id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070302.2 Rolnummer: C.06.0134.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-03 06:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de Belgische strafrechter rechtsmacht heeft met betrekking tot een bepaald misdrijf en hij dit bewezen verklaart kan hij de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensbestanddelen toepassen, ook wanneer ze zich buiten het Belgisch grondgebied bevinden en al was die mogelijkheid niet uitdrukkelijk voorzien voor de invoeging van artikel 43ter in het Strafwetboek
(1).
(1)Zie J. Rozie, Voordeelsontneming, Intersentia, Antwerpen-Oxford, nr 150; G. Stessens, De nationale en internationale bestrijding van het witwassen, Intersentia, Antwerpen-Groningen, nrs 1197-1198; D. Vandermeersch, La loi du 20 mai 1997 sur la cooperation internationale en ce qui concerne l'exécution de saisies et de confiscations - L'introduction en droit belge de la saisie immobilière pénale, R.D.P., 1997, 691 e.v.,
(699); G. Stessens, De wet van 20 juli 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen: een kritisch onderzoek, R.W., 1997-1998, 1273 e.v., (1277-1278); J. Spreutels, Blanchiment des capitaux et fraude communautaire, in "De juridische bescherming van de financiële belangen van de Europese gemeenschappen", F. Tulkens, C. Van Den Wyngaert, I. Verougstraete (ed.), Maklu, 1992, 158 en
- Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Toepassing en bestraffing Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Vermogensbestanddelen - Buiten het Belgisch grondgebied Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0134.N ESCO INTERNATIONAL SA, vennootschap naar Panamees recht, met zetel in de Republiek Panama, Edificio Tore Universal Piso 12, Avendia Frederico Boyd, PO box 8807, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- S.E.
- ANEXCO, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2050 Antwerpen, Esmoreitlaan 3, bus 68, verweerders,
- L.G.,
- D.C., verweersters, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- PARKET-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, vertegenwoordigd door de procureur-generaal, met kantoren te 1000 Brussel, Poelaertplein 1, verweerder,
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1040 Brussel, Handelsstraat 78-80, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 15 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981; - artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - de artikelen 12, 14 en 190 van de Grondwet; - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 2, 3, 4, 42.3°, 43bis, laatste lid, 43ter en 100 van het Strafwetboek (art. 42.3°, toegevoegd bij de wet van 17 juli 1990; art. 43bis, laatste lid, ingevoegd bij de wet van 17 juli 1990; art. 43 ter ingevoegd bij art. 12 van de wet van 20 mei 1997); - artikel 12 van de Wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake de tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen; - artikel 4, tweede lid, van de Wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen; - de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak; - het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wet geen terugwerkende kracht heeft. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de vordering van de eiseres om de in het arrest van 24 december 1996 van het Hof van Beroep te Brussel, 13de kamer, zitting houdende in strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie en van de tweede verweerster e.a. tegen de eerste verweerder (arrest nr. 1437) bevolen verbeurdverklaring van het bedrag van 60.132.622 BEF of 1.490.648,80 euro ten voordele van derde en vierde verweersters teniet te doen gezien die verbeurdverklaring betrekking heeft op goederen gelegen in het buitenland en om te horen bevelen dat dit tegoed wordt vrijgegeven en integraal gerestitueerd wordt aan de eiseres, ongegrond op de volgende gronden: ¿
- De eiseres heeft op 12 mei 1997 alle huidige verweerders gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.
- Deze vordering had als voorwerp: - de vernietiging of hervorming uit te spreken van het arrest van 24 december 1996 van het Hof van Beroep te Brussel waarbij een bedrag van 60.132.622 BEF werd verbeurd verklaard ten voordele van de curatoren van de failliete vennootschappen Matrim en Travco; - te horen zeggen voor recht dat de eiseres exclusief eigenares is van die som onder de vorm van het banktegoed voor dat bedrag bij Union Bancaire Privée te Zurich, Zwitserland; - te horen bevelen dat dit tegoed van 60.132.622 BEF wordt vrijgegeven en integraal wordt gerestitueerd aan de eiseres.
- De eiseres beriep zich op: - artikel 43bis, laatste lid, van het Strafwetboek, op grond waarvan iedere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, dit recht kan laten gelden binnen een termijn en volgens de modaliteiten bepaald door de Koning; - de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaring, met name binnen de 90 dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de veroordeling tot verbeurdverklaring in kracht van gewijsde is gegaan; - het nog niet verstreken zijn van die termijn, vermits het Hof van Cassatie, bij arrest van 25 februari 1997, akte heeft gegeven van de afstand van de voorziening van E.S. , dit is de persoon die bij voormeld arrest van het Hof van Beroep te Brussel werd veroordeeld, naar aanleiding waarvan in datzelfde arrest de verbeurdverklaring is uitgesproken.
- Zij beweerde: (¿) - de Belgische rechter is onbevoegd om de verbeurdverklaring uit te spreken van goederen die zich buiten het grondgebied van België bevinden; de verbeurdverklaring behoort tot de soevereiniteit van de staat waar de gelden zich bevinden; de verbeurdverklaring is onwettig. (¿)
- De eiseres houdt voor dat de Belgische rechter niet bevoegd is om zich uit te spreken over de verbeurdverklaring van goederen die zich buiten het Belgische grondgebied bevinden; de Belgische wet voorzag dit immers niet uitdrukkelijk en de latere wetswijziging die dit wel doet mag niet retroactief toegepast worden; deze wetswijziging bewijst dat het onduidelijk was of de Belgische rechter bevoegd was om fondsen verbeurd te verklaren, die zich in het buitenland bevinden.
- Deze bewering is ongegrond. De destijds geldende regels inzake bijzondere verbeurdverklaring sloten niet uit dat bijzondere verbeurdverklaring kon worden toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn getreden en op de inkomsten uit de belegde voordelen (zie artikel 42 SWB), ook al bevinden deze zich niet in België. De latere toevoeging (zie artikel 43ter, ingevoegd bij artikel 12 Wet 20 mei 1997, B.S., 3 juli 1997) dat de bijzondere verbeurdverklaring die van toepassing is op de zaken bedoeld in artikel 42, eveneens kan uitgesproken worden wanneer die zaken zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden, is de bevestiging van de bedoeling van de wetgever (Verslag Commissie voor Justitie, Gedr. St. Kamer, 1989-90, 987, 6) dat geld dat herbelegd werd in het buitenland verbeurd kan worden verklaard op grond van artikel 42, 3° SWB. (¿)
- In die omstandigheden is bewezen dat de door het hof van beroep in zijn arrest van 24 december 1996 bijzonder verbeurd verklaarde som ad 60.132.622 BEF, dit is het banktegoed van de eiseres bij de Zwitserse bank, ten voordele van de curatoren van de BVBA Matrim en de BVBA Travco, beantwoordt aan wat, krachtens artikel 42, 3° SWB kon en mocht verbeurd verklaard waren¿. Grieven Krachtens artikel 42.3° van het Strafwetboek, toegevoegd bij de wet van 17 juli 1990, kan de bijzondere verbeurdverklaring worden toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen. Ingevolge de territoriale werking van de Belgische strafwet, zoals verwoord in de artikelen 3 en 4 van het Strafwetboek, kan de bijzondere verbeurdverklaring niet worden uitgesproken wanneer die zaken zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden, tenzij de wet dit uitdrukkelijk toelaat. Deze toelating werd pas verleend door de Wet van 20 mei 1997 betreffende de internationale samenwerking inzake de tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen en verbeurdverklaringen, waardoor een internrechtelijke grondslag gecreëerd werd voor de toepassing van de internationale verdragen betreffende het beslag en de verbeurdverklaring, waardoor het artikel 43ter in het Strafwetboek werd ingevoegd en waardoor de bijzondere verbeurdverklaring eveneens kan worden uitgesproken wanneer de zaken zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden. Het Hof van Beroep te Brussel kon derhalve in zijn arrest van 24 december 1996 de banktegoeden van de eiseres bij een Zwitserse bank niet verbeurd verklaren vermits de wet van 20 mei 1997 op dat ogenblik nog niet bestond, vermits die verbeurdverklaring niet toegelaten was door een internationaal verdrag en vermits het Hof van Beroep te Brussel op dat ogenblik ingevolge de territoriale werking van de Belgische Strafwet geen verbeurdverklaring van zaken in Zwitserland kon bevelen. Door te beslissen dat de destijds geldende regels inzake bijzondere verbeurdverklaring niet uitsloten dat bijzondere verbeurdverklaring kon worden toegepast op de vermogensvoordelen, ook al bevonden deze zich niet in België, heeft het bestreden arrest de territoriale werking van de Belgische Strafwet, zoals verwoord in de artikelen 3 en 4 van het Strafwetboek, miskend en heeft het bestreden arrest het artikel 42.3° van het Strafwetboek toegepast op zaken die zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevonden zonder dat de wet dit op dat ogenblik toeliet (schending van de artikelen 3, 4 en 42.3°, van het Strafwetboek). Door te beslissen dat de latere toevoeging van het artikel 43ter van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 20 mei 1997, volgens hetwelk de bijzondere verbeurdverklaring die van toepassing is op zaken bedoeld in artikel 42, eveneens kan uitgesproken worden wanneer die zaken zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden, de bevestiging is van de bedoeling van de wetgever dat geld herbelegd in het buitenland kan worden verbeurd verklaard op grond van artikel 43.2° van het Strafwetboek en door te beslissen dat in die omstandigheden bewezen is dat de door het Hof van Beroep te Brussel in zijn arrest van 24 december 1996 bijzonder verbeurd verklaarde som van 60.132.622 BEF, zijnde het banktegoed van de eiseres bij een Zwitserse bank, beantwoordt aan wat krachtens artikel 42.3° van het Strafwetboek kon en mocht verbeurd verklaard worden, heeft het bestreden arrest ten onrechte terugwerkende kracht verleend aan artikel 12 van de wet van 20 mei 1997 waardoor artikel 43ter in het Strafwetboek gevoegd werd (schending van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, 42.3° en 43ter van het Strafwetboek, 12 van de wet van 20 mei 1997 en van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wet geen terugwerkende kracht heeft), en heeft het bestreden arrest het artikel 43ter van het Strafwetboek uitwerking verleend nog vooraleer dit artikel van kracht werd (schending van de artikelen 190 van de Grondwet, 4, tweede lid, van de wet van 31 maart 1961, 42.3° en 43ter van het Strafwetboek en 12 van de wet van 20 mei 1997). Het artikel 43ter van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 20 mei 1997, verruimt bovendien het toepassingsgebied van de bijzondere verbeurdverklaring die van toepassing is op de zaken bedoeld in artikel 42 van het Strafwetboek tot de zaken die zich buiten het grondgebied van de Belgische Staat bevinden zodat het nieuwe artikel 43ter van het Strafwetboek niet retroactief van toepassing kon verklaard worden op een bijzondere verbeurdverklaring bevolen bij arrest van 24 december 1996 vermits enkel de minst strenge strafwet terugwerkende kracht heeft (schending van de artikelen 15 BUPO, 7 E.V.R.M., 12 en 14 van de Grondwet, 2, 42.3°, 43ter, en 100 van het Strafwetboek en 12 van de wet van 20 mei 1997). Door de terugvordering van de verbeurd verklaarde banktegoeden van de eiseres bij de Zwitserse bank op die gronden af te wijzen, heeft het bestreden arrest zijn beslissing niet wettelijk gerechtvaardigd (schending van de artikelen 43bis, laatste lid, van het Strafwetboek, 1 en 3 van het koninklijk besluit van 9 september 1991). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Anders dan waar het middel van uitgaat, laten de appelrechters hun beslissing niet steunen op de toepassing van artikel 43ter van het Strafwetboek, maar voegen ten overvloede aan hun oordeel toe dat de invoering van die wetsbepaling bij de wet van 20 mei 1997 enkel de bevestiging is van de bedoeling van de wetgever dat geld dat herbelegd was in het buitenland verbeurd kan worden verklaard op grond van artikel 42.3° van hetzelfde wetboek. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag in zoverre het er van uitgaat dat het arrest artikel 43ter van het Strafwetboek met terugwerkende kracht heeft toegepast.
- De artikelen 3 en 4 van het Strafwetboek bepalen de rechtsmacht van de Belgische strafrechter. Wanneer krachtens die bepalingen de Belgische strafrechter rechtsmacht heeft met betrekking tot een bepaald misdrijf, wordt dit, overeenkomstig voormeld artikel 3, gestraft overeenkomstig de bepalingen van de Belgische wetten. Overeenkomstig artikel 42.3° van het Strafwetboek wordt bijzondere verbeurdverklaring toegepast op vermogensbestanddelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen.
- Uit de samenhang van voormelde wetsbepalingen en de wetgeschiedenis van de wet van 17 juli 1990 waarbij voormeld artikel 42.3° in het Strafwetboek werd ingevoegd, volgt dat wanneer de Belgische strafrechter rechtsmacht heeft met betrekking tot een bepaald misdrijf en hij dit bewezen verklaart, hij de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensbestanddelen kan toepassen, ook wanneer ze zich buiten het Belgisch grondgebied bevinden en al was die mogelijkheid niet uitdrukkelijk bepaald voor de invoering van artikel 43ter in het Strafwetboek. Het middel dat van de tegengestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 1283,97 euro jegens de eisende partij, op de som van 137,14 euro jegens de verwerende partijen sub 3 en 4 en op de som van 250,14 euro jegens de verwerende partij sub
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en op de openbare terechtzitting van 2 maart 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070302.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div