id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070305.2 Rolnummer: S.06.0074.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-06-05 Raadplegingen: 481 - laatst gezien 2026-07-03 11:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het onderzoek naar het al dan niet belangrijk karakter van de duur van een onderbreking van het normale traject dat de werknemer, slachtoffer van arbeidsongeval, moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt en omgekeerd, dient niet uitsluitend op tijdselementen te worden gesteund
(1).
(1)Cass., 4 okt. 1999, AR S.98.0155.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991004.7, nr
- Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - WEG NAAR EN VAN HET WERK (BEGRIP, BESTAAN, BEWIJS) UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen Vrije woorden: Begrip - Normaal traject - Onderbreking - Niet belangrijk karakter Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Art. 8, § 1, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. S.06.0074.N VIVIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Koningsstraat 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.M.P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 april 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - De artikelen 8, in het bijzonder §1, eerste en tweede lid, 22 en 23 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de verweerder die ertoe strekte de eiseres te horen veroordelen tot het erkennen van de feiten van 28 oktober 2002 als arbeidsongeval en tot het betalen van de wettelijke vergoedingen voor tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid, de interest en de kosten van het geding, het hoger beroep van de eiseres ongegrond, op grond van de volgende motieven: ¿Samen met de eerste rechter is het (arbeidshof) van oordeel dat deze omweg ook chronologisch niet belangrijk was. Het slachtoffer werkte tot 13.15 uur. Omstreeks 13.30 uur is hij op zijn werk vertrokken (cfr. stuk 2 - vragenlijst - inventaris (eiseres)) en omstreeks 14.30 uur is hij bij C.S. vertrokken met zijn motor Kawasaki naar huis. Om 14.35 uur werd hij opgepikt door de ziekenwagen. Het slachtoffer diende ongeveer 10 minuten te rijden om van zijn werk tot bij C.S. te geraken, zodat het aannemelijk is dat hij daar omstreeks 13.40 uur aankwam. Rekening houdend met wat voorafgaat moet hij dus 50 à 55 minuten bij zijn collega-vriend gebleven zij, hetgeen niet als een chronologisch belangrijke omweg kan weerhouden worden. (¿) De eerste rechter oordeelde terecht dat het slachtoffer een wettige reden aantoonde voor de weinig belangrijke onderbreking, die niet was ingegeven door louter persoonlijke redenen, doch verband hield met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. In die omstandigheden werd terecht geoordeeld dat het ongeval gebeurde op het chronologisch en geografisch normale traject. Het (arbeidshof) besluit dan ook dat het ongeval dat (de verweerder) overkomen is op 28 februari 2002 gebeurde op het normale traject van het werk naar zijn verblijfplaats, zodat hij het slachtoffer werd van een arbeidsongeval in de zin van artikel 8, §1, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971¿. (bladzijde 6, derde laatste alinea, tot bladzijde 7, derde alinea, van het arrest). Grieven Eerste onderdeel 1.
- De eiseres voerde in haar regelmatig neergelegde ¿conclusie hoger beroep met gedinghervatting¿ aan: ¿In casu kan er geen enkele twijfel over bestaan dat de onderbreking als belangrijk dient te worden beschouwd; Het al dan niet belangrijk zijn van een onderbreking wordt immers onder meer beoordeeld in functie van de belangrijkheid in de tijd en de afstand van het normale traject; (¿) In het onderhavige geval blijkt het ongeval zich te hebben voorgedaan meer dan 75 minuten nadat de eiser de werkplaats had verlaten, terwijl het normale traject van de werkplaats naar de woonplaats van de eiser normalerwijze af te leggen is in ongeveer 10 minuten en terwijl de afstand tussen de werkplaats en de woonplaats van de collega van (de verweerder) slechts 3 km bedraagt; Het is bijgevolg voor geen enkele betwisting vatbaar dat er in casu sprake is van een zeer belangrijke onderbreking; (¿) Gelet op de aanwezigheid van een belangrijke onderbreking kan er bijgevolg slechts sprake zijn van een arbeids-wegongeval indien (de verweerder) het bewijs levert van overmacht¿ (bladzijde 3 en bladzijde 4, §1, van de conclusie hoger beroep van de eiseres). De eiseres liet zo op omstandig gemotiveerde wijze gelden dat bij de beoordeling van de onderbreking van het traject (ook) dient rekening gehouden te worden met de vergelijking tussen de objectieve duur van de onderbreking en de duur van het normale traject (het ¿proportionaliteitsbeginsel¿) en dat die beoordeling ertoe leidde dat de onderbreking waarvan sprake in deze zaak als belangrijk dient beschouwd te worden. 1.
- Het arbeidshof laat na op enigerlei wijze op die argumentatie te antwoorden en negeert het ¿proportionaliteitsbeginsel¿ volledig. Aldus beslist het arbeidshof niet zonder schending van de motiveringsverplichting dat de onderbreking van het traject niet belangrijk was (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel 2.
- Artikel 8, §1, eerste en tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepalen dat een ongeval dat zich voordoet op de weg naar en van het werk, ook als een arbeidsongeval wordt aangezien en dat onder de weg naar en van het werk het normale traject verstaan wordt dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd. Bij de beoordeling van de (al dan niet) normaliteit van het traject mag de rechter niet nalaten rekening te houden met de vergelijking van de objectieve duur van de onderbreking met de duur van het normale traject. Het arbeidshof stelt op de bladzijde 4, tweede alinea, van het arrest dat de eiseres aanvoerde dat ¿het normale traject naar de woonplaats van het slachtoffer normaal kan worden afgelegd in ongeveer 10 minuten¿. Over dat gegeven bestond tussen de partijen geen discussie en ook het arbeidshof betwistte of weerlegde dat gegeven niet. Anderzijds stelt het arbeidshof op de bladzijde 6, voorlaatste alinea, van het arrest vast dat de onderbreking van het traject ¿50 à 55 minuten¿ bedroeg. 2.
- Nergens in het arrest toetst het arbeidshof de objectieve duur van de onderbreking, waarvan het vaststelt dat die 50 tot 55 minuten bedroeg, aan de duur van het normale traject, waarvan het vaststelt dat het volgens de eiseres in ongeveer tien minuten kan worden afgelegd. In ieder geval blijkt uit de vaststellingen en overwegingen van het bestreden arrest dat het arbeidshof bij de beoordeling van de (al dan niet) normaliteit van de onderbreking absoluut geen rekening houdt met de vergelijking van de objectieve duur van de onderbreking met de duur van het normale traject. Aldus schendt het arbeidshof de wettelijke begrippen ¿weg van en naar het werk¿ en ¿normaal traject¿ door met de vaststellingen die het doet te beslissen dat de onderbreking van het traject niet belangrijk was (schending van artikel 8, in het bijzonder §1, eerste en tweede lid, en van de artikelen 22 en 23 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De appelrechters gronden hun beslissing dat zij ¿samen met de eerste rechter¿ van oordeel zijn dat de omweg en onderbreking geografisch en chronologisch niet belangrijk was, niet alleen op de in het middel weergegeven redenen maar tevens op de vaststellingen dat: - het traject van de werkplaats naar de verblijfplaats van het slachtoffer 10,31 km bedraagt en de afstand van het werk naar de woning van C.S. slechts 3,678 km bedraagt; - bij de beoordeling van het belang van de gemaakte omweg evenwel niet alleen rekening dient te worden gehouden met de rekenkundige verhouding tussen de gevolgde weg en de normale weg, maar ook met de feitelijke omstandigheden; - de werkgever het slachtoffer gevraagd heeft om langs te gaan bij zijn bevriende collega met betrekking tot de documenten in verband met diens ziekte. Zij oordelen dat het terzake om een geografisch niet belangrijke omweg gaat, ook niet in de tijd en dat er hiertoe een wettige reden was.
- Met deze vaststellingen en redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het door de eiseres aangevoerde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 22 en 23 van de Arbeidsongevallenwet, preciseert het niet hoe en waardoor het arrest deze bepalingen schendt. Het onderdeel is in zoverre onnauwkeurig en dienvolgens niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 8, §1, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet wordt onder de weg naar en van het werk verstaan: het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt en omgekeerd. Dit traject blijft normaal in de zin van dit artikel als de onderbreking onbeduidend is, als ze weinig belangrijk is en door een wettige reden verantwoord wordt, of als ze belangrijk is maar te wijten is aan overmacht.
- Het onderzoek naar het al dan niet belangrijk karakter van de duur van een onderbreking dient niet uitsluitend op tijdselementen te worden gesteund.
- De appelrechters stellen vast dat: - de verweerder op verzoek van zijn werkgever bij zijn bevriende collega is langsgegaan voor documenten in verband met diens ziekte; - de verweerder omstreeks 13.30 uur op zijn werk vertrokken is naar zijn collega, er omstreeks 14.30 uur wegging naar huis, en om 14.35 uur opgehaald werd door de ziekenwagen; - het traject van de werkplaats naar de verblijfplaats van het slachtoffer 10,31 km bedraagt terwijl de afstand van het werk naar de woning van de werkmakker 3,678 km bedraagt; - het traject voor het bezoek van de zieke werkmakker ongeveer 10 minuten rijden was; - de verweerder 50 à 55 minuten bij zijn collega/vriend gebleven is. - hij van de gelegenheid gebruik maakte om ¿even door te praten met zijn zieke vriend/collega, hetgeen sociaal volledig te rechtvaardigen valt¿. Op grond hiervan vermochten de appelrechters te oordelen dat de omweg en onderbreking onbelangrijk was en de voormelde omstandigheden een wettige reden uitmaakten die verband hield met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.
- Het arrest schendt zodoende de in het onderdeel aangehaalde wetsbepaling niet. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 95,77 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van vijf maart tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070305.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150518.5 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170515.2 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.152 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991004.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div