id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.5 Rolnummer: F.04.0055.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 554 - laatst gezien 2026-07-04 03:25 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070316.5 Fiche 1 De minimum belastbare grondslag van de coördinatiecentra omvat niet de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Algemeen (inkomstenbelasting - vennootschappen) Vrije woorden: Coördinatiecentra - Forfaitair vastgestelde belastbare grondslag - Minimum belastbare grondslag - Niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-12-1982 - Art. 5, § 1, eerste en tweede lid Fiche 2 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 16 maart 2007, AR F.04.0055.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Algemeen (inkomstenbelasting - vennootschappen) Vrije woorden: Coördinatiecentra - Forfaitair vastgestelde belastbare grondslag - Minimum belastbare grondslag - Niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten Annotaties Publicaties: Fiscoloog - X; ...geen belasting op belasting van coördinatiecentra - 2007,4-6 Fisc Act. - V. DE BRABANDER; T. DE WIT; Coördinatiecentra ... - 2007, 5-7 T.F.R. - M. VAN GILS; Tax-on-tax: requiescat in pace? - 2007,608-620 Tekst van de beslissing Nr. F.04.0055.N COBELFRET COÖRDINATIECENTRUM, naamloze vennootschap, met zetel te 2610 Wilrijk, Sneeuwbeslaan 14, eiseres, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, en door mr. Daniël Garabedian, advocaat bij de balie te Brussel, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, op benaarstiging van de gewestelijke directeur der directe belastingen, directie Brussel II - Vennootschappen, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 233-245, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 5, §1, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, bevestigd door de wet van 1 juli 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zoals gewijzigd door de wetten van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen; - de artikelen 109, 1°, en 126, eerste lid (dit laatste zoals gewijzigd door de wet van 22 december 1989) van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)en de artikelen 198, 1°, en 215, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)in hun oorspronkelijke tekst. Aangevochten beslissingen Het arrest doet in hoofdzaak de hierna volgende vaststellingen.
(1)¿(De eiseres) is een coördinatiecentrum in de zin van het KB nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, zoals gewijzigd door de Wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen; deze coördinatiecentra worden op forfaitaire wijze belast; hetzij volgens de zogenaamde ¿cost-plus' methode of winstopslag formule waarbij de forfaitaire winst wordt vastgesteld op een percentage (meestal 8 pct. van het totale bedrag van de uitgaven en werkingskosten met uitsluiting van de personeels- en financiële kosten, doch met dien verstande dat de aldus vastgestelde belastbare basis niet lager mag zijn dan de zogenaamde ¿minimum belastbare basis' of nog ¿alternatieve basis' genoemd; deze minimum belastbare basis of alternatieve basis wordt gevormd door: de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten; de tantièmes; de abnormale en goedgunstige voordelen¿;
(2)de betwiste aanslag van het aanslagjaar 1998 werd op een minimum belastbare grondslag gevestigd die ook het bedrag van de door de eiseres in haar jaarrekeningen van het boekjaar dat betrekking heeft op deze aanslagperiode geboekte vennootschapsbelastingschulden omvat, zijnde de geschatte belastingschuld op de winst van dit boekjaar en belastingschulden met betrekking tot de winst van vorige boekjaren die door de administratie tijdens dit boekjaar werden gevestigd ten gevolge van een wijziging van de aangiften in de vennootschapsbelasting van de eiseres met betrekking tot die vorige boekjaren;
(3)¿de enige rechtsvraag die in huidig geschil voorligt is te weten of de vennootschapsbelasting al dan niet moet worden aangezien als onderdeel van de ¿minimum belastbare basis' van een coördinatiecentrum, inzonderheid of de vennootschapsbelasting al dan niet moet worden aangezien als ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten'. Het bestreden arrest beslist dat de administratie terecht deze vennootschapsbelasting bij de aan eiseres' vennootschapsbelasting onderworpen grondslag heeft gevoegd en doet, bijgevolg, het vonnis a quo teniet en wijst de oorspronkelijke vordering van de eiseres af als zijnde ongegrond. Het arrest motiveert die beslissing in hoofdzaak als volgt: ¿'Uitgangspunt is de tekst van art. 5 van het KB nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra zoals gewijzigd door de wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen: in afwijking van de artikelen 96 tot 115, 142 en 14 tot 148 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (van 1964, thans de artikelen 183 tot 207, 230 en 233 tot 240 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992), wordt het belastbaar inkomen van het centrum op forfaitaire wijze vastgesteld. Die vaststelling geschiedt op basis van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en financiële kosten, zonder dat het aldus vastgestelde inkomen lager mag zijn dan het bedrag gevormd door het totaal van: a) de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten; b) (¿) c) de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend. Artikel 109 WIB
(1964)(thans art. 198 WIB/92 bepaalt: ¿Als beroepskosten zijn niet aftrekbaar: 1° de vennootschapsbelasting, met inbegrip van de desbetreffende verhogingen (...)'. Blijkens de wetshistoriek van het KB nr. 187 van 30 december 1982 werd oorspronkelijk alleen voorzien in een tijdelijke vrijstelling van de vennootschapsbelasting beperkt tot de gereserveerde winst en de winst uitgekeerd aan de aandeelhouders en vennoten. Het is pas bij artikel 39 van de wet van 27 december 1984 dat artikel 5, §1, van het KB nr. 187 werd herschreven zoals hiervoor vermeld. De reden van wijziging vond zijn oorsprong in Europese bezwaren m.b.t. het stelsel van vrijstelling die een steun zou uitmaken hetgeen onverenigbaar was met de artikelen 92 en 93 van het Verdrag van Rome. Voorgesteld werd de centra te onderwerpen aan het gemeenrechtelijk stelsel behalve voor wat betreft de vaststelling van de belastbare winst (zie Parlementaire bescheiden, ontwerp van wet, nr. 1010/1, Memorie van toelichting: blz 14 en 15). Deze visie werd nog herhaaldelijk hernomen in het verslag van de Commissie voor de Financiën (Parlementaire bescheiden, Verslag, 1010/13, blz. 9-10, blz. 108-110; zie tevens Parlementaire bescheiden, Verslag nr. 78/2, blz. 9 en blz. 37-38). In voormelde parlementaire bescheiden wordt de term ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten' omschreven als ¿uitgaven en lasten die niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbaar zijn' en anderzijds als ¿fiscaal niet aftrekbare uitgaven'. De administratie wijst er terecht op dat de term ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten' niet anders kan begrepen worden dan als bepaald in de artikelen 50, 50bis en 109 WIB/64, omdat behoudens de vaststelling van de belastbare grondslag de gemeenrechtelijke bepalingen m.b.t. de vennootschapsbelasting van toepassing blijven. De interpretatie van de (eiseres) dat uitdrukkelijk afgeweken wordt van art. 109 WIB/64 in art. 5, §1, van het KB nr. 187 waarbij de niet aftrekbaarheid van de vennootschapsbelasting wordt voorzien zou leiden tot een interpretatie dat art. 5, §1, van het KB nr. 187 volledig los zou staan van de bepalingen zoals vervat in het WIB. Wanneer dezelfde redenering zou worden aangehouden voor art. 96 WIB/64 (waarvan art. 5, §1, van het KB nr. 187 evenzeer afwijkt) zou dit tot ongerijmdheden leiden. Art. 96 WIB/64 dat bepaalt dat het bedrag van de inkomsten dat onderhevig is aan de vennootschapsbelasting wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op de personenbelasting, met name de winsten van de in artikel 20, 1°, WIB/64 bedoelde bedrijven zou dan ook niet van toepassing zijn, hetgeen met zich zou meebrengen dat evenmin het referentiekader inzake de aftrekbare bedrijfsuitgaven of -lasten als bedoeld in art. 44 WIB/64 van toepassing zou zijn. Dergelijke interpretatie druist volledig in tegen het principe dat de coördinatiecentra onderworpen zijn aan het gemeen recht behalve voor de vaststelling van de belastbare winst. Desbetreffend wijst de (eiseres) erop dat het begrip ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten' niet gedefinieerd is in het gemeen belastingrecht zodat het autonoom moet worden geïnterpreteerd. In dit verband merkt de administratie nog terecht op dat het begrip ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten' zijn oorsprong vindt in het artikel 65, A, 2°, van het KB WIB/64 alwaar deze post werd opgenomen als een categorie van winst tot vaststelling van het belastbaar inkomen. De ¿niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbare bedragen' worden omschreven in de artikelen 50 en 50bis WIB/64 voor de personenbelasting en specifiek voor de vennootschapsbelasting in artikel 109 WIB/64. Uit de samenlezing van artikel 65, A, 2°, KB WIB/64 en art. 109 WIB/64 volgt dat onder het begrip ¿niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbare bedragen' de vennootschapsbelasting moet worden begrepen. Alhoewel deze term in het gewijzigde art. 65, A, 2e KB WIB/64 in artikel 74 KB WIB/92 werd vervangen door verworpen uitgaven (daaronder verstaan zijnde ¿de niet als beroepskosten aftrekbare bedragen') behoudt het begrip ¿niet als bedrijfsuitgaven of -lasten aftrekbare bedragen' dat werd gewijzigd in ¿de niet als beroepskosten aftrekbare bedragen' dezelfde inhoud. De omstandigheid dat in het gewone aanslagregime een correctie van het resultaat gebeurde door de gedebiteerde vennootschapsbelasting te boeken (bedoeld wordt te corrigeren) als een verworpen uitgave, hetgeen een wezenlijk verschil uitmaakt met de bijzondere wijze van samenstelling van de belastbare grondslag van een coördinatiecentrum waarbij het boekhoudkundig resultaat geen rol speelt, verandert daar niets aan. Het hof stelt immers vast dat in de lijst van niet als beroepskosten aangemerkte bedragen (zie art. 109 WIB/64, thans art. 198 WIB/92) de vennootschapsbelasting eerst wordt vermeld, hetgeen als een verworpen uitgave moet worden beschouwd. Welnu ingevolge het verslag aan de Koning behoort een verworpen uitgave tot de belastbare grondslag van een coördinatiecentrum. Uit het voorgaande volgt dat de vennootschapsbelasting wel degelijk deel uitmaakt van de ¿minimum belastbare grondslag'. Grieven De minimum belastbare grondslag van coördinatiecentra, bepaald door artikel. 5, §1, van het koninklijk besluit nr. 187, omvat niet, voor een bepaalde aanslagperiode, de in de jaarrekeningen van deze aanslagperiode geboekte vennootschapsbelastingschulden, zijnde de geschatte belastingschuld van deze aanslagperiode en de belastingschulden met betrekking tot vorige aanslagen die tijdens dat aanslagjaar aan het licht zijn gekomen. Om het tegenovergestelde te beslissen, steunt het bestreden arrest op de tijdens de voorbereidende werkzaamheden tot de wijzigende wet van 27 december 1984 uitgedrukte wil om voortaan de coördinatiecentra aan het ¿gemeenrechtelijk stelsel¿ te onderwerpen en op het feit dat, in het gemeenrechtelijk stelsel van de vennootschapsbelasting, artikel 109, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)(thans artikel 198, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992), bepaalt dat ¿als beroepskosten zijn niet aftrekbaar: 1° de vennootschapsbelasting¿. Zoals het bestreden arrest het echter zelf herhaalt, preciseren die voorbereidende werkzaamheden dat de centra aan het gemeenrechtelijk stelsel zullen onderworpen zijn ¿behalve voor wat betreft de vaststelling van de belastbare winst¿. Artikel 5, §1, van het koninklijk besluit nr. 187 sluit voor het overige, wat de vaststelling van het belastbaar inkomen van de coördinatiecentra betreft, alle artikelen uit van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen die de gemeenrechtelijke belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting vastleggen. Welnu, die uitsluiting betreft precies de vaststelling van de hier ter sprake zijnde belastbare winst. De tijdens de voorbereidende werkzaamheden tot de wet van 27 december 1984 gedane verklaring, waarop het bestreden arrest steunt, is dus niet relevant. In het gemeenrechtelijk stelsel heeft artikel 109, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)(thans artikel 198, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992), waarnaar het arrest verwijst, voor het overige niet als doel, noch als gevolg de vennootschapsbelasting aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen. Die bepaling beoogt enkel te verduidelijken dat de belastbare grondslag overeenstemt met de boekhoudkundige winst van de vennootschap vóór aftrek van de belasting en niet met de boekhoudkundige winst na aftrek van de belasting. De toepassing van deze bepaling ter vaststelling van de minimum belastbare grondslag van de coördinatiecentra heeft tot gevolg deze minimum grondslag te verhogen met het bedrag van de op de minimum grondslag verschuldigde belasting en vervolgens de minimum belastbare grondslag met deze tweede belasting te verhogen, en dit zo tot in het oneindige (het zogenaamde ¿sneeuwbaleffect¿). Dit is niet de draagwijdte van de regel vastgesteld in artikel 109, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)(thans artikel 198, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992). Deze bepaling vermag bijgevolg niet de door het bestreden arrest weerhouden oplossing te rechtvaardigen. Artikel 5, §1, van het koninklijk besluit nr. 187 geeft geen definitie van de ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten¿ die in de minimum belastbare grondslag van coördinatiecentra dienen opgenomen te worden. Desaangaande verwijst dat artikel evenmin expliciet naar een bepaling van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen of van het koninklijk besluit tot uitvoering van dit Wetboek. Het wijkt er integendeel uitdrukkelijk van af. Door de ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten¿ als een element van de minimum belastbare grondslag van coördinatiecentra te beschouwen, verwijst artikel 5, §1, van het koninklijk besluit nr. 187 weliswaar impliciet naar bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen die de aftrek van bepaalde uitgaven voor de vaststelling van de gemeenrechtelijke belastbare winst uitsluiten. Uit de voorbereidende werkzaamheden betreffende het koninklijk besluit nr. 187 en de wet van 27 december 1984 blijkt echter dat de wetgever door de coördinatiecentra op de ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten ¿te belasten, enkel de vrijwillige uitgaven beoogde zoals de ¿geheime commissielonen (en de) uitgaven die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen¿ en tot doel had ¿misbruiken te voorkomen¿ (Verslag aan de Koning voorafgaande aan de oorspronkelijke versie van het koninklijk besluit nr. 187, B.S., 13 januari 1983, p. 503). Zoals het belasten van de door het centrum verkregen abnormale of goedgunstige voordelen beoogt te vermijden dat men winsten naar het centrum zou verschuiven waar zij onbelast zouden blijven, beoogt het belasten van de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten te vermijden dat men door een coördinatiecentrum lasten zou laten dragen die in hoofde van een normaal belaste vennootschap niet- of slechts gedeeltelijk aftrekbaar zijn. Tot deze tweede categorie van elementen behoort de vennootschapsbelasting duidelijk niet: de vennootschapsbelasting is geen vrijwillige uitgave in hoofde van de vennootschap en er bestaat geen risico van verschuiving van de vennootschapsbelasting van een lid van de groep aan het coördinatiecentrum. De interpretatie van het bestreden arrest leidt ertoe de minimum belastbare grondslag te verhogen met de belasting die het coördinatiecentrum verschuldigd is op de minimum belastbare grondslag en vervolgens de minimum belastbare grondslag met deze tweede belasting te verhogen, dit zo tot in het oneindige (het zogenaamde ¿sneeuwbaleffect¿). Dat is nooit de bedoeling geweest van de wetgever. Door te beslissen dat de vennootschapsbelasting, berekend op de door het koninklijk besluit nr. 187 vastgelegde minimum belastbare grondslag, zelf in deze belastbare grondstag dient te worden opgenomen, heeft het bestreden arrest tot gevolg dat deze belastbare grondslag wordt onderworpen aan een belastingtarief dat hoger is dan het gewoon gemeenrechtelijke tarief van de vennootschapsbelasting. Uit artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 volgt echter a contrario dat de door deze bepaling vastgelegde minimum belastbare grondslag aan het gewoon gemeenrechtelijk tarief van de vennootschapsbelasting is onderworpen, zoals bepaald door 126, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)en daarna, vanaf aanslagjaar 1992, door artikel 21.5, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Door te beslissen dat de Administratie terecht de vennootschapsbelasting in de belastbare grondslag van de vennootschapsbelasting van de eiseres van aanslagjaar 1998 heeft opgenomen, heeft het bestreden arrest artikel 5, §1, van het koninklijk besluit nr. 187, alsmede de andere in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen geschonden. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Na in hoofdzaak de hierna volgende vaststellingen te hebben gedaan:
(1)¿(de eiseres) is een coördinatiecentrum in de zin van het KB nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, zoals gewijzigd door de Wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen; deze coördinatiecentra worden op forfaitaire wijze belast; hetzij volgens de zogenaamde ¿cost plus' methode of win stopslag formule waarbij de forfaitaire winst wordt vastgesteld op een percentage (meestal 8 pct. van het totale bedrag van de uitgaven en werkingskosten met uitsluiting van de personeels- en financiële kosten, doch met dien verstande dat de aldus vastgestelde belastbare basis niet lager mag zijn dan de zogenaamde ¿minimum belastbare basis' of nog ¿alternatieve basis' genoemd; deze minimum belastbare basis of alternatieve basis wordt gevormd door: de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten; de tantièmes; de abnormale en goedgunstige voordelen¿;
(2)de betwiste aanslag van het aanslagjaar 1998 werd op een minimum belastbare grondslag gevestigd die ook het bedrag van de door eiseres in haar jaarrekeningen van het boekjaar dat betrekking heeft op deze aanslagperiode geboekte vennootschapsbelastingschulden omvat, zijnde de geschatte belastingschuld op de winst van dit boekjaar en belastingschulden met betrekking tot de winst van vorige boekjaren die door de administratie tijdens dit boekjaar werden gevestigd ten gevolge van een wijziging van de aangiften in de vennootschapsbelasting van de eiseres met betrekking tot die vorige boekjaren;
(3)¿de enige rechtsvraag die in huidig geschil voorligt is te weten of de vennootschapsbelasting al dan niet moet worden aangezien als onderdeel van de ¿minimum belastbare basis' van een coördinatiecentrum, inzonderheid of de vennootschapsbelasting al dan niet moet worden aangezien als ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten';
(4)¿(de eiseres) laat (...) gelden dat art. 5, §1, van het KB nr. 187 in de interpretatie van de (verweerder) het gelijkheidsbeginsel zou schenden omdat twee coördinatiecentra die zich in een gelijkaardige situatie fiscaal verschillend worden behandeld naargelang het tijdstip waarop zij een aanvullende aanslag in de vennootschapsbelasting ontvangen, naargelang zij de aanslag boekhoudkundig verwerken of naargelang de verhouding van de minimum belastbare basis t.o.v. de cost plus basis¿, doet het bestreden arrest het vonnis a quo teniet en wijst het de oorspronkelijke vordering van de eiseres af als zijnde ongegrond, zonder een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen betreffende de overeenstemming van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat het begrip ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten¿ bedoeld in voornoemd artikel 5 de vennootschapsbelasting omvat. Het arrest motiveert die beslissing als volgt: ¿De vennootschapsbelasting maakt wel degelijk deel uit van de minimum belastbare grondslag (van artikel 5, §1, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, zoals gewijzigd door de wetten van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen) (...). Terecht stelt (de verweerder) dat het stellen van een prejudiciële vraag niet dienend is omdat de uitgangspositie verschillend is daar in het ene geval de aanslag wordt ontvangen in het jaar N en in het andere geval in het jaar N
- Bovendien is het antwoord op deze vraag niet onontbeerlijk om tot een oplossing van het geschil te komen¿. Grieven Indien de ¿niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten¿ die, krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982, in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de minimum betastbare grondslag van een coördinatiecentrum voor een bepaald boekjaar, het bedrag van de vennootschapsbelastingschulden omvatten die het coördinatiecentrum in zijn jaarrekeningen van dat boekjaar heeft moeten boeken ten gevolge van de inkohiering door de administratie, tijdens dat boekjaar, van belastingsupplementen met betrekking tot vorige boekjaren, dan schendt deze bepaling het gelijkheidsbeginsel dat gewaarborgd is door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Coördinatiecentra die zich in een identieke situatie bevinden worden immers verschillend behandeld - namelijk zij dragen een verschillende belastinglast - al naargelang het tijdstip waarop zij een aanvullende aanslag in de vennootschapsbelasting ontvangen. Twee coördinatiecentra die eenzelfde aanvullende aanslag krijgen met betrekking tot een vorig boekjaar (bijvoorbeeld, omdat de administratie meent dat de centra een goedgunstig of abnormaal voordeel tijdens een vorig aanslagjaar hebben verkregen), zullen verschillend worden behandeld naargelang het tijdstip waarop zij de aanvullende aanslag in de vennootschapsbelasting ontvangen. Het eerste coördinatiecentrum krijgt de aanvullende aanslag tijdens het aanslagjaar
- Deze aanslag wordt dus toegevoegd aan de minimum belastbare grondslag van dat aanslagjaar
- Bijgevolg zal het bedrag van de aanvullende belastinglast van het eerste coördinatiecentrum met betrekking tot de aanvullende aanslag afhangen van de cost plus basis en van de andere elementen van de minimum belastbare grondstag van dat aanslagjaar
- Het tweede coördinatiecentrum ontvangt de aanvullende aanslag tijdens het aanslagjaar 2 en blijft dus belast voor het aanslagjaar 1 op de cost plus basis. De aanvullende aanslag komt in aanmerking voor de berekening van de minimum betastbare grondslag van het tweede coördinatiecentrum van het aanslagjaar
- Bijgevolg zal het bedrag van de aanvullende belastinglast met betrekking tot de aanvullende aanslag afhangen van de cost plus basis en van de andere elementen van de minimum belastbare grondslag van dat aanslagjaar
- Dus, zelfs wanneer de twee coördinatiecentra eenzelfde cost plus basis hebben en eenzelfde minimum belastbare grondslag (met uitzondering van de aanvullende vennootschapsbelasting) die lager is dan de cost plus basis en ze eenzelfde aanvullende aanslag krijgen, dan worden die coördinatiecentra toch verschillend behandeld namelijk dragen zij over de twee aanslagjaren een verschillende belastinglast met betrekking tot dezelfde supplementaire aanslag. Dit verschil in behandeling tussen twee coördinatiecentra die zich in een gelijke situatie bevinden, al naargelang het tijdstip waarop zij de aanvullende aanslag krijgen, is niet op redelijke wijze gerechtvaardigd. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door toepassing te maken van artikel 5, §1, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, zoals gewijzigd door de wetten van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, om de oorspronkelijke vordering van de eiseres te afwijzen als zijnde ongegrond, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 5, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, zoals gewijzigd door artikel 39 van de wet van 27 december 1984, wordt, in afwijking van de artikelen 96 tot 115, 142 en 144 tot 148 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)het belastbaar inkomen van de coördinatiecentra forfaitair vastgesteld. Krachtens het tweede lid van dit artikel gebeurt de vaststelling van het belastbare inkomen van de coördinatiecentra op basis van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en de financiële kosten, zonder dat het aldus vastgestelde inkomen lager mag zijn dan het bedrag gevormd door het totaal van: - de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten; - de andere tantièmes dan die bedoeld in artikel 108, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964); - de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend. Hieruit volgt dat, in afwijking van de gemeenrechtelijke bepalingen in verband met de vaststelling van het belastbare inkomen, de forfaitaire winst van de coordinatiecentra wordt vastgesteld op een percentage van het totale bedrag van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en de financiële kosten, zonder dat het aldus forfaitair vastgestelde belastbare inkomen evenwel lager mag zijn dan de minimale belastbare basis die wordt gevormd door de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten, de andere tantièmes dan die bedoeld in artikel 108, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)en de abnormale of goedgunstige voordelen.
- De wetgever heeft het begrip ¿de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten¿ gebruikt in voormeld artikel 5, §1, tweede lid, niet nader gedefinieerd. Uit het verslag aan de Koning voorafgaand aan de oorspronkelijke versie van het koninklijk besluit nr. 187 en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 december 1984 blijkt dat de wetgever door het belasten van de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten, misbruiken beoogde te vermijden en meer bepaald wou tegengaan dat het coördinatiecentrum lasten zou dragen die in hoofde van een normaal belaste vennootschap niet of slechts gedeeltelijk aftrekbaar zijn. Het opnemen van de belasting in de belastbare grondslag leidt tot een onlogische berekeningswijze van de belasting die de wetgever niet heeft gewild.
- Gelet op de bedoeling van de wetgever enkel misbruiken te voorkomen, omvat de minimum belastbare grondslag van de coördinatiecentra niet de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen.
- De appelrechters die oordelen dat de vennootschapsbelasting wel degelijk deel uitmaakt van de minimum belastbare grondslag, schenden aldus artikel 5, §1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december
- Het middel is gegrond. Overige grieven
- Het onderzoek van de overige grieven kan niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 16 maart 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070316.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170120.5 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170120.5 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190919.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div