id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.1 Rolnummer: S.05.0032.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 277 - laatst gezien 2026-07-03 06:45 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De kinderbijslag is een tegemoetkoming van de sociale zekerheid in de kosten verbonden aan de opvoeding van het kind en wordt uitbetaald aan de ouder die het kind daadwerkelijk opvoedt; de verplichting om een onverschuldigd ontvangen kinderbijslag terug te betalen is geen schuld die is aangegaan ten behoeve van de huishouding of van de opvoeding van de kinderen. Thesaurus CAS: GEZINSBIJSLAG - WERKNEMERS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Onverschuldigde betaling SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Werknemer Vrije woorden: Kinderbijslagfonds - Onverschuldigde betaling - Terugvordering - Schuld - Aard Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 222, eerste lid Thesaurus CAS: BETALING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Onverschuldigde betaling SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Werknemer Vrije woorden: Gezinsbijslagfonds - Onverschuldigde betaling - Schuld - Aard Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 222, eerste lid Annotaties Publicaties: T.Fam. - Ellen VAN ROYEN; Geen hoofdelijke gehoudenheid van de echtgenoten voor de verplichting om onverschuldigd ontvangen kinderbijslag terug te betalen - 2009, 51-54 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0032.N KINDERBIJSLAGFONDS VAN HET VLAAMS ECONOMISCH VERBOND - CAISSE D'ALLOCATIONS FAMILIALES LES ASD, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2000 Antwerpen, Brouwersvliet 4 bus 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- D.D.E., verweerster,
- B. P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 december 2004 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders gecoördineerd bij koninklijk besluit van 19 december 1939 tot samenvatting van de wet van 4 augustus 1930 betreffende de kindertoeslagen voor loonarbeiders en de koninklijke besluiten krachtens een latere wetgevende delegatie genomen, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de wijziging van die bepaling door artikel 41 van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen; - de artikelen 222, eerste lid, 1200, 1202, 1206, 1207, 1370, inzonderheid vierde lid, 1371, 1376 en 2249 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van de eiseres, het hoger beroep van de eiseres tegen de beslissing van de eerste rechter dat de vordering ten aanzien van de tweede verwerende partij verjaard is en derhalve onontvankelijk, ongegrond op grond van de volgende motieven: ¿4.
- Nopens de verjaring van de vordering en hoofdelijkheid Krachtens artikel 120bis, koninklijk besluit van 19 december 1939, verjaart het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Het eerste lid is niet toepasselijk indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijke onvolledige verklaringen. Blijkbaar steunt (de eiseres) niet op dit laatste lid om de verjaringstermijn van vijf jaar uit te sluiten. Aangezien de verjaring werd gestuit ten opzichte van eerste verwerende partij bij aangetekende brieven van 3 oktober 1995, 6 juli 1998 en 8 januari 1999, waarna de betekening van de dagvaarding volgt op 15 november 2001, is de vordering ten opzichte van (de eerste verwerende partij) in elk geval niet verjaard voor de volledige relevante periode. (De tweede verwerende partij) werd pas aangemaand tot het betalen bij niet-aangetekende brief van 2 februari
- (De eiseres) stelt terecht dat de stuiting van de verjaring van één van de hoofdelijke schuldenaars ook geldt ten aanzien van de andere, krachtens artikel 1206 en 2249, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De hamvraag is evenwel of er te dezen sprake kan zijn van een hoofdelijke schuld. Krachtens artikel 1202 van het Burgerlijk Wetboek, wordt hoofdelijkheid niet vermoed, ze moet uitdrukkelijk bedongen zijn. Deze regel lijdt alleen uitzondering in de gevallen waarin hoofdelijkheid bestaat van rechtswege, krachtens een bepaling van de wet. Krachtens artikel 222, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, verbindt iedere schuld die door een der echtgenoten wordt aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen, de andere echtgenoot hoofdelijk. Artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek is evenwel enkel toepasselijk op contractuele schulden, dus niet voor de terugvordering van een onrechtmatige betaling, ten dezen van kinderbijslag (Arbh. Brussel 20 juni 1996, A.R. 24.703) zodat er desgevallend slechts sprake zou kunnen zijn van een schuld in solidum (Arbh. Bergen van 28 november 1990, J.T.T. 1991, 285; Arbh. Bergen, 25 maart 1992, J.T.T. 1993, 213; Arbrb. Gent, 17 januari 1985, R. W. 1985-86, 617). Aangezien er ten dezen geen hoofdelijkheid kan worden aangenomen, zijn ook de bepalingen van de artikelen 1206 en 2249 (stuiting van de verjaring), 1207 (aanvang interest) van het Burgerlijk Wetboek niet toepasselijk en hebben de aangetekende brieven verzonden aan (de eerste verweerster), de verjaring ten opzichte van (de tweede verweerder) niet gestuit, zoals de eerste rechter terecht stelt (Vergelijk: Cass. 19 januari 1968, Arr. Cass. 1968, 689). De enige overgelegde brief die aan (de tweede verwerende partij) zelf werd verzonden, namelijk de brief van 2 februari 1996, blijkt niet aangetekend te zijn verzonden. De vordering is ten opzichte van (de tweede verwerende partij) onontvankelijk wegens verjaring¿. Grieven
- Krachtens artikel 120bis, eerste lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders gecoördineerd bij koninklijk besluit van 19 december 1939 tot samenvatting van de wet van 4 augustus 1930 betreffende de kindertoeslagen voor loonarbeiders en de koninklijke besluiten krachtens een latere wetgevende delegatie genomen, hieronder afgekort als Kinderbijslagwet Werknemers, verjaart het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. Krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel, wordt de verjaring niet alleen gestuit op de gronden vermeld in het Burgerlijk Wetboek, maar ook door een ter post aangetekende brief aan de schuldenaar. Overeenkomstig artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek bestaat tussen schuldenaars hoofdelijkheid wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken en de betaling door een van hen gedaan de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt. Artikel 1202 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat hoofdelijkheid uitdrukkelijk moet zijn bedongen, tenzij zij van rechtswege bestaat krachtens een bepaling van de wet. Krachtens de artikelen 1206 en 2249 van het Burgerlijk Wetboek, stuit een vervolging of ingebrekestelling van één van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring ten aanzien van alle hoofdelijke schuldenaars. Artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eis tot betaling van interest tegen één van de hoofdelijke schuldenaars, de interest doet lopen ten aanzien van allen. Krachtens artikel 222, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, verbindt iedere schuld die door één van de echtgenoten wordt aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen, de andere echtgenoot hoofdelijk. De term ¿aangegaan¿ beperkt het toepassingsgebied van die bepaling niet tot schulden met een contractuele oorsprong. Onder schulden ¿aangaan¿ wordt het maken van schulden begrepen. Luidens artikel 1370, vierde lid, en artikel 1371 van het Burgerlijk Wetboek, zijn oneigenlijke contacten vrijwillige daden waaruit een verbintenis ontstaat jegens een derde, die haar oorsprong vindt in de eigen daad van diegene die verbonden is. Een onverschuldigde betaling is een oneigenlijk contract: de verbintenis tot teruggave die krachtens artikel 1376 van het Burgerlijk Wetboek, uit een onverschuldigde betaling voortvloeit, vindt haar oorsprong in het iets ontvangen dat aan de persoon die het heeft ontvangen, niet verschuldigd is. Die verbintenis tot teruggave is een schuld die is ¿aangegaan¿ in de zin van artikel 222, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De kinderbijslag is een tegemoetkoming van de sociale zekerheid in de kosten verbonden aan de opvoeding van het kind, zoals onder meer blijkt uit het feit dat hij, krachtens artikel 69 van de Kinderbijslagwet Werknemers, wordt betaald aan de persoon die het kind daadwerkelijke opvoedt. De schuld die ontstaat uit de onverschuldigde betaling van kinderbijslag, wordt aldus aangegaan ten behoeve van de opvoeding van de kinderen. Als schuld aangegaan ten behoeve van de opvoeding van de kinderen verbindt de verplichting onrechtmatig betaalde gezinsbijslag terug te geven, krachtens artikel 222, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, beide echtgenoten hoofdelijk.
- Onder meer uit de feitelijke vaststellingen gedaan door het openbaar ministerie in zijn advies voorafgaand aan het bestreden arrest, waarnaar het arbeidshof verwijst (blz. 7, eerste alinea, van het arrest), blijkt dat de eerste en de tweede verwerende partij sinds eind 1984 met elkaar gehuwd waren (blz. 9, tweede alinea, van het advies van het openbaar ministerie). Het arbeidshof overweegt dat noch de tweede verwerende partij, noch eerste verwerende partij nog aanspraak konden maken op gezinsbijslag vanaf 1 december 1992 (blz. 8, tweede alinea, van het arrest) en dat door de eiseres vanaf december 1992 ten onrechte kinderbijslag werd uitgekeerd (blz. 10, vierde laatste alinea, van het arrest). Het arbeidshof beslist niet wettig dat artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op de terugvordering van een onrechtmatige betaling van kinderbijslag (schending van de artikelen 222, 1202, 1370, inzonderheid vierde lid, 1371 en 1376 van het Burgerlijk Wetboek), dat ¿ten dezen geen hoofdelijkheid kan worden aangenomen¿ (schending van de artikelen 222, 1200 en 1202 van het Burgerlijk Wetboek) en dienvolgens de bepalingen van artikel 1206 en 2249 van het Burgerlijk Wetboek niet toepasselijk zijn (schending van de artikelen 1206 en 2249 van het Burgerlijk Wetboek), dat de aangetekende brieven verzonden aan de eerste verwerende partij de verjaring ten opzichte van de tweede verwerende partij niet hebben gestuit (schending van de artikelen 1206, 1207 en 2249 van het Burgerlijk Wetboek) en dat de vordering ten opzichte van de tweede verwerende partij onontvankelijk is wegens verjaring (schending van artikel 120bis van de Kinderbijslagwet Werknemers). Aldus wijst het arbeidshof niet wettig het hoger beroep van eiseres af tegen het vonnis van de vijfde kamer van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Dendermonde, van 26 maart 2003 waar het de hoofdvordering van de eiseres tegen de tweede verwerende partij onontvankelijk verklaart (schending van alle in de aanhef opgesomde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 222, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, verbindt iedere schuld die door een van de echtgenoten is aangegaan ten behoeve van de huishouding of de opvoeding van de kinderen, de echtgenoten hoofdelijk.
- Het middel gaat er volledig van uit dat de verplichting om de onverschuldigde kinderbijslag die een van de echtgenoten heeft ontvangen, aan het kinderbijslagfonds terug te betalen, een hoofdelijke schuld is van de beide echtgenoten omdat die schuld is aangegaan ten behoeve van de huishouding of de opvoeding van de kinderen.
- De kinderbijslag is een tegemoetkoming van de sociale zekerheid in de kosten verbonden aan de opvoeding van het kind en wordt uitbetaald aan de ouder die het kind daadwerkelijk opvoedt. De verplichting om een onverschuldigd ontvangen kinderbijslag terug te betalen is geen schuld die is aangegaan ten behoeve van de huishouding of van de opvoeding van de kinderen.
- Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 298,02 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van negentien maart tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.1 Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:TTHAI:2011:JUG.20110309.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div