrederechter, om de vordering van de eiser af te wijzen, steunt op de overweging dat kinderen krachtens artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek niet gehouden zijn om de door hun ouders verschuldigde belastingen te betalen, zonder te onderzoeken noch vast te stellen dat de fiscale schuld van M.L.M. haar behoeftig maakte of haar behoeftigheid vergrootte, verantwoordt de vrederechter zijn beslissing dat eiser de betaling van de belastingen niet kan recupereren als kosten van maatschappelijke dienstverlening, niet naar recht (schending van de artikelen 205 en 208 van het Burgerlijk Wetboek en 98, ,§2, inzonderheid eerste lid, eerste gedachtestreepje, van de OCMW-wet). Conclusie De vrederechter verklaart de vordering van de eiser niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 1, 57, ,§1, 97, inzonderheid eerste en tweede lid, en 98, ,§2, inzonderheid eerste lid, eerste gedachtestreepje, van de OCMW-wet en van de artikelen 205 en 208 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Het bestreden vonnis wordt niet bekritiseerd in zoverre het oordeelt dat de eiser geen recht kon laten gelden op terugbetaling van de betaalde belastingen op grond van de gegeven borgtocht. Het wordt evenmin bekritiseerd in zoverre het oordeelt dat de belastingschuld van de moeder van de verweerders niet verhaalbaar was op haar kinderen en oordeelt dat de eiser de belasting vrijwillig betaald heeft aan de fiscus. Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
- Artikel 1, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna OCMW-wet) bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Artikel 57 van de OCMW-wet bepaalt dat onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak heeft aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.
- Onder hoofdstuk VII van de wet betreffende de terugbetaling door particulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening, bepaalt artikel 97, eerste en tweede lid, dat voor de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk VII onder "kosten van de maatschappelijke dienstverlening" dient te worden verstaan: - de betalingen in speciën; - de kosten van de in natura verleende hulp; - de kosten van hospitalisatie; - de kosten van huisvesting met inbegrip van die welke gemaakt zijn in de inrichtingen van het centrum; - de kosten berekend volgens vooraf vastgestelde algemene tarieven. - zijn uitgesloten de administratie- en onderzoekskosten, alsmede de kosten van de prestaties van het centrum bedoeld door artikel 60, ,§1, 2 en
- Uit artikel 97 van de OCMW-wet blijkt dat het OCMW bij de terugbetaling door particulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening enkel aanspraak kan maken op terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening bedoeld in dit artikel. Het is daarbij irrelevant of de betaling of het voorschieten van belastingen een verblijfhouder in de mogelijkheid stelt een menswaardig bestaan te leiden, zodat de vrederechter voor de correcte toepassing van artikel 97 niet gehouden was dit onderzoek te doen. Het subonderdeel faalt naar recht. Tweede subonderdeel
- Het subonderdeel gaat ervan uit dat de vrederechter de vordering afwijst op de grond dat de betaling van belastingen van een OCMW-rustoordbewoner zou kunnen ingegeven zijn door de overweging zo weinig mogelijk niet-verhaalbare administratieve kosten te maken.
- De vrederechter wijst de vordering van de eiser in zoverre gesteund op artikel 97 van de OCMW-wet ook af op de grond dat het betalen of voorschieten van belastingen niet te beschouwen is als een vereiste maatschappelijke dienstverlening. Het subonderdeel dat berust op een onvolledige lezing, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het vonnis baseert zijn beslissing op de in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde zelfstandige redenen.
- Het oordeel van de vrederechter omtrent de draagwijdte van artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek is dan ook een overtollige motief, zodat het hiertegen aangevoerd verweer niet ontvankelijk is. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 515,09 euro jegens de eisende partij Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 23 februari 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070223.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div