id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.4 Rolnummer: C.06.0294.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 558 - laatst gezien 2026-07-04 04:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een cassatieberoep dat gericht is tegen een partij die vreemd is aan de bestreden beslissing is niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tussenkomst GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening Vrije woorden: Cassatieberoep gericht tegen een partij die vreemd is aan de bestreden beslissing - Ontvankelijkheid Fiches 2 - 3 Een partij mag niet voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instellen tegen een andere partij wanneer tussen deze partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren gesteld; dit geldt ook wanneer die vordering tot vrijwaring berust op een feit of een akte die de oorspronkelijke eiser in de dagvaarding heeft aangevoerd
(1).
(1)Zie Cass., 29 okt. 2004, AR C.02.0406.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.3, nr 517 en R.W., 2004-05, 1618, noot S. MOSSELMANS; Cass., 5 jan. 2007, AR C.06.0026.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070105.3, www.cass.be; S. MOSSELMANS, "Tussenvorderingen in het gerechtelijk privaatrecht", R.W., 2004-05,
(1601)1606-
- Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tussenkomst GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Eerste aanleg - Geen vordering - Hoger beroep - Tussenvordering tot veroordeling - Vrijwaring - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 13, 15, 812, tweede lid, en 813, tweede lid Thesaurus CAS: TUSSENKOMST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tussenkomst GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening Vrije woorden: Eerste aanleg - Geen vordering - Hoger beroep - Tussenvordering tot veroordeling - Vrijwaring - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 13, 15, 812, tweede lid, en 813, tweede lid Annotaties Publicaties: R.W. - X; Noot. - 2007-2008, 1153 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0294.N I. S. M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- ETABLISSEMENTS L. LACROIX FILS, naamloze vennootschap, met zetel te 2610 Wilrijk, Sint-Bavostraat 66, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- F. G.,
- T. M. G., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 13, 15, 807, 809, 812, tweede lid, 813 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De vijfde kamer van het Hof van Beroep te Brussel besloot in het arrest van 6 januari 2006 tot de onontvankelijkheid van de door de eiser ingestelde en door hem als vordering in vrijwaring betitelde tussenvordering, op grond van de volgende overwegingen: ¿De vordering in vrijwaring van I. tegen G.F. en T. is een tussenvordering gericht tegen partijen die reeds in eerste aanleg partijen waren in het geding en strekt tot veroordeling van deze partijen tot terugbetaling van de som die een partij aan een andere partij verschuldigd is. Uit de samenhang van de artikelen 13, 15, 813, tweede lid, en 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat wanneer een partij in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, artikel 812, tweede lid, uitsluit dat in hoger beroep tussen die partijen een tussenvordering tot veroordeling wordt ingesteld. Op die manier sluit artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek uit dat een verweerder op hoofdvordering voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instelt tegen een andere verweerder op hoofdvordering wanneer tussen deze partijen in eerste aanleg geen vordering was ingesteld. (¿) In eerste aanleg was Imran de verweerder op de hoofdvordering van de NV Caritas en waren G.F. en T. eveneens verweerders op deze hoofdvordering. Imran heeft in eerste aanleg geen vordering in vrijwaring ingesteld tegen de medeverweerders op hoofdvordering. Zijn vordering in vrijwaring ingesteld voor het eerst in hoger beroep is bijgevolg onontvankelijk¿. (vonnis, p. 7, eigen onderlijning) Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 13, 15, 807, 809, 812, tweede lid, 813 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een tussenvordering iedere vordering is die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen erin te betrekken. Een tussenvordering tussen de partijen in het geding kan, overeenkomstig de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld indien zij berust op een feit of een handeling in de dagvaarding aangevoerd of wanneer zij een verweer tegen de hoofdvordering oplevert dan wel strekt tot compensatie. Artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tussenkomst de rechtspleging is waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Overeenkomstig artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek geschiedt vrijwillige tussenkomst bij verzoekschrift en gedwongen tussenkomst bij dagvaarding. Artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep. Voor het eerst in hoger beroep stelde de eiser tegen de tweede en de derde verweerder een tussenvordering in. Deze vordering dient gekwalificeerd te worden als een tussenvordering ingesteld tussen partijen in het geding overeenkomstig de artikelen 809 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, en niet als een vordering tot gedwongen tussenkomst in de zin van de artikelen 15 en 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, nu deze vordering werd ingesteld tussen partijen in het geding en hierdoor geen derde persoon tussenkwam in het geding. Hoewel de vordering in vrijwaring uitgaande van de eiser en gericht tegen de eerste en de tweede verweerder door de appelrechter in het bestreden arrest werd gekwalificeerd als een tussenvordering tussen partijen die reeds in eerste aanleg in het geding waren, beoordeelde deze laatste echter de ontvankelijkheid hiervan op grond van de artikelen 13, 15, 813, tweede lid, en 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, die betrekking hebben op een vordering tot tussenkomst. De ontvankelijkheid van deze tussen partijen in het geding ingestelde tussenvordering diende door de appelrechter in het bestreden arrest echter te worden beoordeeld op grond van de vast te stellen omstandigheid of deze vordering berustte op een feit of handeling in de gedinginleidende dagvaarding aangevoerd, hetgeen niet gebeurde en een schending uitmaakt van de artikelen 13, 807, tweede lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Door de ontvankelijkheid van de door de eiser tegen de tweede en de derde verweerder ingestelde tussenvordering te beoordelen op grond van ontvankelijkheidsvoorwaarden voor een vordering tot tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling in de zin van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en de vordering onontvankelijk te verklaren op grond dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep, laat de appelrechter na haar beslissing naar recht te verantwoorden. Het bestreden arrest schendt op deze wijze de artikelen 13, 15, 807, 809, 812, tweede lid, 813 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. De motivering van de beslissing van de appelrechter in het bestreden arrest tot het onontvankelijk verklaren van de vordering in vrijwaring van de eiser tegen de tweede en de derde verweerder, die reeds partijen waren in het geding in eerste aanleg, is aangetast door een tegenstrijdigheid. Hoewel de vordering in vrijwaring uitgaande van de eiser en gericht tegen de eerste en de tweede verweerder door de appelrechter in het bestreden arrest werd gekwalificeerd als een tussenvordering tussen partijen die reeds in eerste aanleg in het geding waren, beoordeelde deze laatste echter de ontvankelijkheid hiervan op grond van de artikelen 13, 15, 813, tweede lid, en 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, die betrekking hebben op een vordering tot tussenkomst, zijnde een vordering ten aanzien van een partij die nog niet in geding is en hiertoe gedwongen wordt tussen te komen. Door de tussenvordering van de eiser tegen partijen die reeds in eerste aanleg in het geding waren, te beschouwen als een vordering tot tussenkomst en de artikelen van het Gerechtelijk Wetboek die op deze laatste vordering betrekking hebben, van toepassing te verklaren, miskent het bestreden arrest bovendien de bewijskracht van het verzoekschrift tot hoger beroep van 19 februari 2004 en de beroepsconclusie van 16 juni 2004, uitgaande van de eiser, door een interpretatie van die akten te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het schendt hierdoor artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Memorie van wederantwoord
- Artikel 1094 van het Gerechtelijk Wetboek laat de eiser toe een memorie van antwoord te beantwoorden met een memorie van wederantwoord maar enkel in zoverre de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het cassatieberoep betreft.
- In zoverre de memorie van wederantwoord van de eiser verweer inhoudt tegen het antwoord van de eerste verweerster op het middel zelf, is deze niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerster werpt op dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is in zoverre het tegen haar is gericht gezien zij vreemd is aan de bestreden beslissing.
- Het cassatieberoep komt op tegen de beslissing van de appelrechter waarbij de vordering in vrijwaring van de eiser tegen de verweerders sub 2 en 3 onontvankelijk wordt verklaard. Die vordering is niet gericht tegen de verweerster, maar werd enkel ingesteld voor het geval de vordering van haar rechtsvoorganger NV Caritas tegen de eiser gegrond zou worden verklaard. Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond. Middel zelf Eerste onderdeel
- Overeenkomstig artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek is een tussenvordering iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken. Krachtens artikel 15 van hetzelfde wetboek is tussenkomst een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding en ertoe strekt, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen. Overeenkomstig artikel 813, tweede lid, van hetzelfde wetboek, kan gedwongen tussenkomst tussen de partijen in het geding worden aangebracht bij gewone conclusies. Overeenkomstig artikel 812, tweede lid, van hetzelfde wetboek kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.
- Uit de samenhang van voormelde bepalingen, volgt dat wanneer een partij in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek uitsluit dat in hoger beroep tussen die partijen een tussenvordering tot veroordeling wordt ingesteld. Voormelde bepaling sluit aldus uit dat een verweerder op hoofdvordering voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instelt tegen een andere verweerder op hoofdvordering wanneer tussen deze partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren gesteld. Dit geldt ook wanneer die vordering tot vrijwaring berust op een feit of een akte die de oorspronkelijke eiser in de dagvaarding heeft aangevoerd. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert in werkelijkheid een juridische tegenstrijdigheid aan tussen, enerzijds, de kwalificatie door de appelrechter van de vordering van de eiser als een tussenvordering gericht tegen partijen die reeds in eerste aanleg in het geding waren en, anderzijds, de toepassing van de wetsbepalingen met betrekking tot de vordering in tussenkomst. In zoverre het onderdeel artikel 149 van de Grondwet als geschonden aanwijst is het niet ontvankelijk.
- Door de vordering van de eiser gericht tegen de verweerders sub 2 en 3 te beschouwen als een vordering in tussenkomst en de wetsbepalingen die hierop betrekking hebben toe te passen, geeft de appelrechter geen uitleg van de bewoordingen van het verzoekschrift in hoger beroep en van de appelconclusie van de eiser en miskent hij derhalve de bewijskracht van die akten niet. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 780,75 euro jegens de eisende partij en op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers en Beatrijs Deconinck, en op de openbare terechtzitting van 16 maart 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070105.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div