KENNISGEVINGEN - GERECHTSBRIEF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening
kennisgeving - Kennisgeving Vrije woorden: Vrijblijvende kennisgeving - Hoger beroep - Termijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 704, eerste lid, 792, tweede lid,
1051 Wet - 14-07-1994 - Art. 164 Fiches 2 - 3 Wanneer een vraag bedoeld in artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof bij wijze van een middel voor het Hof van cassatie wordt opgeworpen met betrekking tot de aanvang van een beroepstermijn, meer bepaald een vraag over de schending door artikel 792, tweede lid, Ger. W., in samenhang gelezen met artikel 704, eerste lid, Ger. W.
met artikel 164, derde lid, Z.I.V.-wet 1994, van de artikelen 10
11, Gw. moet het Hof van cassatie, in de regel, het Arbitragehof verzoeken over die vraag uitspraak te doen. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening
kennisgeving - Kennisgeving Vrije woorden: Cassatiemiddel - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening
kennisgeving - Kennisgeving Vrije woorden: Arbitragehof - Cassatiemiddel - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0102.N DOMICURA, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8940 Geluwe, Pastoor Pypestraat 19, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
11 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet; - artikel 164, inzonderheid derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen); - de artikelen 704, eerste lid, 792, inzonderheid tweede
derde lid,
1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 26, §1,
ig lid, 3°,
, eerste
derde lid, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Bestreden beslissing Het arbeidshof verklaart in het arrest van 27 mei 2005 verweerders' hoger beroep tijdig
regelmatig naar de vorm ingesteld
dienvolgens ontvankelijk (arrest p. 13, nr. 5.1.5.
p. 23, dispositief)
willigt de vorderingen van de verweerders tegen de eiseres in, zodat de eiseres veroordeeld wordt tot betaling aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten van een bedrag van 116.879,54 euro (verhoogd met interesten)
aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van een bedrag van 323.349,89 euro (verhoogd met interesten). De eiseres wordt tevens veroordeeld tot de kosten in eerste aanleg
in hoger beroep, behoudens deze van mevrouw M.. Het arbeidshof grondt de beslissing inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de verweerders op volgende motieven: ¿5.1.2. Artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand is, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede
derde lid. Het bestreden vonnis werd bij gerechtsbrief van 18 september 2003 overeenkomstig artikel 792, tweede
derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek ter kennis van de partijen gebracht. Een betekening bij gerechtsdeurwaardersexploot is er niet geweest. De termijn om hoger beroep aan te tekenen begon te lopen op 19 september 2003 terwijl het verzoekschrift pas op 27 oktober 2003 ter griffie werd neergelegd zodat de vraag naar de tijdigheid van het hoger beroep rijst (wanneer aangenomen wordt dat de termijn niet bij de kennisgeving maar bij de afgifte door de post van de gerechtsbrief begint te lopen, is de termijn van één maand in casu evenzeer overschreden). Dit veronderstelt dan wel dat het in casu daadwerkelijk gaat om een zaak waarin de kennisgeving overeenkomstig de artikelen 792, tweede
derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek was voorgeschreven. Dit geschiedt volgens deze laatste bepalingen ¿voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek'. Vraag is dus of het in casu gaat om een zaak vermeld in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De opsomming in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermeldt de artikelen 508/16, 508 (lees: 580), 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°
11 °, 581, 2°, 582, 1°
2°
583 van het Gerechtelijk Wetboek. Het geschil in casu kan onder geen
kele van deze bepalingen ondergebracht worden. Het betreft inzonderheid geen geschil betreffende de rechten
verplichtingen van werknemers voortvloeiend uit de wetten
verordeningen inzake verplichte ziekte-
invaliditeitsverzekering (artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). Zodoende is er volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek géén kennisgeving overeenkomstig artikel 792, tweede
derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven. Een kennisgeving in overeenstemming met artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek heeft geen gevolgen wanneer zij door de wet niet verplicht wordt. Inzonderheid doet zij de termijn om hoger beroep aan te tekenen niet lopen (¿). 5.1.
mevrouw M.) aangeklaagde schijn van ongrondwettigheid niet. De verplichte kennisgeving bij gerechtsbrief is exclusief voorbehouden aan de zaken in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, d.w.z. zaken waarin gerechtigden op socialezekerheidsuitkeringen (veelal sociaal zwakkeren) als tegenpartij een instelling of overheid hebben die deze uitkeringen verleent, zonder dat echter een onderscheid wordt gemaakt naargelang van de partij die de zaak inleidt. In de voornoemde zaken is niet alleen een vereenvoudigde inleiding van de zaak mogelijk, maar moest naar het oordeel van de wetgever ook in een regeling worden voorzien die een ambtshalve kennisgeving van de uitspraak aan de partijen zelf inhield. Deze kennisgeving was kostenbesparend nu zij ook de termijn voor het instellen van de gewone rechtsmiddelen deed aanvangen
zodoende de betekening bij deurwaardersexploot verving. De regeling had ook tot resultaat de afhandeling van de zaken te bespoedigen doordat de partijen verplicht werden hun rechtsmiddelen binnen een korte termijn na de uitspraak aan te wenden, bij ge¬breke waarvan binnen dezelfde korte termijn definitief een einde aan het geschil kwam, met de mogelijkheid om het vonnis uit te voeren. Ook artikel 164, derde lid, van de ZIV-Wet 1994 had zeker een kostenbesparing op het oog in zoverre het bepaalt dat de terugvordering in alle gevallen bij verzoekschrift kan ingesteld worden,
wel met het verzoekschrift in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (¿). In zoverre de terugvordering bovendien van die aard is dat het geschil valt onder één der bepalingen in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (zoals artikel 580, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek) heeft zij de gevolgen die de artikelen 792, tweede
derde lid,
1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek hieraan verbinden. In zoverre dat niet het geval is, zoals in casu, blijven deze secundaire gevolgen uit. Het arbeidshof kan hierin geen discriminatie ten nadele van inzonderheid de zorgen verstrekkers zien. De wetgever mocht oordelen dat de motieven die hem ertoe hebben gebracht op een goedkope manier het instellen van rechtsmiddelen de spoedige afhandeling van de zaak te regelen,
die voorhanden waren in de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zelfs wanneer het de overheid of instelling was die de zaak inleidde, niet voorhanden waren in zoverre het om een terugvordering ging, ingesteld door een landsbond van ziekenfondsen tegen een zorgen-verstrekker. Het onderscheid dat wordt gemaakt, heeft een redelijke
objectieve grondslag. 5.1.5. Het hoger beroep werd tijdig
regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk¿. Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis, één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede
derde lid, van hetzelfde wetboek. Luidens artikel 792, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zendt de griffier bij gewone brief een niet ondertekend afschrift van het vonnis aan elke partij, of in voorkomend geval, aan hun advocaten. Luidens het tweede lid van genoemd artikel 792, brengt de griffier, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, het vonnis binnen de acht dagen bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen
luidens het derde lid van hetzelfde artikel 792, dient deze kennisgeving bij gerechtsbrief bepaalde vermeldingen te bevatten. Het arbeidshof stelde uitdrukkelijk vast dat het in hoger beroep bestreden vonnis bij gerechtsbrief van 18 september 2003 overeenkomstig artikel 792, tweede
derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek werd ter kennis gebracht van de partijen. Artikel 704, eerste lid, van hetzelfde wetboek bepaalt: ¿In de zaken genoemd in de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9° 10°
11 °, 581, 2°
582, 1°
2°,
583, worden de vorderingen ingeleid bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank of bij aangetekende brief gezonden aan die griffie; de partijen worden door de giffier opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De oproeping vermeldt het voorwerp van de vordering¿. De wetgever heeft aldus in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de aldaar vermelde zaken, voorzien in een eenvoudige, snelle
goedkope wijze van rechtsingang door de mogelijkheid te bieden een rechtsgeding in te leiden door het indienen ter griffie van een verzoekschrift of door het verzenden van een aangetekende brief. Om dezelfde redenen van snelheid, kostenbesparing
eenvoud wordt in dezelfde gevallen door artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorzien in een kennisgeving van de rechterlijke beslissing bij gerechtsbrief. Wanneer de wetgever wenst het voordeel van deze procesvoorschriften nog in andere materies toepasselijk te maken, kan dit gebeuren hetzij door de opsomming in artikel 704, eerste lid, te verruimen, hetzij door in de regelgeving die hij beoogt, te verwijzen naar de toepasselijkheid van genoemd artikel 704, eerste lid. Zowel in het
e als in het andere geval zal dienvolgens niet alleen het inleiden van het rechtsgeding kunnen geschieden overeenkomstig de bijzondere voorschriften van artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doch tevens de kennisgeving van de rechterlijke beslissing dienen te geschieden overeenkomstig het voorschrift van artikel 792, tweede (
derde) lid, van hetzelfde wetboek, dat naar artikel 704, eerste lid, van hetzelfde wetboek verwijst. Luidens het derde lid van artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994), kunnen alle terugvorderingen van onverschuldigde betalingen, voortvloeiend uit dit artikel, worden ingeleid volgens de procedure voorzien bij artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Voor deze vorderingen kan derhalve beroep worden gedaan op een eenvoudige, snelle
goedkope manier van rechtsingang, waardoor tevens de voor deze procedures in artikel 792, tweede
derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziene wijze van kennisgeving van de rechterlijke beslissing, toepasselijk wordt. Zoals door de verweerders zelf aangegeven (verzoekschrift tot hoger beroep p. 4, randnummer 1, in het bijzonder de vierde alinea), betrof hun vordering een terugvordering van zogenaamd onverschuldigde betalingen in de zin van genoemd artikel 164, zodat het arbeidshof dan ook niet wettig kon oordelen dat de kennisgeving aan de partijen, bij gerechtsbrief van 18 september 2003, van het vonnis van de eerste rechter, te weten het vonnis van 12 september 2003 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Ieper, geen gevolgen ressorteerde wat het lopen van de appeltermijn betrof. Ten onrechte verklaarde het arbeidshof derhalve verweerders hoger beroep ontvankelijk. Het arbeidshof schendt dan ook - artikel 164, inzonderheid derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen), - de artikelen 704, eerste lid, 792, inzonderheid tweede
derde lid,
1051, eerste lid, van het Gerechtelijk wetboek. Tweede onderdeel Deze kritiek wordt voorgedragen voor zover het Hof zou van oordeel zijn - quod non - dat artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aldus behoeft te worden toegepast dat de kennisgeving bij gerechtsbrief, door de griffier, aan de partijen, van het vonnis slechts dient te geschieden in de zaken die uitdrukkelijk worden opgesomd in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek,
niet in de zaken waarop dit artikel 704, eerste lid, toepasselijk wordt verklaard door een afzonderlijke wettelijke bepaling. Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet zijn de Belgen gelijk voor de wet. Luidens artikel 11 van de gecoördineerde Grondwet moet het aan de Belgen toegekend genot van de rechten
vrijheden zonder discriminatie verzekerd worden. De eiseres is de mening toegedaan dat in zoverre het artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient te worden toegepast zoals hiervoor aangegeven, hierbij het grondwettelijk gelijkheids-
niet-discriminatiebeginsel wordt geschonden. Aldus zouden immers voor geschillen waarbij overeenkomstig artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek een goedkope, snelle
eenvoudige wijze van rechtsingang wordt mogelijk gemaakt, de rechtsonderhorigen in het
e geval ook van een snelle, goedkope
eenvoudige kennisgeving van de rechterlijke beslissing die er het gevolg van is, om dezelfde redenen van snelheid, eenvoud
kostenbesparing kunnen genieten, terwijl andere rechtsonderhorigen dit voordeel in de andere gevallen niet zouden genieten. Luidens artikel 26, §1,
ig lid, 3°, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, doet dit hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet (...) van de artikelen van titel II ¿De Belgen
hun rechten¿ (...) van de Grondwet, waartoe de artikelen 10
11 behoren. Luidens artikel 26, §2, eerste lid, van dezelfde Bijzondere Wet op het Arbitragehof, moet het rechtscollege waarvoor een dergelijke vraag wordt opgeworpen, behoudens in de hier niet toepasselijke uitzonderingsgevallen, het Arbitragehof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Aldus behage het het Hof, voor zover de in het eerste onderdeel door eiseres aangevoerde grief niet zou worden aangenomen, bij wege van tussenarrest, de in het dispositief van deze voorziening geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof teneinde de schending van artikelen 10
11 van de gecoördineerde Grondwet te horen vaststellen in zoverre artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zou worden toegepast in de hiervoren aangehaalde interpretatie. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet zijn de Belgen gelijk voor de wet. Luidens artikel 11 van de gecoördineerde Grondwet moet het aan de Belgen toegekend genot van de rechten
vrijheden zonder discriminatie verzekerd worden. De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet
van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van dat onderscheid een objectieve
redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel
de gevolgen van de ter beoordeling staande norm. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen
het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. De eiseres voerde in conclusie (syntheseconclusie in beroep p. 16, onderaan
volgende) aan dat in zoverre artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aldus behoeft te worden toegepast dat de kennisgeving bij gerechtsbrief, door de griffier, aan de partijen, van het vonnis slechts dient te geschieden in de zaken die uitdrukkelijk worden opgesomd in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek,
niet in de zaken waarop dit artikel 704, eerste lid, toepasselijk wordt verklaard door een afzonderlijke wettelijke bepaling, een schending van het gelijkheids-
niet-discriminatiebeginsel voorligt. Luidens artikel 26, §1,
ig lid, 3°, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, doet dit hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet (...) van de artikelen van titel II ¿De Belgen
hun rechten¿ (...) van de Grondwet, waartoe de artikelen 10
11 behoren. Artikel 26 §2, eerste lid, van voornoemde wet schrijft voor dat het rechtscollege waarvoor een dergelijke vraag wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Naar luid van artikel 26, §2, derde lid, van dezelfde Bijzondere Wet op het Arbitragehof, is een rechtscollege, waarvan de beslissing onder meer vatbaar is voor een voorziening in cassatie, evenwel niet gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof wanneer de wet (...) ¿een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in §1 (van artikel 26) klaarblijkelijk niet schendt (...)¿. Het arbeidshof, na voornoemde regel in herinnering te hebben gebracht, oordeelt te dezen dat ¿de door (de eiseres
mevrouw M.) aangeklaagde schijn van ongrondwettigheid niet (bestaat)¿ (arrest p. 12, voorlaatste alinea)
grondt deze beslissing op een onderzoek van de ratio legis van zowel artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek als van artikel 164, derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, waarbij het arbeidshof opmerkt dat ¿de wetgever mocht oordelen dat de motieven die hem ertoe hebben gebracht op een goedkope manier het instellen van rechtsmiddelen/de spoedige afhandeling van de zaak te regelen,
die voorhanden waren in de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zelfs wanneer het de overheid of instelling was die de zaak inleidde, niet voorhanden waren in zoverre het ging om een terugvordering, ingesteld door een landsbond van ziekenfondsen tegen een zorgenverstrekker¿. Het arbeidshof besluit dat ¿het onderscheid dat wordt gemaakt, een redelijke
objectieve grondslag (heeft)¿ (arrest p. 13, eerste alinea, in fine). Aldus eigent het arbeidshof zich de bevoegdheid van het Arbitragehof toe, nu het overgaat tot het onderzoek van de vraag of voor een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen een objectief
redelijk verantwoord criterium van onderscheid bestaat, waarbij het arbeidshof het doel
de gevolgen van de ter beoordeling staande norm betrekt. Het arbeidshof schendt dienvolgens artikel 26, §2, eerste
derde lid, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof evenals, voor zoveel als nodig, 26 §1,
ig lid, 3°, van voornoemde wet. Het arbeidshof kon bijgevolg niet wettig verweerders' hoger beroep gegrond verklaren (schending van artikel 164, inzonderheid derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen; coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen. 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 807
1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 164, inzonderheid eerste
tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen), zoals vervangen bij wet van 20 december 1995, - het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, luidens hetwelk de partijen de grenzen van het geschil bepalen
meer in het bijzonder het de rechter niet toegelaten is de oorzaak van de vordering te wijzigen, zoals dit beginsel onder meer gehuldigd wordt in de artikelen 807
1138,
ig lid, 2°, van het Gerechtelijk wetboek. Bestreden beslissing Het arbeidshof verklaart in het bestreden arrest van 27 mei 2005, na ¿alle andere
strijdige conclusies te hebben (verworpen)¿ (arrest p. 23, dispositief), verweerders' hoger beroep ontvankelijk
willigt de vorderingen van de verweerders tegen de eiseres in, zodat de eiseres veroordeeld wordt tot betaling aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten van een bedrag van 116.879,54 euro (verhoogd met intresten)
aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van een bedrag van 323.349,89 euro (verhoogd met intresten). De eiseres wordt tevens veroordeeld tot de kosten in eerste aanleg
in hoger beroep, behoudens deze van mevrouw M.. Het arbeidshof stelde vast (arrest p. 6, onderaan) dat het Rijksinstituut voor ziekte-
invaliditeitsverzekering in 1999
2000 aan de verweerders opdracht gegeven had tot terugvordering over te gaan voor de prestaties vanaf februari 1997, omdat niet de handtekening van mevrouw M. maar wel die van mevrouw D. op de verzamelgetuigschriften was aangebracht,
de facturen derhalve niet waren ingediend overeenkomstig de toepasselijke reglementaire bepalingen. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest pp. 18-19): ¿5.3.2.2. De regeling in artikel 164, eerste
tweede lid, van de ZIV-Wet 1994 is geen klakkeloze overname van artikel 1376 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de onverschuldigde betaling (artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek is in casu in elk geval niet toepasselijk want het geldt
kel inzake overeenkomsten). Weliswaar geldt als voorwaarde voor de terugvordering ook in de ZIV-regeling dat er een betaling is geweest
dat die onverschuldigd was, maar voor de terugvordering in deze regeling is bovendien vereist dat de betaling gebeurde ingevolge een vergissing of bedrog. Een eenvoudige vergissing, van wie dan ook, weze het van de zorgenverstrekker die de betaling ontving, weze het van de instelling die de betaling deed, volstaat (¿). 5.3.2.3. Met betrekking tot de toepassing van het eerste lid van artikel 164 van de ZIV-Wet 1994 zegt het openbaar ministerie in zijn geschreven advies wat volgt
beschouwt het arbeidshof als zijn eigen motieven: ¿Het eventueel onverschuldigd karakter van de ingediende prestaties kan te dezen
kel het gevolg zijn van het verondersteld, onjuist, minstens onzorgvuldig toepassen van de toepasselijke reglementering door D. in naam
voor rekening van (mevrouw M.). De onverschuldigde betaling zelf is in die veronderstelling het gevolg van
erzijds een vergissing van de ziekteverzekeraars,
wel omdat ze er ten onrechte van zijn uitgegaan dat de ingediende documenten voldeden aan de toepasselijke reglementering
anderzijds de onzorgvuldigheid aan de dag gelegd door D., wat een fout kan vormen, zoniet minstens aan te nemen kan zijn als een vergissing. Om het even wat met het begrip ¿vergissing' van artikel 164, eerste lid, (van de ZIV-Wet 1994) wordt bedoeld, staat het vast dat, zodra de prestaties als onverschuldigd betaald moeten worden aangemerkt (zoals dit (arbeidshof) sub 5.3.1. al heeft aangenomen), ze veroorzaakt zijn zowel door een vergissing van (de eiseres), het niet laten plaatsen van de handtekening door (mevrouw M.), als een in elk geval verschoonbare vergissing van de ziekteverzekeraars, die op basis van onreglementair ingediende verzamelings-getuigschriften tot betaling zijn overgegaan. Het blijkt uit niets dat de ziekteverzekeraars tijdens de ten dezen relevante periode moesten veronderstellen dat de verkorte handtekening aangebracht op de verzamelingsgetuigschriften, niet die was van (mevrouw M.), integendeel. (¿)¿. Grieven Luidens artikel 164, eerste lid (zoals vervangen door de wet van 20 december 1995), van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, zoals toepasselijk op onderhavige zaak, is degene die ten gevolge van een vergissing of bedrog, ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging (¿) verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsingstelling die ze heeft verleend. Luidens het tweede lid van deze bepaling (eveneens vervangen bij wet van 20 december 1995) kan, wanneer de ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging langs de derdebetalersregeling zijn betaald, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de prestaties voor eigen rekening heeft geïnd, worden aangesproken voor de terugbetaling ervan. Aldus vereist bedoeld artikel 164 voor het welslagen van een terugvordering dat prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen ten gevolge van een vergissing of bedrog ten onrechte zouden zijn ontvangen. De verweerders beriepen zich niet op het bestaan van bedrog in hoofde van de eiseres, zoals blijkt uit hun aanvullende beroepsbesluiten p. 12, a). Het arbeidshof oordeelt, mede door bevestiging van het advies van het auditoraat-generaal, dat te dezen ten onrechte prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen werden ontvangen door de eiseres ten gevolge van een vergissing. De appelrechter verwijst in dat verband naar:
uitkeringen werd nagestreefd;
kel als fout kan worden geïnterpreteerd: ¿De betrokken verzekeringsingstellingen oordelen dat men net als in de derde betalersregeling de terugbetaling zou moeten kunnen vorderen van de verzorgings-verstrekker die fout of nalatig is geweest ...' (Parl. St. Kamer, 1975-1976, nr. 877-1, p. 3). Dat aldus blijkt dat een terugvordering op grond van een loutere vergissing zonder te onderzoeken aan wie deze vergissing toe te rekenen is
dus zonder eigenlijk te beoordelen of dit een fout betreft, niet mogelijk is. Dat zoals blijkt uit de parlementaire voorbereidingen, hier anders over oordelen strijdig zou zijn met artikel 164 ZIV-Wet van 14 juli 1994¿. Luidens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet moeten hoven
rechtbanken hun beslissingen regelmatig met redenen omkleden, wat ondermeer inhoudt dat zij dienen te antwoorden op relevante, regelmatig aangevoerde grieven
middelen van verweer
in hun beslissing de feitelijke
juridische vaststellingen moeten opnemen die aan het Hof moeten toelaten zijn wettigheidscontrole uit te oefenen over beslissingen inzake in betwisting zijnde punten. Het arbeidshof laat na te antwoorden op eiseres' pertinente aanvoering dat de bij genoemd artikel 164 bedoelde vergissing een fout veronderstelt in hoofde van hem die de vergissing begaat, zodat het bestreden arrest niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Minstens laat het arbeidshof door de loutere overweging dat ¿de onzorgvuldigheid aan de dag gelegd door D. (¿) een fout kan vormen¿ (arrest p. 18, voorlaatste alinea), zonder vast te stellen dat deze onzorgvuldigheid daadwerkelijk een fout uitmaakt, in het ongewisse of het te dezen het bestaan van een fout in hoofde van de eiseres weerhoudt, zodat het arbeidshof ook om deze reden tekortkomt aan zijn motiveringsverplichting (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Door het louter verwerpen, in het dispositief van het arrest, van de ¿andere
strijdige conclusies¿ komt het arbeidshof niet tegemoet aan zijn motiveringsverplichting in het licht van de omstandige aanvoeringen in eiseres' conclusie, nu het niet preciseert of er al dan niet een fout vereist is om te gewagen van een vergissing in de zin van genoemd artikel 164
schendt het bestreden arrest artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Minstens stelt het het Hof aldus in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht terzake uit te oefenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Alleszins miskent het arbeidshof het genoemde artikel 164, inzonderheid het wettelijk begrip ¿vergissing¿, indien het voor de toepassing ervan geen fout zou vereisen in hoofde van hem die de vergissing begaat (schending van artikel 164, inzonderheid eerste
tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen). In zoverre het arbeidshof een vergissing aanvaardt in hoofde van de verweerders, weze opgemerkt dat de verweerders zelf zich niet op het bestaan van een vergissing in hunnen hoofde beriepen ter staving van hun op genoemd artikel 164 geschraagde terugvordering van verleende prestaties in de verzekering voor geneeskundige zorgen. Door aldus te steunen op feiten die niet waren ingeroepen door de partijen, wijzigt het arbeidshof de oorzaak van de vordering (schending van de artikelen 807
1042 van het Gerechtelijk Wetboek)
schendt het tevens het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, luidens hetwelk de partijen de grenzen van het geschil bepalen
meer in het bijzonder het de rechter niet toegelaten is de oorzaak van de vordering te wijzigen, zoals dit beginsel onder meer gehuldigd wordt in de artikelen 807
1138,
ig lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het arbeidshof kon dienvolgens niet wettig oordelen dat verweerders' terugvordering gegrond was (schending van artikel 164, inzonderheid eerste
tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen), zoals vervangen bij wet van 20 december 1995). 3. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 6,
voor zoveel als nodig 14, 741, 747, 758
1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 164, inzonderheid eerste
tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen), zoals vervangen bij wet van 20 december 1995, - het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmisbruik; - voor zoveel als nodig, artikel 1382 van het Burgerlijk wetboek. Bestreden beslissing Het arbeidshof verklaart in het arrest van 27 mei 2005, na ¿alle andere
strijdige conclusies te hebben (verworpen)¿ (arrest p. 23, dispositief), verweerders' hoger beroep ontvankelijk
willigt de vorderingen van de verweerders tegen de eiseres in, zodat de eiseres veroordeeld wordt tot betaling aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten van een bedrag van 116.879,54 euro (verhoogd met interesten)
aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van een bedrag van 323.349,86 euro (verhoogd met interesten). De eiseres wordt tevens veroordeeld tot de kosten in eerste aanleg
in hoger beroep, behoudens deze van mevrouw M.. Het arbeidshof stelde vast (arrest p. 6, onderaan) dat het Rijksinstituut voor ziekte-
invaliditeitsverzekering in 1999
2000 aan de verweerders opdracht gegeven had tot terugvordering over te gaan voor de prestaties vanaf februari 1997, omdat niet de handtekening van mevrouw M. maar wel die van mevrouw D. op de verzamelgetuigschriften was aangebracht,
de facturen derhalve niet waren ingediend overeenkomstig de toepasselijke reglementaire bepalingen. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest p. 21): ¿5.3.2.5.
het Arbeidshof kan zich ten slotte ook geheel aansluiten bij de volgende overwegingen in het geschreven advies van het openbaar ministerie: ¿In de (door het Arbeidshof sub 5.3.1. aanvaarde stelling) dat, door het ontbreken van de handtekening van (mevrouw M.), de verzamelingsgetuigschriften niet werden ingediend overeenkomstig de vastgestelde modaliteiten, moet krachtens artikel 164, eerste lid, laatste zin, (van de ZIV-Wet 1994) aangenomen worden dat de bewuste prestaties ten onrechte uitgekeerd werden
moeten ze worden terugbetaald door de betrokken zorgverlener (¿) waarmee (..) wordt bedoeld de zorgverlener (¿) die ze verkeerdelijk heeft ingediend,
dat is niet (mevrouw M.) maar wel (de eiseres). Bovendien is (eiseres) ook krachtens artikel 164, tweede lid, tweede zin, terugbetaling verschuldigd. Er kan geen fout van (de verweerders) (...) aangenomen worden, omdat uit de gegevens van de stukken niet blijkt dat zij ervan op de hoogte waren dat de handtekening geplaatst bij de naam van D. (lees: M.) tijdens de (in casu) relevante periode niet die van (mevrouw M.) maar van D. was. Bovendien kan een fout van de verweerders of van het RIZIV niet tot gevolg hebben dat wat onverschuldigd werd betaald, niet zou kunnen worden teruggevorderd, ook niet op grond van de rechtsfiguur van de onrechtmatige daad. Het is vaststaande rechtspraak dat ook de regels van behoorlijk bestuur, laat staan van rechtsmisbruik, niet kunnen leiden tot een beleid dat strijdig is met de wet. Anderzijds worden er in het kader van het (huidige) geschil ook geen afzonderlijke vorderingen ingesteld op grond van onrechtmatige daad, zodat de verschillende middelen
argumenten van (de eiseres
mevrouw M.) desbetreffend niet relevant zijn tot oplossing van het aangebracht geschil¿. Grieven Eerste onderdeel Luidens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet zijn hoven
rechtbanken ertoe gehouden hun beslissingen regelmatig met redenen te omkleden, wat onder meer inhoudt dat zij dienen te antwoorden op alle relevante, regelmatig aangevoerde grieven
middelen van verweer. Een algemene overweging waarbij de rechter verklaart ¿alle andere
strijdige conclusie te verwerpen¿, zoals te dezen door het arbeidshof gehuldigd (arrest p. 23, dispositief, derde alinea), vormt geen regelmatig antwoord op een pertinent
nauwkeurig verweermiddel. De rechter mag evenmin, luidens artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek, uitspraak doen bij wege van algemene
als regel geldende beschikking. Luidens een algemeen rechtsbeginsel wordt het rechtsmisbruik verboden. Rechtsmisbruik kan bestaan in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig
zorgvuldig persoon. Zulks is inzonderheid het geval wanneer het berokkende nadeel buiten verhouding staat tot het door de houder van het recht beoogde of verkregen voordeel De rechter dient, bij de beoordeling van de in het geding zijnde belangen, met alle omstandigheden van de zaak rekening te houden. De eiseres voerde in conclusies aan dat, ongeacht of aan de verweerders een fout kon worden tegengeworpen, het, in de omstandigheden van deze zaak, stellen van hun vorderingen, een vorm van rechtsmisbruik uitmaakte, waardoor hun vorderingen moesten worden afgewezen. Aldus stelde de eiseres onder meer, wat de principes betreft dat: - de opdracht van het Rijksinstituut voor ziekte-
invaliditeitsverzekering aan de verweerders, om tot terugvordering van de kwestieuze uitkeringen over te gaan, een rechtsmisbruik uitmaakte, gelet op het feit dat het Rijksinstituut de werking van de eiseres kende, desbetreffend geen proces-verbaal had opgesteld noch
ige waarschuwing had gegeven, vervolgens de eiseres twee jaar had laten verder werken om dan uiteindelijk nadien opdracht te geven aan de verweerders om alles terug te vorderen (syntheseconclusie p. 40); - er sprake kan zijn van misbruik van recht, ook wanneer dat recht steunt op de wet
bij een regelmatige procedure wordt opgeëist (syntheseconclusie p. 41 ); - er misbruik van recht is wanneer het berokkende nadeel bij de uitoefening van dat recht, buiten verhouding is tot het door de houder van dat recht beoogde of verkregen voordeel (ibidem); - de proportionaliteitsregel dient te worden toegepast, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak (ibidem); - het misbruik van recht dient te worden gesanctioneerd door het ontnemen van elk rechtsgevolg aan de abusieve handeling (syntheseconclusie p. 42). Voorts paste de eiseres deze principes toe op onderhavige zaak door erop te wijzen dat: - mevrouw D. ter gelegenheid van de controles duidelijk had verklaard hoe zij tewerk ging (syntheseconclusie p. 42-43); - zulks geen aanleiding had gegeven tot het opstellen van een proces-verbaal, noch tot het maken van een opmerking inzake het ondertekenen van de verzamelingsgetuigschriften in opdracht van mevrouw M. (syntheseconclusie pp. 43-44); - het RIZIV op de hoogte was van de werking van de eiseres (syntheseconclusie p. 44); -¿het uitoefenen door het RIZIV, meer bepaald door de dienst voor geneeskundige controle, van haar rechten vervat in het koninklijk besluit van 3 juli 1996, door aan (de verweerders) opdracht te geven zogenaamd onterecht betaalde prestaties terug te vorderen, terwijl gedurende verschillende jaren de werking van (de eiseres) gekend was
zij (de eiseres) op deze wijze gedurende minstens 2 jaren heeft laten verder werken, dan ook manifest rechtsmisbruik uitmaakt¿ (syntheseconclusie p. 46, derde alinea). De eiseres besloot dan ook dat gehandeld werd op een wijze die manifest de grenzen te buiten gaat van de normale rechtsuitoefening door een redelijk
bedachtzaam persoon, in dezelfde omstandigheden geplaatst, nu gedurende jaren geen opmerking werd gemaakt over de werking van de eiseres, om dan plots jaren later over te gaan tot de integrale terugvordering van de omzet van de eiseres gedurende twee jaar (syntheseconclusie p. 46, in het midden). De eiseres wees er meer bepaald op dat bij een eventuele uitoefening van dit recht de aan haar berokkende schade buiten iedere verhouding zou zijn met het door de houder van het recht beoogde voordeel, wat strijdig is met het proportionaliteits-criterium. De eiseres wees er tevens op dat niet alleen de vordering van het Rijksinstituut geen uitwerking kon krijgen (
dus de vorderingen van de verweerders zonder voorwerp waren), doch ook de vorderingen van de verweerders zelf, rechtsmisbruik uitmaakten (syntheseconclusie p. 47, in het midden). In haar repliekconclusie na het advies van het auditoraat-generaal wees de eiseres er meer in het bijzonder op (pp. 19 e.v.), aldus het advies van het openbaar ministerie tegensprekend, dat er sprake kan zijn van rechtsmisbruik zelfs wanneer het recht zijn oorsprong vindt in de wet,
zelfs wanneer dit de openbare orde raakt. Naar aanleiding van de, later door het arbeidshof uitdrukkelijk overgenomen overweging van het auditoraat-generaal luidens welke ¿het vaststaande rechtspraak (is) dat ook de regels van behoorlijk bestuur, laat staan van rechtsmisbruik, niet kunnen leiden tot een beleid dat strijdig is met de wet¿, stelde de eiseres (repliekconclusie vanaf p. 20): ¿Concluante merkt op dat deze bewering in ieder geval voor wat betreft rechtsmisbruik onjuist is. Zo werd in het verleden reeds verschillende malen door het Hof van Cassatie geoordeeld dat iemand die een recht uitoefent dit recht kan misbruiken, ook al ontleent hij dit aan een overeenkomst, of zelfs aan de wet (Cass. 10 juni 1988, R.W., 1988-89, 771). Zelfs de fundamentele rechten
vrijheden van de mens kunnen worden misbruikt (¿). Dat er tevens sprake kan zijn van rechtsmisbruik zelfs wanneer het desbetreffende recht de openbare orde raakt: (¿) (Cass. 10 juni 2004, CO20039N, www. cass. be) Dat dienaangaande in de conclusie van de advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, gesteld wordt: ¿(¿) Uit dat arrest kan tevens worden afgeleid dat er sprake kan zijn van rechtsmisbruik wanneer dat recht is gesteund op wettelijke bepalingen die van openbare orde zijn
dus in het algemeen belang uitgevaardigde voorschriften uitmaken¿. Dat rechtsmisbruik wel van toepassing is in deze gevallen, komt juist omdat het een veel sterkere rechtsfiguur is dan de gewone onrechtmatige daad. (¿)¿. Ook in deze repliekconclusie paste de eiseres, middels een omstandige uiteenzetting die hier voor herhaald wordt beschouwd, deze beginselen toe op onderhavige zaak, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak (pp. 21 e.v.), er onder meer op wijzend dat in werkelijkheid haar ongeveer volledige omzet van twee jaar werd teruggevorderd, wat onmiskenbaar haar faillissement tot gevolg zou hebben. Door de
kele verwijzing naar
overname van het advies van het openbaar ministerie, waarin gesteld werd dat het vaststaande rechtspraak is dat het rechtsmisbruik niet kan leiden tot een beleid dat strijdig is met de wet, - miskent het arbeidshof zijn motiveringsverplichting, door met name niet te antwoorden op bovengenoemde regelmatige aanvoeringen in conclusies waarin uiteengezet werd waarom deze beschouwer van het openbaar ministerie niet kon worden aanvaard (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet); - miskent het arbeidshof het verbod om uitspraak te doen bij wege van algemene
als regel geldende beschikking, nu het zijn beslissing louter steunt op vaststaande rechtspraak, zonder weer te geven om welke motieven het deze rechtspraak kon bijtreden (schending van artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek); - miskent het arbeidshof het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmisbruik, nu het niet weergeeft waarom de uitoefening van een recht, weze het in overeenstemming met de wet, in de door de eiseres geschetste omstandigheden van de zaak, verenigbaar is met de manier waarop een redelijk
voorzichtig persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou handelen (schending van het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmisbruik voor zoveel als nodig van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek)
inzonderheid niet antwoordt op eiseres' aanvoering dat de uitoefening van de vordering een buitensporig nadeel berokkende aan de eiseres
een miskenning inhield van de proportionaliteitsregel (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Door het louter verwerpen, in het dispositief van het arrest, van de ¿andere
strijdige conclusies¿, komt het arbeidshof niet tegemoet aan zijn motiveringsverplichting in het licht van de omstandige, hierboven weergegeven
samengevatte aanvoeringen van eiseres in conclusie, nu het nalaat de redenen aan te geven waarom het hiertoe besluit (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Minstens stelt het het Hof zodoende in de onmogelijkheid om zijn wettigheidscontrole terzake uit te oefenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Het arbeidshof kon derhalve niet wettig de terugvordering lastens de eiseres gegrond verklaren (schending van artikel 164, inzonderheid eerste
tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen), zoals vervangen bij wet van 20 december 1995). Tweede onderdeel In zoverre het bestreden arrest aldus zou moeten worden gelezen - quod non - dat het arbeidshof, door de overname van het advies van het auditoraat-generaal, de hiervoren aangehaalde
samengevatte verweermiddelen van de eiseres inzake het rechtsmisbruik in hoofde van de verweerders bij het instellen van de terugvorderingen heeft beantwoord door de vaststelling dat er ¿anderzijds (...) in het kader van het (huidig) geschil ook geen afzonderlijke vorderingen ingesteld (worden) op grond van onrechtmatige daad, zodat de verschillende middelen
argumenten van (de eiseres
mevrouw M.) niet relevant zijn tot oplossing van het aangebrachte geschil¿ (arrest p 21, nr. 5.3.2.5., laatste alinea),
deze overweging aldus zou moeten worden begrepen dat het arbeidshof opmerkt dat de eiseres
mevrouw M. geen vordering stelden tegen de verweerders wegens onrechtmatige daad, zodat hun verweer inzake rechtsmisbruik in hoofde van de verweerders niet kon worden aangenomen, is de voorliggende beslissing tevens onwettig. De verweerder in een rechtsgeding is gerechtigd verweer te voeren ten aanzien van het door de eiser gevorderde, zoals onder meer blijkt uit artikel 758 van het Gerechtelijk wetboek. Zo vermag de verweerder op een vordering, strekkende tot terugbetaling van vermeend onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen in de verzekering geneeskundige verzorging, tegen te werpen dat de terugvordering in de door de verweerder gepreciseerde omstandigheden, een rechtsmisbruik uitmaakt waardoor terugvordering niet kan worden aangenomen. Noch de toelaatbaarheid noch de gegrondheid van dergelijk verweer inzake rechtsmisbruik in hoofde van de eisende partij, is afhankelijk van een vordering, meer bepaald een tegenvordering in de zin van artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek, ¿op grond van onrechtmatige daad¿. De omstandigheid dat door (de eiseres
mevrouw M.), die zich ter staving van de afwijzing van de hoofdvordering van de verweerders beriepen op rechtsmisbruik, geen (tegen)vordering werd gesteld op grond van onrechtmatige daad, ontneemt aan het verweer inzake het rechtsmisbruik evenmin zijn relevantie. Het arbeidshof schendt in deze lezing dienvolgens de artikelen 14
741, 747, 758
1042 van het Gerechtelijk wetboek
kon derhalve niet wettig de terugvordering lastens de eiseres gegrond verklaren (schending van artikel 164, inzonderheid eerste
tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen), zoals vervangen bij wet van 20 december 1995). 4. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 164, inzonderheid eerste
tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen), zoals vervangen bij wet van 20 december 1995; - artikel 9ter, §1, eerste lid, (zoals ingevoerd bij verordening van 20 december 1966
gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 december 1970
koninklijk besluit van 29 juli 1985)
derde lid (zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 29 juli 1985)
uitkeringen, vóór zijn opheffing bij verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; - de artikelen 1984
1998 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing Het arbeidshof verklaart in het arrest van 27 mei 2005 verweerders' hoger beroep ontvankelijk
willigt de vorderingen van de verweerders tegen de eiseres in, zodat de eiseres veroordeeld wordt tot betaling aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten van een bedrag van 116.879,54 euro (verhoogd met interesten)
aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van een bedrag van 323.349,89 euro (verhoogd met interesten). De eiseres wordt tevens veroordeeld tot de kosten in eerste aanleg
in hoger beroep, behoudens deze van mevrouw M.. Het arbeidshof stelde vast (arrest p. 6, onderaan) dat het Rijksinstituut voor ziekte-
invaliditeitsverzekering in 1999
2000 aan de verweerders opdracht gegeven had tot terugvordering over te gaan voor de prestaties vanaf februari 1997, omdat niet de handtekening van mevrouw M. maar wel die van mevrouw D. op de verzamelgetuigschriften was aangebracht,
de facturen derhalve niet waren ingediend overeenkomstig de toepasselijke reglementaire bepalingen. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest p. 15
p.17): ¿5.3.
uitkeringen bepaalt dat de vergoedingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging verleend worden op voorwaarde dat aan de verzekeringsinstelling de documenten worden afgeleverd, bepaald in die paragraaf. Volgens het derde lid van deze bepaling mogen (in afwijking van wat sub 2°, 4°
6° van die paragraaf is bepaald) de verstrekkingen, voor andermans rekening verricht, vermeld worden op een groen verzamelgetuigschrift conform het model in bijlage 51, wanneer om getuigschriften op te maken bureauticamiddelen gebruikt worden. Artikel 9ter, §10, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1963 luidt als volgt: ¿Door de ondertekening onderaan de globale getuigschriften voor verstrekte hulp, vervat in de bijlagen 46
51, verklaart de ondertekenaar die ofwel een geneesheer moet zijn ofwel een verstrekker die deel uitmaakt van het beroep waartoe de geattesteerde verstrekkingen behoren, dat hij beschikt over documenten waaruit blijkt dat de verstrekkingen zijn verricht door de praktiserende wiens naam naast elke verstrekking is vermeld. De desbetreffende bescheiden zijn ter beschikking van de Dienst voor Geneeskundige Controle; ze moeten door de hierboven bedoelde praktiserende ondertekend zijn'. Het derde lid van die bepaling luidt als volgt: ¿Het in het eerste lid (...) bedoelde procédé mag alleen maar worden aangewend op voorwaarde dat er tussen de ondertekenaar
elke betrokken praktiserende een schriftelijke lastgeving bestaat luidens welke de praktiserende (de lastgever) aan de ondertekenaar (de lasthebber), die aanvaardt, de volmacht verleent om, onder zijn handtekening, de door hem verleende verzorging aan te rekenen aan de ziekte-
invaliditeitsverzekering'. 5.3.1.
ige relevantie dat de verschillende praktiserenden daartoe een volmacht hadden gegeven aan (mevrouw M.). Krachtens deze schriftelijke lastgeving had (mevrouw M.) de verzamelgetuigschriften kunnen ondertekenen. Zij heeft dit niet gedaan doch op haar beurt een lastgeving gegeven aan mevrouw D.
dit is geen arts of praktiserende. Het is om het even of die lastgeving voldeed aan de vereisten van het burgerlijk recht. Het toegepaste procédé is duidelijk in strijd met de reglementaire bepalingen. Wanneer het verlenen door de praktiserenden van een geschreven volmacht aan mevrouw D. zelf, deze laatste niet het recht zou hebben kunnen geven om in hun plaats te ondertekenen, dan is het nogal evident dat mevrouw D. evenmin het recht heeft te ondertekenen via de inschakeling van een intermediair, ook wanneer die zelf een praktiserende is. De ondertekening door een arts/praktiserende is voor hen een persoonlijke verplichting. 5.3.1.5. Vermits bij het gebruik van de formulieren overeenkomstig de voornoemde bijlage 51 in casu niet werd voldaan aan de voorschriften van §10 van artikel 9ter van het koninklijk besluit van 24 december 1963, konden zij geen recht geven op terugbetaling van de op de getuigschriften vermelde prestaties¿. Grieven Luidens artikel 164, eerste lid (zoals vervangen door de wet van 20 december 1995), van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, zoals toepasselijk op onderhavige zaak, is degene die ten gevolge van een vergissing of bedrog, ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging (...) verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsingstelling die ze heeft verleend. Luidens het tweede lid van deze bepaling (eveneens vervangen bij wet van 20 december 1995) kan, wanneer de ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging langs de derdebetalersregeling zijn betaald, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de prestaties voor eigen rekening heeft geïnd, worden aangesproken voor de terugbetaling ervan. Naar luid van artikel 9ter, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, zoals ingevoerd bij koninklijk besluit van 20 december 1971 (
voor de opheffing van het koninklijk besluit van 24 december 1963 bij verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994) kunnen vergoedingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging worden verleend op voorwaarde dat aan de verzekeringsingstelling bepaalde formulieren worden afgeleverd. Luidens de eerste paragraaf van deze bepaling, eerste lid, 2°, betreft dit een op groen papier gedrukt getuigschrift van verzorging (conform het model van bijlage 36) wanneer het gaat om verstrekkingen voor andermans rekening verleend door onder meer verpleegsters. Overeenkomstig het derde lid van hetzelfde artikel 9ter, §1, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 29 juli 1985 (
voor de opheffing van het koninklijk besluit van 24 december 1963 bij verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994), mogen verstrekkingen voor andermans rekening verricht, worden vermeld op een groen verzamelgetuigschrift, conform het model vervat in bijlage 51, wanneer bureauticamiddelen om getuigschriften op te maken worden gebruikt. De tiende paragraaf van hetzelfde artikel 9ter bepaalt dat door de ondertekening onderaan de globale getuigschriften voor verstrekte hulp, vervat in de bijlagen 46
51, de ondertekenaar die ofwel een geneesheer moet zijn ofwel een verstrekker die deel uitmaakt van het beroep waartoe de geattesteerde verstrekkingen behoren, verklaart dat hij beschikt over documenten waaruit blijkt dat de verstrekkingen zijn verricht door de praktizerenden wier naam naast elke verstrekking is vermeld. De betreffende bescheiden moeten ter beschikking zijn van de dienst voor geneeskundige controle
ze moeten door de bedoelde praktizerende ondertekend zijn. Lastgeving, in de zin van artikel 1984 van het Burgerlijk wetboek, is een overeenkomst waarbij een persoon (de lastgever) een ander persoon (de lasthebber) belast met het verrichten van een rechtshandeling voor zijn rekening
in zijn naam. De vertegenwoordiging heeft tot gevolg dat de gestelde rechtshandeling rechtstreeks wordt toegerekend aan de lastgever. De lastgever zal, overeenkomstig artikel 1998 van het Burgerlijk wetboek, gehouden zijn de verbintenissen na te komen die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan. Het ondertekenen van een formulier, dat moet worden afgeleverd aan een verzekeringsinstelling, met het oog op het bekomen van uitkeringen in toepassing van genoemd artikel 9ter van het koninklijk besluit van 24 december 1963, vormt een rechtshandeling die door een lasthebber kan worden verricht. De ondertekening, door een lasthebber, van het formulier met het oog op het bekomen van de uitkeringen van de verzekering voor geneeskundige verzorging, in opdracht van de lastgever, heeft tot gevolg dat de lastgever moet geacht worden het formulier te hebben ondertekend. Het arbeidshof stelde vast (arrest p. 3, voorlaatste alinea) dat om de verzamelgetuigschriften te ondertekenen, mevrouw M. over schriftelijke lastgevingen beschikten van de overige verpleegsters, zoals bepaald in genoemd artikel 9ter, §10, derde lid, maar ze niet zelf de verzamelgetuigschriften ondertekende doch dit geschiedde door mevrouw D., die zich op een geschreven lastgeving kon beroepen, luidens welke "ondergetekende M. Hilde bij deze volmacht (verleent) aan L. D. om de formulieren D (gezamenlijke prestatieaanvragen per patiënt) voor Domicura in haar opdracht te ondertekenen¿. Het arbeidshof stelde tevens vast (arrest p. 3, in fine) dat na het uit dienst treden van mevrouw M., sinds maart 1999, de verzamelgetuigschriften niet meer ingediend werden met de vermelding van ¿H.M..¿ als ondertekenende verpleegkundige, maar met vermelding van I.P., een andere verpleegkundige, eveneens werknemer van de bvba Domicura,
dat de verpleegkundigen daartoe volmacht hadden verleend aan mevrouw Phlypo
zij op haar beurt een volmacht had gegeven aan mevrouw D.. Uit de redactie van genoemd artikel 9ter, inzonderheid §10, blijkt niet dat de wetgever de bedoeling zou hebben gehad om de ondertekening der verzamelgetuigschriften door een lasthebber te verbieden, voor zover althans de lastgever de hoedanigheid bezit van geneesheer of zorgenverstrekker die deel uitmaakt van het beroep waartoe de geattesteerde verstrekkingen behoren. Het vereisen dat de geneesheer of zorgenverstrekker persoonlijk de verzamelgetuigschriften zou ondertekenen, komt neer op het toevoegen van een voorwaarde aan het betreffende artikel 9ter, §10. Het arbeidshof kon dienvolgens niet wettig oordelen dat het ¿om het even is¿ of de lastgeving voldeed aan de vereisten van het burgerlijk recht, dat het toegepaste procédé duidelijk in strijd was met de reglementaire bepalingen
dat de ondertekening van de verzamelgetuigschriften een persoonlijke verplichting uitmaakte, zodat, nu hieraan niet werd voldaan, de geattesteerde prestaties geen recht konden geven op terugbetaling. Het arbeidshof schendt derhalve - artikel 164, inzonderheid eerste
tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen (coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling
organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen), zoals vervangen bij wet van 20 december 1995; - artikel 9ter, §1, eerste lid, 2° (zoals ingevoerd bij Verordening van 20 december 1966
gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 december 1970
koninklijk besluit van 29 juli 1985)
derde lid (zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 29 juli 1985)
, eerste lid, (zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 24 januari 1994) van het koninklijk besluit van 24 december houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, voor zijn opheffing bij verordening van 28 juli 2003 tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; - de artikelen 1984
1998 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand te rekenen van de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede
derde lid, van dit wetboek. Krachtens artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, brengt de griffier, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, van dit wetboek, zoals te dezen van toepassing, bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen. De in voormeld artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde zaken zijn deze die genoemd worden in de artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°
11°, 581, 2°, 582, 1°
2°,
583 van datzelfde wetboek.
niet-discriminatiebeginsel, zoals bepaald in de artikelen 10
11 van de Grondwet. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
11 van de Grondwet strijdige discriminatie bestaat met betrekking tot de aanvang van de beroepstermijn tussen: - de rechtzoekenden ten aanzien van wie de kennisgeving bij gerechtsbrief geschiedt overeenkomstig artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek in de zaken, opgesomd in artikel 704, eerste lid, van dit wetboek,
- de rechtzoekenden ten aanzien van wie die kennisgeving niet dient te geschieden bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ofschoon de vereenvoudigde wijze van rechtsingang van artikel 704, eerste lid, van dit wetboek door artikel 164, derde lid, van de ZIV-Wet 1994 in die zaken van toepassing is verklaard. 10. Het Arbitragehof doet overeenkomstig artikel 26, §1, 3°, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bij wege van arrest uitspraak over de vragen omtrent de schending door een wet van de artikelen 10
11 van de Grondwet. Krachtens artikel 26, §2, van die Bijzondere Wet is het Hof verplicht de vraag te stellen die in het dictum van dit arrest is geformuleerd. 11. In de huidige stand van de rechtspleging zijn er geen redenen om het tweede, derde
vierde middel te onderzoeken. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere beslissing aan tot het Arbitragehof zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: ¿Schendt artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 704, eerste lid, van hetzelfde wetboek
met artikel 164, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging
uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10, tweede lid,
11 van de gecoördineerde Grondwet, nu voormeld artikel 792, tweede lid, in die zin moet worden begrepen dat de erin bedoelde kennisgeving bij gerechtsbrief van het vonnis door de griffier slechts dient te geschieden in de zaken opgesomd in voormeld artikel 704, eerste lid, dat in een rechtsingang met verzoekschrift voorziet,
niet in de zaken die kunnen ingeleid worden volgens de procedure bepaald bij voormeld artikel 704, eerste lid, krachtens een afzonderlijke wetsbepaling, zoals voormeld artikel 164, derde lid, van de ZIV-Wet van 14 juli 1994, zodat op de rechtzoekenden ten aanzien van wie de wetgever geoordeeld heeft dat beroep kan worden gedaan op de vereenvoudigde wijze van rechtsingang van voormeld artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in het
e geval artikel 792, tweede
derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is,
in het andere geval niet ?¿. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter,
de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns
Koen Mestdagh,
in openbare terechtzitting van vijf maart tweeduizend
zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070305.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.