← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070313.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070313.2 Rolnummer: P.06.1687.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-07-03 06:45 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De omstandigheid dat de burgerlijke partij niet verschijnt houdt geen afstand in van de burgerlijke partijstelling, welke vordering aldus door de rechter moet worden beoordeeld

(1).
(1)Zie Cass., 31 mei 1995, AR P.95.0114.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950531.8, nr
  1. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Afstand (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke rechtsvordering - Burgerlijke partijstelling - Burgerlijke partij die niet verschijnt ter terechtzitting Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Afstand (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke partijstelling - Burgerlijke partij die niet verschijnt ter terechtzitting Tekst van de beslissing Nr. P.06.1687.N B H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marc Swinnen, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Beeldhouwerstraat 22, alwaar de eiser woonplaats kiest, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Iris Exelmans, advocaat bij de balie te Leuven, voor mr. Marc Swinnen, tegen D H, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. De beslissing op de civielrechtelijke vordering van de verweerder waarbij de eiser wordt veroordeeld tot het betalen van een provisie, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten, en waarbij alvorens recht te doen een deskundige wordt aangesteld, is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416 Wetboek van Strafvordering. Het cassatieberoep is in zoverre niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert aan dat de verweerder, die als rechtstreeks dagende partij voor het hof van beroep verstek deed, voor dit rechtscollege geen burgerlijke vordering instelde en hem aldus meer werd toegekend dan deze partij vorderde.
  5. De enkele omstandigheid dat de burgerlijke partij niet verschijnt, houdt geen afstand in van de burgerlijke partijstelling, welke vordering aldus door de rechter moet worden beoordeeld. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
  6. Het middel voert aan dat de uitdrukkelijke instemming van de eiser niet gevraagd werd voor het hof van beroep, waardoor niet voldaan is aan de hoofdzakelijke vereiste voor de toepassing van artikel 3 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.
  7. De instemming van de verdachte is voor de rechter een essentiële vereiste om wettig de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te kunnen gelasten. De rechter die meent de opschorting van de uitspraak van de veroordeling ten voordele van de verdachte te kunnen gelasten, mag het bestaan van die voorwaarde afleiden uit elk gegeven dat hem is voorgelegd.
  8. De appelrechters stellen vast dat de gunstmaatregel van de opschorting van de uitspraak door de eiser ¿uitdrukkelijk, zij het in ondergeschikte orde, gevraagd [werd] voor de Rechtbank van Eerste Aanleg, waarvan akte op het proces-verbaal ter terechtzitting van 7 april 2006¿. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  9. Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van de verklaringen van R B en M A, en kan aldus de bewijskracht ervan niet miskennen. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  10. Het middel komt op tegen de beoordeling van feiten door de rechter. Het is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 72,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 13 maart 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070313.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950531.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.