← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070302.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070302.1 Rolnummer: C.05.0154.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 708 - laatst gezien 2026-07-03 11:34 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070302.1 Fiche 1 De derde-beslagene kan niet weigeren de verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag op grond van grieven die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het beslag

(1).
(1)Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Beslag onder derden - Derde-beslagene - Verklaring - Weigering - Grond Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1452, 1456, 1542 en 1543 Fiches 2 - 3 De artikelen 5 en 6 Verdrag van Ottawa van 20 september 1951, nopens de Rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar nationale staf, sluiten iedere tenuitvoerlegging op het vermogen van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie uit
(1).
(1)Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Uitvoerend beslag onder derden - Noord-Atlantische Verdragsorganisatie - Gevolg Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Noord-Atlantische Verdragsorganisatie - Beslag - Gedwongen tenuitvoerlegging - Uitvoerend beslag onder derden - Gevolg Fiches 4 - 5 De bepalingen uit het nationale recht kunnen geen afbreuk doen aan de internationale regels en de rechter moet, ingeval van conflict tussen een regel van nationaal recht en een regel van internationaal recht, eerstgenoemde regel buiten toepassing verklaren
(1).
(1)Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - GEVOLGEN VAN INTERNATIONALE NORMEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Conflict - Verplichting van de rechter Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Internationale regel - Regel van nationaal recht - Conflict - Verplichting van de rechter Fiches 6 - 10 Concl. adv.-gen. Dubrulle, Cass., 2 maart 2007, AR C.05.0154.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Beslag onder derden - Derde-beslagene - Verklaring - Weigering - Grond Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Uitvoerend beslag onder derden - Noord-Atlantische Verdragsorganisatie - Gevolg Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Noord-Atlantische Verdragsorganisatie - Beslag - Gedwongen tenuitvoerlegging - Uitvoerend beslag onder derden - Gevolg Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - GEVOLGEN VAN INTERNATIONALE NORMEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Conflict - Verplichting van de rechter Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Internationale regel - Regel van nationaal recht - Conflict - Verplichting van de rechter Tekst van de beslissing Nr. C.05.0154.N ING BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen B.I., verweerster, aan wie rechtsbijstand werd verleend op 25 april 2005 onder nummer G.05.0075.N, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 februari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van het Verdrag nopens de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf, ondertekend te Ottawa op 20 september 1951, waarvan de vertaling is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 maart 1955, p. 1 160 e.v. (hierna het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 genoemd); - het enig artikel van de wet van 1 februari 1955 houdende goedkeuring van de overeenkomst betreffende de rechtspositie van de organisatie van het Noord-Atlantisch verdrag, van de Nationale Vertegenwoordiger en van het international personeel, zomede van de verklaring van de Belgische, de Luxemburgse en Nederlandse regering, ondertekend te Ottawa, op 20 september 1991 (B.S. 6 maart 1955, p. 1154 e.v.); - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1452, 1453, 1454, 1455, 1456, 1539, 1542 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel houdend voorrang van de internationaalrechtelijke regels in geval van conflict met regels van nationaal recht. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren in het bestreden arrest het hoger beroep van de eiseres tegen het vonnis van de beslagrechter te Brussel van 9 november 2001 ontvankelijk doch ongegrond, bevestigen het beroepen vonnis, waarbij de eiseres eenvoudig schuldenaar werd verklaard ten aanzien van de verweerster voor een bedrag van 200.000 BEF (4.957,87 euro) meer de gerechtelijke interesten en veroordelen de eiseres in de kosten, op grond van volgende redenen: ¿
  1. De vordering van (de verweerster) is gesteund op artikel 1542 Ger. W. dat bepaalt dat de derde-beslagene die zijn verklaring niet doet binnen de vijftien dagen of niet met nauwkeurigheid heeft gedaan en zoals gezegd in artikel 1452, schuldenaar kan worden verklaard, voor het geheel of voor een gedeelte van de oorzaken van het beslag, alsmede voor de kosten daarvan, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste vallen. (¿)
  2. Het is een vaststaand feit dat (de eiseres) in haar hoedanigheid van derde-beslagene geen verklaring conform artikel 1452 Ger. W. heeft afgelegd vermits zij, na verwezen te hebben naar het Verdrag afgesloten te Ottawa, besloten heeft het uitvoerend beslag onder derden als zonder gevolg te beschouwen. Ook na ontvangst van de brief van 14 juni 2000 van de raadsman van (de verweerster) die aandrong op het bekomen van een verklaring van derde-beslagene, heeft zij geweigerd hierop in te gaan. (De eiseres) steunt zich op de uitvoeringsimmuniteit waarvan de NAVO krachtens voormeld verdrag van Ottawa zou genieten om haar verzuim een correcte verklaring van derde-beslagene te hebben afgelegd, te rechtvaardigen. Zij stelt dat zij als derde-beslagene gerechtigd is de regelmatigheid van het uitvoerend beslag onder derden te betwisten en meent dat de uitvoeringsimmuniteit waarvan de NAVO geniet voor gevolg heeft dat de fondsen die haar toebehoren niet voor beslag vatbaar zijn zodat het uitvoerend beslag onregelmatig is en zij tegen dat beslag kan opkomen. Er moet vooreerst worden onderzocht of het aan de derde-beslagene behoort bij het afleggen van zijn verklaring standpunt in te nemen nopens de vraag of bepaalde goederen die het voorwerp uitmaken van een uitvoerend beslag onder derden op grond van wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen al dan niet beslagbaar zijn. De derde-beslagene is vreemd aan de rechtsverhoudingen die tussen de beslaglegger en de beslagene bestaan. Het komt hem niet toe na te gaan of het in zijn handen gelegd beslag rechtmatig is. Hij mag geen standpunt innemen in het voordeel van de beslagene en mag dan ook niet weigeren zich naar het voorschrift van artikel 1539 Ger. W. te schikken omdat hij van oordeel is dat de goederen die in beslag werden genomen niet voor beslag vatbaar zijn. Zulk verweer tegen een uitvoerend beslag moet gevoerd worden door de beslagene zelf aan wie het beslag wordt aangezegd en die krachtens artikel 1541 Ger. W. verzet mag aantekenen tegen het uitvoerend beslag onder derden hetgeen schorsende werking heeft zodat de derde-beslagene de gelden niet meer uit handen mag geven. (De eiseres) werpt op dat wanneer de beslagene nalaat om verzet in te stellen het de derde-beslagene wel toegelaten is om tegen een beslag onder derden op te komen in de mate dat hij over een belang beschikt. Zij houdt voor dat zij te dezen een rechtmatig belang had om geen gevolg te geven aan het in haar handen ten laste van de NAVO gelegde beslag omdat de in beslag genomen gelden immuun zijn voor dwanguitvoering zodat zij gehandeld zou hebben in strijd met de met de NAVO gesloten rekeningovereenkomst en de krachtens die overeenkomst wegende discretieplicht zou miskend hebben indien zij haar verplichtingen van derde-beslagene zou uitgevoerd hebben en een nauwkeurige verklaring van derde-beslagene zou hebben afgelegd. Wanneer de derde-beslagene over een eigen belang beschikt om tegen een uitvoerend beslag onder derden op te komen, is hij gerechtigd tegen dit beslag in verzet te komen. Hij is evenwel niet gerechtigd om zelf te beslissen naar aanleiding van het opstellen van zijn verklaring van derde-beslagene of hij al dan niet gevolg moet geven aan het in zijn handen gelegde beslag om reden dat hij van oordeel is dat de goederen die hij onder zich heeft niet voor beslag vatbaar zijn. Te dezen heeft (de eiseres) geen verzet aangetekend tegen het uitvoerend beslag van 31 mei 2000, zij heeft de betwisting in rechte ook niet aan de beslagrechter voorgelegd in het kader van artikel 1498 Ger. W. Zij toont zelfs niet aan dat zij aan de NAVO gevraagd heeft of zij al dan niet gevolg moest geven aan het litigieuze beslag doch heeft zelf beslist hieraan geen gevolg te geven zodat zij duidelijk de voorschriften van de artikelen 1539 en 1542 Ger. W. heeft miskend. (De eiseres) laat ook gelden dat zij gerechtigd was geen gevolg te geven aan het beslag omdat de immuniteiten van de NAVO erga omnes werken en absoluut zijn zodat elke uitvoeringsdaad ten laste van de organisatie van rechtswege zonder gevolg dient te blijven. Zij haalt rechtspraak aan van het Hof van Cassatie (Cass. 19 april 1990, RW., 1990-1991, p. 562) waarin, volgens haar, gesteld werd dat de derde-beslagene een fout heeft begaan wanneer hij zonder enig protest gevolg heeft gegeven aan een zogenaamd beslag waarvan hij de flagrante onregelmatigheid diende te beseffen. Deze rechtspraak is niet relevant voor huidige betwisting nu in het geval voorgelegd aan het Hof van Cassatie precies geen beslag werd gelegd doch een buitengerechtelijk verzet tegen betaling waaraan de betrokken bank gevolg had gegeven, wat als foutief werd beschouwd, terwijl te dezen het uitvoerend beslag volledig regelmatig werd gelegd op grond van een uitvoerbaar vonnis dat in kracht van gewijsde is getreden. Enkel meent (de eiseres) hieraan geen gevolg te kunnen geven gelet op de uitvoeringsimmuniteit die de beslagen, volgens haar, geniet. Het komt niet toe aan de derde-beslagene om te oordelen over de draagwijdte van een immuniteitsregeling ten aanzien van een internationale organisatie. De uitvoering van een uitvoerbare gerechtelijke beslissing op alle goederen van de schuldenaar is de regel, het inroepen van een wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling om te ontsnappen aan deze uitvoering is de uitzondering zodat het enkel aan de beslagene zelf toekomt om zich tegen een eventuele dwangmaatregel te verzetten. Terecht heeft de eerste rechter bijgevolg geoordeeld dat de inhoud van de verklaring van derde-beslagene door (de eiseres) afgelegd niet aan de wettelijke vereisten zoals gepreciseerd in artikel 1452 Ger. W. beantwoordt. De ingestelde vordering is enkel gesteund op artikel 1542 Ger. W.. De partijen hebben voor de beslagrechter geen vordering ingesteld met betrekking tot de rechtmatigheid of de regelmatigheid van het op 31 mei 2000 gelegd uitvoerend beslag onder derden zodat noch de eerste rechter noch het hof zich daarover moeten uitspreken¿ (p. 3-6 van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel De eiseres voerde in conclusie voor de appelrechters aan: ¿
  3. Daarnaast is te onderstrepen dat het verdrag van Ottawa' de eigendommen en bezittingen van de NAVO, waar deze ook gelegen zijn, en wie deze ook onder zich heeft, vrijstelt van onderzoek en van iedere andere vorm van dwang'. (De eiseres) via een verklaring van derde beslagene dwingen om de eventuele aan de NAVO toekomende rekeningtegoeden zonder de toestemming van de NAVO te onthullen, vormt een duidelijke inbreuk op hogervermelde bepaling. Er is aan te herinneren dat de bepalingen van dit verdrag er precies op gericht zijn de NAVO een statuut te verschaffen dat haar moet toelaten om haar functies en missie, zonder inmenging van buitenaf uit te oefenen (cfr. de preambule van het verdrag van Ottawa). De missie van de NAVO, zoals gedefiniëerd in het Verdrag van Washington van 4 april 1949 is immers onmiskenbaar strategisch (art. 5 vermeldt uitoefening van het recht van verdediging middels een individuele of collectieve gewapende actie). Het Verdrag van Washington voorziet met dat oogmerk in het bestaan van organen, waarvan uitdrukkelijk wordt gesteld dat zij op elk moment bijeen dienen te kunnen komen en te beraadslagen (artikel 9). Het is duidelijk dat die expressis verbis vooropgestelde continuiteit van de organen van de NAVO slechts kan worden verzekerd, indien haar financiële middelen van elke maatregel van beslag en van onderzoek gevrijwaard blijven. In dat perspectief moet de NAVO gevrijwaard blijven tegen de (gedwongen) onthulling van zowel de omvang als van de lokalisatie van haar tegoeden bij financiële instellingen, onder de vorm van een verklaring van derde-beslagene. Het afleggen van een dergelijke verklaring (in de hypothese dat die al niet op grond van de artikels 7 en 8 (voetnoot II: respectievelijk het archiefgeheim en de uitsluiting van financiële controle) van het Verdrag van Ottawa zou zijn verboden), zou derden immers toelaten om de (belangrijkste) werkingsmiddelen van de NAVO te lokaliseren. In haar beroepsconclusie meent (de verweerster) dit te kunnen bestrijden, stellende: - dat er weinig geheimen bestaan over het feit dat de NAVO over rekeningen beschikt bij (de eiseres): (de eiseres) laat die opmerking voor rekening van (de verweerster). - dat de budgetten van de NAVO ter beschikking staan van éénieder die het wil op internet: (de eiseres) doet opmerken dat die publicaties geenszins aangeven waar en voor welk bedrag de tegoeden van de NAVO gelocaliseerd zijn. Het zal partijen met slechte bedoelingen (vb. hackers) derhalve weinig baten. - dat de tegoeden van de NAVO die (de eiseres) onder zich heeft geenszins onthullen wat het totaalbedrag van diens gelden op eventuele andere rekeningen is: De pertinentie van die bewering ontsnapt (de eiseres) volkomen. Wanneer er beslag in handen van een bankinstelling wordt gelegd, dan is die bankinstelling verplicht om opgave te doen van alle aan de beslagene toekomende tegoeden onverschillig op welke bankrekening van die instelling zij zich bevinden en onverschillig voor welk (ev. futiel) bedrag er beslag werd gelegd. Door met een enkel beslagexploot (bewarend) beslag te leggen in handen van een tiental grootbanken met zetel of bijkantoor in Brussel, zou men ongetwijfeld reeds ver komen. (De verweerster) voert aan dat het afleggen van de verklaring van derde beslagene geenszins de ¿continuïteit van de openbare dienst' (wat dat in hoofde van een internationale organisatie zou betekenen wordt niet verduidelijkt !) in het gevaar brengt. Weerom komt (de verweerster) hier op de proppen met begrippen die op de immuniteiten waarvan internationale organisaties genieten, niet van toepassing zijn (zie hoger). Het verbod tot onderzoek naar en het uitoefenen van dwang op de activa van de NAVO is luidens art. 6 van het verdrag van Ottawa trouwens absoluut, zodat enige rechterlijke toetsing uitgesloten is.¿ (p. 12- 13 van de conclusie voor de eiseres). Aldus voerde de eiseres op omstandige en precieze wijze in conclusie aan dat het haar krachtens de bepalingen van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 verboden was een verklaring van derde-beslagene te leggen die betrekking zou hebben op de banktegoeden van de NAVO. De appelrechters beantwoorden dit verweer niet en miskennen mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Krachtens artikel 4 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951, heeft de NAVO de bevoegdheid overeenkomsten aan te gaan en roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden. De NAVO, haar eigendommen en bezittingen, waar deze ook gelegen zijn en wie deze ook onder zich heeft, zijn krachtens artikel 5 van voormeld verdrag vrijgesteld van rechtsvervolging behoudens het in die bepaling bedoelde geval van afstand van immuniteit. De afstand van immuniteit spreidt zich niet uit tot maatregelen van dwang of tenuitvoerlegging. Artikel 6 van voormeld verdrag bepaalt dat de eigendommen en bezittingen van de NAVO, waar deze ook gelegen zijn en wie deze ook onder zich heeft, vrijgesteld zijn van onderzoek, vordering, confiscatie, onteigening of van iedere andere vorm van dwang. Krachtens artikel 8 van voormeld verdrag mag de NAVO valuta's van enigerlei aard bezitten en in iedere geldsoort rekeningen hebben. Het enig artikel van de wet van 1 februari 1955 houdende goedkeuring van de overeenkomst betreffende de rechtspositie van de organisatie van het Noord-Atlantisch verdrag, van de Nationale Vertegenwoordiger en van het internationaal personeel, zomede van de verklaring van de Belgische, de Luxemburgse en Nederlandse regering, ondertekend te Ottawa, op 20 september 1951, verleent aan de bepalingen van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 ¿volkomen uitwerking¿. Voornoemde bepalingen van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 hebben derhalve rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde en, overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel houdend voorrang van de internationaalrechtelijke regels in geval van conflict met regels van nationaal recht, voorrang op de strijdige bepalingen van Belgisch recht. Krachtens voornoemde bepalingen van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 kunnen onder meer de tegoeden van de NAVO bij financiële instellingen niet het voorwerp vormen van enig onderzoek, vordering, beslag of andere vorm van dwang. Die bepalingen beogen de continuïteit van de NAVO en haar organen te verzekeren. De in de artikelen 1452, 1453, 1454, 1455, 1456, 1539, 1542 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring van derde-beslagene heeft tot doel de schuldeiser-beslaglegger in staat te stellen alle dienstige gegevens te vernemen betreffende de vaststelling van zijn rechten, en in het bijzonder: - de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeisbaarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten; - de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schuldenaar is van de beslagene; - de opgave van de beslagnemingen onder derden waarvan aan de derde-beslagene reeds kennis is gegeven; - en is aldus een maatregel van onderzoek, vordering, confiscatie of andere vorm van dwang, waarvan de goederen van de NAVO krachtens artikel 6 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 zijn vrijgesteld. Het afleggen door de derde-beslagene van bedoelde verklaring m.b.t. de financiële tegoeden die de NAVO bij hem heeft, zou in hoofde van de derde-beslagene een inbreuk uitmaken op artikel 6 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 2000 (lees: 1951), dat de goederen van de NAVO vrijstelt van maatregelen van onderzoek, vordering, confiscatie of iedere andere vorm van dwang. Krachtens de als geschonden aangeduide bepalingen van het Verdrag van Ottawa van 20 september 2000 (lees: 1951), die rechtstreekse werking hebben in de Belgische rechtsorde en voorrang hebben op de strijdige internrechterlijke bepalingen, diende de eiseres zich dus te onthouden van het afleggen van een verklaring van derde-beslagene betreffende de banktegoeden van de NAVO. Door de eiseres desalniettemin wegens het niet afleggen van een verklaring van derde-beslagene eenvoudig schuldenaar te verklaren ten aanzien van de verweerster voor een bedrag van 4.957,87 euro, schenden de appelrechters de artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 en het enige artikel van de wet van 1 februari 1955 houdende goedkeuring van de overeenkomst betreffende de rechtspositie van de organisatie van het Noord-Atlantisch verdrag, van de Nationale Vertegenwoordiger en van het internationaal personeel, zomede van de verklaring van de Belgische, de Luxemburgse en Nederlandse regering, ondertekend te Ottawa, op 20 september
  4. Bovendien verlenen de appelrechters, door eiseres op grond van artikel 1542 van het Gerechtelijk Wetboek eenvoudig schuldenaar te verklaren ten aanzien van de verweerster, voorrang aan de bepalingen van het nationaal recht - namelijk de artikelen 1452, 1453, 1454, 1455, 1456, 1539, 1542 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de verklaring van derde-beslagene - boven de daarmee strijdige internationaalrechtelijke regels - namelijk de vermelde bepalingen van het Verdrag van Ottawa van 20 september
  5. Aldus miskennen de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel houdend voorrang van de internationaalrechtelijke regels in geval van conflict met regels van nationaal recht. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 5 en 6 van het Verdrag nopens de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf, ondertekend te Ottawa op 20 september 1951, waarvan de vertaling is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 maart 1955, p. 1 160 e.v. (hierna het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 genoemd); - het enig artikel van de wet van 1 februari 1955 houdende goedkeuring van de overeenkomst betreffende de rechtspositie van de organisatie van het Noord-Atlantisch verdrag, van de Nationale Vertegenwoordiger en van het internationaal personeel, zomede van de verklaring van de Belgische, de Luxemburgse en Nederlandse regering, ondertekend te Ottawa, op 20 september 1951 (B.S. 6 maart 1955, p. 1 154 e.v.); - artikel 6, inzonderheid 6.1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna het EVRM genoemd); - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 38, §1, 1539 en 1544 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen beginsel inzake het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren in het bestreden arrest het hoger beroep van eiseres tegen het vonnis van de beslagrechter te Brussel van 9 november 2001 ontvankelijk doch ongegrond, bevestigen het beroepen vonnis, waarbij de eiseres eenvoudig schuldenaar werd verklaard ten aanzien van de verweerster voor een bedrag van 200.000 BEF (4.957,87 euro) meer de gerechtelijke interesten en veroordelen de eiseres in de kosten, op grond van de redenen op p. 3-6 van het bestreden arrest, die hier als hernomen moeten worden aanzien, en in het bijzonder de redenen: ¿(De eiseres) steunt zich op de uitvoeringsimmuniteit waarvan de NAVO krachtens voormeld verdrag van Ottawa zou genieten om haar verzuim een correcte verklaring van derde-beslagene te hebben afgelegd, te rechtvaardigen. Zij stelt dat zij als derde-beslagene gerechtigd is de regelmatigheid van het uitvoerend beslag onder derden te betwisten en meent dat de uitvoeringsimmuniteit waarvan de NAVO geniet voor gevolg heeft dat de fondsen die haar toebehoren niet voor beslag vatbaar zijn zodat het uitvoerend beslag onregelmatig is en zij tegen dat beslag kan opkomen. Er moet vooreerst worden onderzocht of het aan de derde-beslagene behoort bij het afleggen van zijn verklaring standpunt in te nemen nopens de vraag of bepaalde goederen die het voorwerp uitmaken van een uitvoerend beslag onder derden op grond van wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen al dan niet beslagbaar zijn. De derde-beslagene is vreemd aan de rechtsverhoudingen die tussen de beslaglegger en de beslagene bestaan. Het komt hem niet toe na te gaan of het in zijn handen gelegd beslag rechtmatig is. Hij mag geen standpunt innemen in het voordeel van de beslagene en mag dan ook niet weigeren zich naar het voorschrift van artikel 1539 Ger. W. te schikken omdat hij van oordeel is dat de goederen die in beslag werden genomen niet voor beslag vatbaar zijn. Zulk verweer tegen een uitvoerend beslag moet gevoerd worden door de beslagene zelf aan wie het beslag wordt aangezegd en die krachtens artikel 1541 Ger. W. verzet mag aantekenen tegen het uitvoerend beslag onder derden hetgeen schorsende werking heeft zodat de derde beslagene de gelden niet meer uit handen mag geven. (p.4 van het bestreden arrest) (¿) (De eiseres) laat ook gelden dat zij gerechtigd was geen gevolg te geven aan het beslag omdat de immuniteiten van de NAVO erga omnes werken en absoluut zijn zodat elke uitvoeringsdaad ten laste van de organisatie van rechtswege zonder gevolg dient te blijven. Zij haalt rechtspraak aan van het Hof van Cassatie (Cass. 19 april 1990, RW., 1990-1991, p. 562) waarin, volgens haar, gesteld werd dat de derde-beslagene een fout heeft begaan wanneer hij zonder enig protest gevolg heeft gegeven aan een zogenaamd beslag waarvan hij de flagrante onregelmatigheid diende te beseffen. Deze rechtspraak is niet relevant voor huidige betwisting nu in het geval voorgelegd aan het Hof van Cassatie precies geen beslag werd gelegd doch een buitengerechtelijk verzet tegen betaling waaraan de betrokken bank gevolg had gegeven, wat als foutief werd beschouwd, terwijl te dezen het uitvoerend beslag volledig regelmatig werd gelegd op grond van een uitvoerbaar vonnis dat in kracht van gewijsde is getreden. Enkel meent (de eiseres) hieraan geen gevolg te kunnen geven gelet op de uitvoeringsimmuniteit die de beslagen, volgens haar, geniet. Het komt niet toe aan de derde-beslagene om te oordelen over de draagwijdte van een immuniteitsregeling ten aanzien van een internationale organisatie. De uitvoering van een uitvoerbare gerechtelijke beslissing op alle goederen van de schuldenaar is de regel, het inroepen van een wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling om te ontsnappen aan deze uitvoering is de uitzondering zodat het enkel aan de beslagene zelf toekomt om zich tegen een eventuele dwangmaatregel te verzetten. Terecht heeft de eerste rechter bijgevolg geoordeeld dat de inhoud van de verklaring van derde-beslagene door (de eiseres) afgelegd niet aan de wettelijke vereisten zoals gepreciseerd in artikel 1452 Ger. W. beantwoordt. De ingestelde vordering is enkel gesteund op artikel 1542 Ger. W. De partijen hebben voor de beslagrechter geen vordering ingesteld met betrekking tot de rechtmatigheid of de regelmatigheid van het op 31 mei 2000 gelegd uitvoerend beslag onder derden zodat noch de eerste rechter noch het hof zich daarover moeten uitspreken¿ (p. 5-6 van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel De eiseres voerde in conclusie voor de appelrechters aan: ¿
  6. Vervolgens is te onderstrepen dat waar de rechtsleer de grieven m.b.t. de beslagbaarheid van een vordering kwalificeert als grieven m.b.t. de rechtmatigheid van het beslag, die kwalificatie ten aanzien van grieven gegrond op de immuniteiten toegekend aan internationale organisaties, niet afdoend is. De door (de verweerster) voor de eerste rechter aangehaalde rechtsleer stelt: ¿de derde-beslagene mag zich ook niet uitspreken over de rechtmatigheid van het in zijn handen gelegde beslag. De verhouding tussen de beslaglegger en diens debiteur, gaat de derde-beslagene niet aan. Hij mag het beslag niet aanvechten om reden dat die schuldvordering niet zou bestaan. Hij mag daarentegen wel grieven laten gelden die de formele geldigheid van het beslag betreffen ¿((de eiseres) onderstreept) (E. Dirix, K. Broeckx, Beslag, A.P.R., 2001, blz. 435, nr. 753). Het valt op dat (de verweerster) in haar conclusies nalaat om de laatste zinsnede van het citaat weer te geven, wat de eerlijkheid van het debat niet ten goede komt. De immuniteiten toegekend aan internationale organisaties zijn niet louter te herleiden tot een probleem van beslagbaarheid c.q. rechtmatigheid van het gelegde beslag, die in de verhouding tussen de beslaglegger en de beslagene zou zijn te beoordelen (zeker niet nu de immuniteiten van de NAVO erga omnes werken en absoluut zijn, d.i. door de rechterlijke macht niet beperkt kunnen worden). Uit de verdragsrechtelijke bepalingen volgt precies (zie hoger onder IV.1.3.1.) dat elke uitvoeringsdaad lastens de organisatie (behoudens in de gevallen waarin de organisatie daartoe een bijzondere toelating heeft gegeven) van rechtswege zonder gevolg dient te blijven, m.a.w. ongeldig is. Bijgevolg gaat het onmiskenbaar om een middel dat de regelmatigheid van het gelegde beslag betreft, waaromtrent de derde-beslagene grieven kan laten gelden. Hiervoor kan een bijkomende aanwijzing worden gevonden in de omstandigheid dat overeenkomstig artikel 1495 Ger. W. geen vonnis kan worden ten uitvoer gelegd alvorens het bij deurwaardersexploot betekend is en dat het beslagexploot overeenkomstig artikel 1539 Ger. W. aan de beslagen schuldenaar dient te worden aangezegd. Die bepalingen werden in casu zeker geschonden. De immuniteit van tenuitvoerlegging (m.n. de onschendbaarheid van de lokalen van de organisatie) verzet er zich immers tegen dat procedureakten aan de organisatie worden betekend (weze het door aanbieding ervan aan haar functionarissen of door achterlating ervan) (Zie: Secretariaat van de VN, Pratique suivie par l'Organisation des Nations Unies, les institutions spécialisées et l'Agence internationale de l'énergie atomique en ce qui concerne leur statut juridique, leurs privilièges et leurs immunités, Doc. A/CN.4/L 118 Add. I en 2, Annuaire de la commission du droit international, 1967, vol, II, blz. 257, nrs. 118 en 119), zodat het gelegde beslag in dat opzicht reeds onregelmatig is. De opwerping van (de verweerster) dat de ¿betekening' in casu via de Minister van Binnenlandse zaken (dit zou Buitenlandse Zaken moeten zijn), Dienst van het Protocol gebeurde kan niet ernstig worden genomen. (De verweerster) blijft in gebreke de wettige basis voor dergelijke betekening - die niet in het Ger. W. is voorzien - aan te reiken. Het zal (de verweerster) trouwens niet ontgaan dat de kennisgeving via het Ministerie van Buitenlandse zaken, slechts de geëigende weg is voor het verzenden van boodschappen van diplomatieke aard. Er is te besluiten dat de door een schuldeiser in strijd met een in een internationaal verdrag (met rechtstreekse werking) ingeschreven verbod tot beslaglegging, gestelde handelingen slechts loutere feitelijkheden zonder enige juridische waarde (¿des voies de fait') kunnen zijn. Zoals bekend, is de derde die geconfronteerd wordt met een dergelijke kennelijke feitelijkheid, gerechtigd om aan die feitelijkheid geen gevolg te geven en zijn grieven in verband hiermee in rechte te laten gelden. Dit geldt des te meer, nu het Hof van Cassatie reeds oordeelde dat de feitenrechter wettig kan beslissen dat de derde-beslagene onrechtmatig handelt wanneer hij zonder enig protest gevolg geeft aan een zgn. beslag waarvan hij de flagrante onregelmatigheid diende te beseffen (Cass. 19 april 1990, RW, 1990-1991, blz. 562).¿ (p. 16-17 van de conclusie voor de eiseres). Aldus voerde de eiseres op omstandige en precieze wijze in conclusie aan dat de vordering van de verweerster moest worden afgewezen, aangezien het door de verweerster gelegde derden-beslag niet regelmatig was bij gebrek aan aanzegging aan de NAVO, die immuniteit van tenuitvoerlegging geniet en wiens gebouwen onschendbaar zijn en aan wie procedure-akten derhalve niet kunnen worden betekend of aangezegd. De appelrechters beantwoorden dit verweer niet en miskennen mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Artikel 6.1 van het EVRM verleent aan eenieder het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Uit deze regel en uit het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging vloeit voort dat aan de procespartijen de mogelijkheid moet worden geboden om tegenspraak te voeren omtrent elk stuk of elk betoog dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden. Het uitvoerend beslag onder derden wordt overeenkomstig artikel 1539, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bij deurwaardersexploot binnen acht dagen aan de beslagen schuldenaar aangezegd. Krachtens artikel 1544 van het Gerechtelijk Wetboek is de derde-beslagene, indien de aanzegging van het beslag niet heeft kunnen plaatsvinden, hetzij aan de persoon of aan de werkelijke of te gekozen woonplaats van de beslagen schuldenaar, hetzij overeenkomstig artikel 38, §1, van het Gerechtelijk Wetboek slechts tot afgifte gehouden voor zover de beslagleggende schuldeiser vooraf het visum van de rechter heeft bekomen. Uit de context van voornoemde wetsbepalingen volgt dat de derde-beslagene voor de beslagrechter grieven mag laten gelden die de formele geldigheid van het beslag, en in het bijzonder grieven die de aanzegging aan de beslagene, betreffen. In zoverre de appelrechters hun beslissing gronden op de overwegingen dat ¿de derde-beslagene vreemd (is) aan de rechtsverhoudingen die tussen de beslaglegger en de beslagene bestaan¿ en ¿het hem niet toekomt na te gaan of het in zijn handen gelegd beslag rechtmatig is¿ (p. 4 van het bestreden arrest), miskennen zij de artikelen 1539, vijfde lid, en 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, die inhouden dat de derde-beslagene voor de beslagrechter grieven mag laten gelden die de formele geldigheid van het beslag betreffen. Tevens miskennen de appelrechters, door eiseres aldus het recht te ontzeggen grieven te laten gelden m.b.t. formele geldigheid van het in haar handen gelegde derden-beslag, artikel 6.1 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Derde onderdeel De NAVO, haar eigendommen en bezittingen, waar deze ook gelegen zijn en wie deze ook onder zich heeft, zijn krachtens artikel 5 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 vrijgesteld van rechtsvervolging behoudens het in die bepaling bedoelde geval van afstand van immuniteit. De afstand van immuniteit spreidt zich niet uit tot maatregelen van dwang of tenuitvoerlegging. De gebouwen van de NAVO zijn krachtens artikel 6 van voornoemd verdrag onschendbaar. Voornoemde verdragsbepalingen hebben krachtens het enig artikel van de wet van 1 februari 1955 houdende goedkeuring van de overeenkomst betreffende de rechtspositie van de organisatie van het Noord-Atlantisch verdrag, van de Nationale Vertegenwoordiger en van het internationaal personeel, zomede van de verklaring van de Belgische, de Luxemburgse en Nederlandse regering, ondertekend te Ottawa, op 20 september 1951, ¿volkomen uitwerking¿ in de Belgische rechtsorde. Ingevolge de immuniteit van tenuitvoerlegging van de NAVO en de onschendbaarheid van haar gebouwen, kunnen procedure-akten niet rechtsgeldig aan de NAVO worden betekend of aangezegd. Het uitvoerend beslag onder derden wordt overeenkomstig artikel 1539, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bij deurwaardersexploot binnen acht dagen aan de beslagen schuldenaar aangezegd. Krachtens artikel 1544 van het Gerechtelijk Wetboek is de derde-beslagene, indien de aanzegging van het beslag niet heeft kunnen plaatsvinden, hetzij aan de persoon of aan de werkelijke of de gekozen woonplaats van de beslagen schuldenaar, hetzij overeenkomstig artikel 38, §1, van het Gerechtelijk Wetboek, slechts tot afgifte gehouden voor zover de beslagleggende schuldeiser vooraf het visum van de rechter heeft bekomen. De appelrechters beslissen dat te dezen het uitvoerend beslag ¿volledig regelmatig¿ werd gelegd (p. 5 van het bestreden arrest). In zoverre die beslissing inhoudt dat het uitvoerend beslag onder derden ook regelmatig aan de beslagen schuldenaar - de NAVO - werd aangezegd, miskennen de appelrechters de artikelen 5 en 6 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951 en de daarin vastgelegde immuniteit van tenuitvoerlegging van de NAVO en de onschendbaarheid van haar gebouwen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel Ontvankelijkheid van het onderdeel
  7. De verweerster werpt op dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat de vraag naar de immuniteit van de NAVO, de beslagaarheid en derhalve de al dan niet rechtmatigheid van een beslag betreft en de derde-beslagene slechts de regelmatigheid en niet de rechtmatigheid van een beslag mag aanvechten.
  8. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel is niet te scheiden van het onderzoek van het onderdeel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Onderdeel zelf
  9. Overeenkomstig de artikelen 1452 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek, is de derde-beslagene binnen vijftien dagen na het derdenbeslag, gehouden verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag. Indien hij zijn verklaring niet doet, of ze niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan hij krachtens de artikelen 1456 en 1543 van dat wetboek schuldenaar worden verklaard voor het geheel of voor het gedeelte van de oorzaken van het beslag, alsmede voor de kosten daarvan. De derde-beslagene kan niet weigeren deze verklaring af te leggen op grond van grieven die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het beslag.
  10. Overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951, nopens de Rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar nationale staf, dat werd goedgekeurd bij wet van 1 februari 1955, zijn de eigendommen en bezittingen van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, behoudens ingeval hiervan afstand wordt gedaan, vrijgesteld van rechtsvervolging en strekt een afstand van immuniteit zich niet uit tot maatregelen van dwang of tenuitvoerlegging. Overeenkomstig artikel 6 van hetzelfde verdrag, zijn de gebouwen van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie onschendbaar en haar eigendommen en bezittingen vrijgesteld van onderzoek, vordering, confiscatie, onteigening of van iedere andere vorm van dwang. Hieruit volgt dat deze verdragsbepalingen iedere vorm van tenuitvoerlegging op het vermogen van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie uitsluiten.
  11. De bepalingen uit het nationale recht kunnen geen afbreuk doen aan internationaalrechtelijke regels en de rechter moet in geval van conflict tussen een regel van nationaal recht en een regel van internationaal recht, eerstgenoemde regel buiten toepassing verklaren.
  12. Uit de samenhang van de voormelde verdragsbepalingen en de voorrang van de internationale rechtsnormen op bepalingen van nationaal recht volgt dat een schuldenaar van de NAVO als derde-beslagene moet weigeren een verklaring van derde-beslagene in de zin van artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek af te leggen.
  13. Uit het arrest blijkt dat: - de verweerster bij exploot van 31 mei 2000 in handen van eiseres uitvoerend derdenbeslag heeft gelegd ten laste van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie; - de eiseres op 14 juni 2000 haar verklaring van derde-beslagene heeft afgelegd; - de eiseres in die verklaring heeft meegedeeld dat zij geen gevolg kan geven aan de in artikel 1542 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde verplichting, gelet op artikel 6 van het Verdrag van 20 september 1951, nopens de Rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie.
  14. Op grond van die vaststellingen verklaart het arrest de eiseres tot derde-schuldenaar van de oorzaken van het door de verweerster gelegde beslag.
  15. Door aldus te oordelen schendt het arrest de artikelen 5 en 6 van het Verdrag van Ottawa van 20 september 1951, het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van de internationale rechtsnormen op de interne norm en artikel 1456, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 2 maart 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070302.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070302.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.14 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091221.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.