← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070305.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070305.3 Rolnummer: S.06.0079.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 498 - laatst gezien 2026-07-03 19:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een niet verkozen kandidaat-personeelsafgevaardigde in ondernemingsraden en in comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen geniet alleszins bij zijn eerste kandidatuurstelling de bescherming, gelijk aan deze van de verkozen personeelsafgevaardigden; er kan maar éénmaal een eerste kandidatuur zijn

(1).
(1)Cass., 1 okt. 2001, AR S.01.0014.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011001.9, nr
  1. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: Bijzondere ontslagregeling - Verkiezingen - Niet verkozen kandidaat-personeelsafgevaardigde - Beschermingsperiode - Duur Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - Art. 2, §§ 2 en 3, eerste lid Fiche 2 De termen in artikel 2, § 3, Wet 19 maart 1991 "zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen", houden in dat wanneer een kandidaat-personeelsafgevaardigde bij een latere kandidatuur verkozen wordt met verwerving van de eraan verbonden beschermperiode, hij ook bij niet-verkiezing bij de daarop volgende verkiezingen van dezelfde bescherming zal genieten, maar dat in alle andere gevallen van latere kandidatuur bij niet-verkiezing slechts de verkorte beschermperiode kan worden toegekend. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: Bijzondere ontslagregeling - Onderneming - Verkiezingen - Kandidaat personeelsafgevaardigde - Niet verkozen kandidaat - Vorige verkiezingen - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - Art. 2, § 3, tweede lid Annotaties Publicaties: R.W. - Luc ELIAERTS; Einde van de beschermingsperiode van de kandidaat-personeelsafgevaardigde bij verschillende kandidaturen. - 2007-2008, 983-987 Tekst van de beslissing Nr. S.06.0079.N R.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ALCATEL BELL, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Francis Wellesplein 1, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 mei 2006 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 2, inzonderheid § 3, 14, 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van de eiser, het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en als volgt gegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de eerste rechter van 22 maart 2005 en verklaart, opnieuw recht sprekend, de oorspronkelijke eis van de eiser ontvankelijk maar ongegrond. De eiser wordt veroordeeld tot de kosten van beide instanties. Het arbeidshof oordeelt dat op grond van de volgende motieven: ¿
  2. De beoordeling
  3. De beschermingsvergoeding De rechtsvraag die aan de orde is betreft de vraag of de niet verkozen kandidaat personeelsafgevaardigde bij de sociale verkiezingen in 1979, die in de twee daaropvolgende verkiezingen geen kandidaat is geweest maar bij de derde daaropvolgende verkiezing opnieuw kandidaat was maar niet verkozen werd, geniet van een bescherming van twee dan wel vier jaar. Luidens artikel 2, §1, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (verder ¿wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden') kunnen de personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegde paritaire orgaan werden erkend. Ingevolge artikel 2, §2, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden genieten de personeelsafgevaardigden het voordeel van de bepalingen van §1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld. Artikel 2, §3, van dezelfde wet bepaalt dat: ¿De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2 zo het hun eerste kandidatuur betreft. De kandidaat-personeelsafgevaardigden als bedoeld in het eerste lid genieten het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2 (ge)durende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen vastlegt, en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen. (¿)'. De Franse tekst luidt: ¿(...) lorsqu'ils ont déjà été candidats et qu'ils n'ont pas été élus à l'occasion des élections précédentes'. Het geschil betreft derhalve een probleem van wetsinterpretatie inzake de ontslagbescherming. De regels inzake de ontslagbeperking zijn ingesteld door de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden raken het algemeen belang en zijn van openbare orde (...). Er bestaat geen reden om te aanvaarden dat wetsbepalingen van openbare orde restrictief of strikt moeten worden geïnterpreteerd of op enige andere wijze dan wetsbepalingen die de openbare orde niet raken (...). Er bestaat evenwel slechts aanleiding om een wettekst te interpreteren wanneer die onduidelijk is. Wanneer de tekst duidelijk is behoeft hij geen interpretatie. In casu zijn er slechts twee situaties duidelijk door de wet geregeld: - de kandidaat personeelsafgevaardigde die voor de eerste maal kandidaat is voor de raad en/of comité geniet een bescherming gedurende een periode van vier jaar; - de kandidaat personeelsafgevaardigde die bij twee opeenvolgende verkiezingen kandidaat was en die de beide malen niet verkozen werd geniet van een bescherming gedurende een termijn van twee jaar. De feitelijke situatie in huidige zaak wordt door de wet niet uitdrukkelijk geregeld, zodat een verdere interpretatie zich opdringt. Verwijzend naar de betreffende passages in de voorbereidende werken stelt het openbaar ministerie in zijn advies terecht voorop dat ze geen uitsluitsel geven en dat ze derhalve niet kunnen gehanteerd worden voor de oplossing van de in het geding zijnde problematiek vermits ze niet ondubbelzinnig zijn (...). In het beste geval ondersteunen ze de door partijen niet betwiste stelling dat een kandidaat die bij twee opeenvolgende verkiezingen niet verkozen wordt slechts geniet van een bescherming van twee jaar. Daar de voorbereidende werken geen uitsluitsel geven dient men terug te grijpen naar de wettekst zelf. Het openbaar ministerie stelt in zijn advies desbetreffend het volgende: ¿De ontslagbescherming is geen nieuw gegeven. Zij bestond ook al in de vroegere wetgeving. De tekst was toen echter opgenomen onder twee diverse wetten. Men had, enerzijds, artikel 1bis, §4, van de Veiligheidswet en, anderzijds, artikel 21, §4, van de Bedrijfsorganisatiewet. Ook onder de gelding van de oude wetsbepalingen werd de vraag gesteld wat diende begrepen te worden onder ¿eerste kandidatuur': De problematiek werd uitgeklaard door een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 24 januari
  4. In het betreffende arrest werd gesteld dat er slechts één ¿eerste kandidatuur' is, iedere volgende kan niet meer onder dit begrip vallen (...). De eerste rechters hebben echter gemeend te moeten stellen dat de leer die uit het desbetreffende arrest kan worden getrokken niet meer van toepassing is onder de gelding van de nieuwe wetgeving. Enerzijds gebeurde dit op grond van een tekstueel verschil dat zou bestaan tussen de oude en de nieuwe tekst. Anderzijds, dat in tegenstelling tot de oude wet, de wetgever bij de wet van 1991 de intentie had om een verscherping van de beschermingsmaatregelen door te voeren. Vooreerst moet er worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot wat de eerste rechters poneerden, de voorbereidende werken niet toestaan te concluderen dat de wetgever als oogmerk had het beschermingsmechanisme van niet verkozen kandidaten te verstevigen. In de passage van de voorbereidende werken waarnaar het bestreden vonnis verwijst, stelde de minister net dat het ontwerp ¿niet voorziet in een verlen(g)ing van de bescherming van de niet verkozen kandidaten'. Verder, wat betreft de wetteksten. In de wet van 20 september 1948 betreffende de organisatie van het bedrijfsleven werd dit aspect geregeld in artikel 21, §
  5. De tekst luidde: ¿De kandidaten die bij de bij de artikelen 20 en 21 bedoelde verkiezingen worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van §3 zo het hun eerste kandidatuur betreft. De voornoemde kandidaten genieten het voordeel van de bepalingen van §2 gedurende een periode die loopt van de dertigste dag af voorafgaande aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, en eindigt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo het een volgende kandidatuur betreft'. De wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid der werknemers voorzag in een soortgelijke tekst in artikel 1bis, §
  6. De tekst hiervan was: ¿De kandidaten die voorgedragen worden bij de verkiezingen bedoeld onder artikel 1, §4, b, (4, vijfde) lid, en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van §3 zo het hun eerste kandidatuur betreft. Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt eveneens toegekend aan de kandidaten voorgedragen bij verkiezingen die nietig werden verklaard. De voornoemde kandidaten genieten het voordeel van de bepalingen van §2 gedurende een periode die loopt van de (dertigste) dag af voorafgaande aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, en eindigt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo het een volgende kandidatuur betreft'. De inhoud van de eerste passage in beide teksten komt overeen met wat vermeld staat in het eerste lid van artikel 2, §3, van de wet van 19 maart
  7. De gewijzigde situatie is aan te treffen in het tweede gedeelte van de tekst van de wet van
  8. In de oude bepalingen stond te lezen ¿(¿) en eindigt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo het een volgende kandidatuur betreft'. De nieuwe tekst luidt: ¿(¿) en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen'. Het nieuwe aspect is de passage ¿(¿) en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen'. Op basis van de teksten dient er derhalve te worden vastgesteld dat er een duidelijke verschuiving is wat betreft het punt dat aan de basis ligt voor de bepaling van de termijn van bescherming. Onder de oude regelgeving waren het de kandi¬daturen, en hun volgorde, die de beschermingstermijn bepaalden. Een eerste kandidatuur genoot een bescherming van vier jaar, de volgende kandidaturen geno¬ten een bescherming van twee jaar. In de nieuwe tekst kan men de accentverschuiving, ingevolge de nieuwe passage, duidelijk ontwaren. De beslissende factor is niet meer de kandidatuur op zich maar wel het feit dat men niet verkozen werd. (...) Het was net deze toevoeging die tot gevolg had dat de hoger vermelde lacune kon ontstaan. Het feit is dat deze rechterlijke aanvulling van de wet tot gevolg heeft dat er een verschil is met de toestand die gold onder de oude wet. Immers onder de oude wet was er een bescherming van vier jaar voor de eerste kandidatuur, alle volgende genoten slechts een termijn van twee jaar. In concreto betekende dit zo een werknemer, na een succesvolle kandidatuur, opnieuw kandidaat was bij de volgende verkiezingen doch niet verkozen werd, slechts kon genieten van een beschermingsperiode van twee jaar. Het was immers een volgende kandidatuur. Door de aanvulling die het arbeidshof van Luik diende te doen aan de wet geniet de werknemer in dezelfde situatie bij zijn vruchteloze kandidatuur een bescherming van vier jaar. De vraag is derhalve wat de invloed is van deze accentverschuiving. Samen met de eerste rechters dient te worden vastgesteld dat de semantische argumenten waarop partijen zich baseren ter zake geen duidelijkheid verschaffen. Het gebruik van de meervoudsvorm ¿verkiezingen' of het gebruik van het lidwoord ¿de' bij de woorden ¿sociale verkiezingen' staat niet toe de bepaling in de één of andere zin te interpreteren. De enige wijze waarop de passage zinvol kan geïnterpreteerd worden is zo men het artikel in zijn geheel leest waarbij rekening wordt gehouden met de diverse leden van artikel 2, §3, van de wet van 19 maart
  9. Er dient derhalve rekening gehouden te worden met de bewoordingen van het eerste lid van het desbetreffend artikel. De bepalingen zijn immers in cascade opgebouwd waarbij het tweede lid verder gaat op wat in het eerste lid wordt gestipuleerd. Vanuit deze premisse moet worden vastgesteld dat het eerste lid spreekt over ¿eerste kandidatuur', bepaling die door de rechtspraak werd aangevuld met ¿die niet tot verkiezing heeft geleid': net zoals het Arbeidshof te Antwerpen in 1980 vaststelde dient ook hier te worden gesteld dat men maar éénmaal ¿een eerste kandidatuur die niet tot verkiezing heeft geleid' kan hebben. In alle verdere verkiezingen dient te worden vastgesteld dat de betrokken werknemers ¿reeds kandidaat waren'. De toevoeging, in de wettekst, ¿en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen' kan aan dit punt geen afbreuk doen. De enige precisering die het aan de tekst toebrengt is dat het onsuccesvolle kandidaturen waren. Dit is de accentverschuiving in vergelijking met de vorige wetgeving. Niet de kandidatuur is beslissend voor het in werking treden van het beschermingsmechanisme maar wel de niet-verkiezing, het vruchteloos zijn van de kandidatuur. Vanaf de tweede vruchteloze kandidatuur kan men slechts genieten van de korte beschermingstermijn. Bij de samenlezing van het eerste en tweede lid van het desbetreffend artikel kan het tweede lid niet ingevuld worden in de zin dat het twee onmiddellijk opeenvolgende verkiezingen moet betreffen. In tegenstelling tot wat (de eiser) voorhoudt kan hieruit derhalve niet worden afgeleid dat de bescherming van twee jaar enkel van toepassing is op kandidaten die twee opeenvolgende succesloze kandidaturen hadden. (De eiser) genoot dienvolgens op het ogenblik van het ontslag niet meer van een ontslagbescherming, gezien hij in toepassing van artikel 2, §3, tweede lid, van de wet van 19 maart 1991 slechts kon genieten van een beschermingsperiode van twee jaar. Het arbeidshof onderschrijft volledig dit standpunt en maakt het tot het zijne. Daaruit volgt dat (de eiser) op het ogenblik van het ontslag niet langer genoot van de bescherming zoals bedoeld in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Het hoger beroep is bijgevolg gegrond¿ (blz. 4, tweede helft, tot blz. 8 van het arrest). Grieven
  10. De wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, hieronder afgekort als wet ontslagregeling personeels-afgevaardigden, is, op grond van artikel 1, §1, van die wet, van toepassing op de gewone en de plaatsvervangende leden die het personeel in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen (sedert de inwerkingtreding van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk comités voor preventie en bescherming op het werk genoemd) vertegenwoordigen, alsook op de kandidaten voor de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel in dezelfde organen en de werkgevers die voormelde personen tewerkstellen. De personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden worden beschermd tegen ontslag in die zin dat zij overeenkomstig artikel 2, §1, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden slechts kunnen worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht werd aangenomen of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. Krachtens artikel 2, §2, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden genieten de personeelsafgevaardigden het voordeel van de ontslagbescherming in beginsel gedurende een periode die loopt van de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot op de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld. De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten krachtens artikel 2, §3, eerste lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden de ontslagbescherming gedurende dezelfde periode als de personeelsafgevaardigden, zo het hun eerste kandidatuur betreft. Het tweede lid van artikel 2, §3, kent de ontslagbescherming aan de kandidaat-personeelsafgevaardigden maar toe gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van verkiezingen vastlegt, en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen. De kandidaat-personeelsafgevaardigden die reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen, genieten de ontslagbescherming bepaald in artikel 2, §1, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden dus maar gedurende een kortere periode. Indien de werkgever een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst zonder de bij de artikelen 2 tot 11 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden bedoelde voorwaarden en procedure na te leven, de werknemer zijn reïntegratie heeft aangevraagd en die door de werkgever niet werd aanvaard binnen de voorgeschreven termijn, moet die werkgever, krachtens artikel 17 van de wet, aan de werknemer de vergoeding betalen bedoeld in artikel 16 van de wet evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest. 2.
  11. Het arbeidshof stelt vast dat: - de eiser zich bij de sociale verkiezingen van 1979 kandidaat stelde als personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraden en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, maar dat hij toen niet verkozen werd (blz. 3, derde laatste alinea, van het arrest); - de eiser zich bij de sociale verkiezingen van 2000 opnieuw kandidaat stelde als personeelsafgevaardigde voor het comité voor preventie en bescherming op het werk en dat hij andermaal niet werd verkozen (blz. 3, voorlaatste alinea, van het arrest); - de verweerster op 3 juli 2002 de eiser in kennis stelde van haar beslissing de arbeidsovereenkomst te beëindigen (blz. 3, onderaan, van het arrest); - de eiser bij aangetekende brief van 10 juli 2002 bij monde van zijn vakorganisatie een verzoek tot reïntegratie indiende en dat verzoek door de verweerster werd geweigerd bij aangetekende brief van 17 juli 2002; - de eiser daarop onder meer een beschermingsvergoeding eiste gelijk aan vier jaar loon. 2.
  12. In het bestreden arrest overweegt het arbeidshof: - dat de kandidaturen van werknemer bij alle verkiezingen waaraan zij deelnemen na al eenmaal te hebben deelgenomen, geen ¿eerste kandidatuur¿ meer zijn in de zin van het eerste lid van artikel 2, §3, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden; - dat derhalve de kandidaat-personeelsafgevaardigden de kortere beschermingstermijn van het tweede lid van artikel 2, §3, van de wet ontslagregeling personeels-afgevaardigden genieten ¿vanaf de tweede vruchteloze kandidatuur¿; - dat de toevoeging, in de wettekst, van de woorden ¿en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen¿ aan dit punt geen afbreuk kan doen; - dat bij de samenlezing van het voornoemde eerste en tweede lid, het tweede lid niet ingevuld kan worden in die zin dat het twee opeenvolgende verkiezingen moet betreffen en dat de bescherming van twee jaar niet enkel van toepassing is op kandidaat-personeelsafgevaardigden die twee opeenvolgende succesloze kandidaturen hadden (blz. 8, tweede en derde nieuwe alinea, van het arrest). Het arbeidshof beslist dat de eiser op het ogenblik van zijn ontslag niet meer de ontslag-bescherming bepaald in artikel 2 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden genoot, aangezien hij met toepassing van artikel 2, §3, tweede lid, van voornoemde wet maar een ontslagbescherming genoot gedurende de periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen vastlegt en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag van de verkiezingen (blz. 8, vierde laatste alinea, van het arrest). Op die gronden verklaart het arbeidshof het hoger beroep van de verweerster gegrond en verklaart het, na het vonnis van de arbeidsrechtbank van 22 maart 2005 te hebben vernietigd, de vordering van de eiser tot het bekomen van een beschermingvergoeding op grond van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden ongegrond.
  13. De beperking in de tijd van de bescherming tegen ontslag van kandidaat-personeelsafgevaardigden waarvan het tweede lid van artikel 2, §3, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden voorziet, geldt blijkens de tekst van die bepaling en de parlementaire voorbereiding van die wet enkel ten aanzien van de kandidaat-personeelsafgevaardigden die ¿reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen¿, wat betekent dat het moet gaan om kandidaten die niet werden verkozen bij de onmiddellijk voorafgaande sociale verkiezingen. Uit de wil van de wetgever zoals die naar voren komt in de parlementaire voorbereiding en volgens welke de beschermingsperiode die geldt ten aanzien van verkozen personeelsafgevaardigden, ook ten aanzien van niet verkozen kandidaten principieel dient te worden in aanmerking te worden genomen en uit de samenlezing van het tweede lid, dat een uitzondering bevat op dat beginsel, met het eerste lid van artikel 2, §3, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden volgt dat onder ¿eerste kandidatuur¿ in het eerste lid moet worden verstaan, de kandidatuur van een werknemer die niet werd verkozen en die niet al kandidaat was bij de vorige sociale verkiezingen en niet werd verkozen. Door te oordelen dat de bepaling van artikel 2, §3, tweede lid, van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden geldt vanaf de tweede vruchteloze kandidatuur en die bepaling vervolgens toe te passen op de situatie van de eiser die, volgens de vaststellingen van het arbeidshof, zich (enkel) in 1979 en in 2000 vruchteloos kandidaat stelde bij de sociale verkiezingen, zijnde geen twee opeenvolgende sociale verkiezingen, en op die grond het hoger beroep van de verweerster gegrond te verklaren, schendt het arbeidshof de artikelen 1, 2, inzonderheid §3, 14, 16 en 17 van de wet ontslagregeling personeels-afgevaardigden. Aldus beslist het arbeidshof niet wettig dat de eiser op het ogenblik van zijn ontslag niet langer de ontslagbescherming zoals bepaald in artikel 2 van de wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden genoot en verklaart het hoger beroep van de verweerster bijgevolg niet wettig gegrond (schending van de artikelen 1, 2, inzonderheid §3, 14, 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  14. Krachtens artikel 2, §2, eerste lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de onder-nemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, genieten de verkozen personeelsafgevaardigden de in paragraaf 1 van dit artikel omschreven bescherming gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld. Krachtens artikel 2, §3, eerste lid, van de voormelde wet genieten de kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de veiligheidscomités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van de verkiesbaarheid voldoen, de in de paragrafen 1 en 2 omschreven bescherming zo het hun eerste kandidatuur betreft. Krachtens artikel 2, §3, tweede lid, van dezelfde wet genieten de voormelde kandidaat-personeelsafgevaardigden de in de paragrafen 1 en 2 omschreven bescherming gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen, zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen.
  15. Uit de voormelde wetsbepalingen volgt dat een niet-verkozen kandidaat alleszins bij zijn eerste kandidaatstelling de bescherming geniet, gelijk aan deze van de verkozen personeelsafgevaardigden. Er kan maar éénmaal een eerste kandidatuur zijn. De termen in voormeld artikel 2, §3, tweede lid, ¿zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen¿ houden in dat wanneer een kandidaat-personeelsafgevaardigde bij een latere kandidatuur verkozen wordt met verwerving van de eraan verbonden beschermingsperiode, hij ook bij niet-verkiezing bij de daaropvolgende verkiezingen van dezelfde bescherming zal genieten, maar dat in alle andere gevallen van latere kandidatuur bij niet-verkiezing slechts de verkorte beschermingsperiode kan worden toegekend. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 156,98 euro jegens de eisende partij en op de som van 264,13 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van vijf maart tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070305.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081208.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011001.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.