id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.3 Rolnummer: S.06.0044.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 192 - laatst gezien 2026-07-03 06:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 8, tweede lid, C.A.O. nr 77bis houdt in dat de werknemers hun recht op een loopbaanvermindering kunnen uitoefenen gedurende vijf jaar in hun loopbaan, ongeacht de perioden van vermindering van arbeidsprestaties met minder dan een tweede ingevolge een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naargelang het ouderschapsverlof wordt genoten tijdens een periode van loopbaanvermindering dan wel daarbuiten. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Ouderschapsverlof en adoptieverlof Vrije woorden: Loopbaanvermindering - Ouderschapsverlof - Perioden - Gezamenlijke uitoefening Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 19-12-2001 - Art. 8, tweede lid Fiche 2 Met het commentaar bij artikel 11, C.A.O. nr 77bis geven de opstellers van de collectieve arbeidsovereenkomst aan dat de in artikel 7, 2° van deze C.A.O. vereiste tewerkstelling in een voltijdse arbeidsregeling een periode is die zich uitstrekt vóór deze van de loopbaanvermindering en die, in zoverre de periode van het ouderschapsverlof zich situeert binnen de twaalf maanden vóór de aanvang tot loopbaanvermindering, te vermeerderen is met de laatste twaalf maanden van tewerkstelling. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Ouderschapsverlof en adoptieverlof Vrije woorden: Loopbaanvermindering - Ouderschapsverlof - Perioden - Recht op 1/5e - Loopbaanvermindering - Voorwaarden - Tewerkstelling - Berekening - Artikel 11, § 1, C.A.O. nr 77bis - Commentaar Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 19-12-2001 - Art. 11 Tekst van de beslissing Nr. S.06.0044.N RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V. C., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 februari 2006 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de Grondwet; - de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek; - voor zoveel als nodig, de artikelen 103bis t.e.m. 103quater van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zoals ingevoegd bij wet van 10 augustus 2001; - artikel 11 bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - de artikelen 1, 6 §1, 7, in het bijzonder 2°, 8, tweede lid, 11, §§2 en 3, 12, §§ 1 en 2, 13, §2, van de bij koninklijk besluit van 25 januari 2002 (Belgisch Staatsblad van 16 februari 2002, err., Belgisch Staatsblad van 5 maart 2002) algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst 77bis, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking (hierna afgekort: de CAO 77bis); - artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan (Belgisch Staatsblad van 7 november 1997). Bestreden beslissing Het bestreden arrest bevestigt het vonnis in al zijn beschikkingen en zegt aldus voor recht dat de einddatum van de loopbaanvermindering dient te worden verschoven naar 30 juni 2009, op grond van de hiernavolgende overwegingen: ¿Door aan te nemen dat de één vijfde loopbaanvermindering in toepassing van artikel 6, §1, van de CAO nr. 77bis, gewoon blijft doorlopen wanneer de werknemer in toepassing van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 ouderschapsverlof opneemt, onder de vorm van vermindering van arbeidsprestaties met minder dan één tweede, tijdens een periode waarin hij één vijfde loopbaanvermindering geniet in toepassing van artikel 6, §1 van de CAO nr. 77bis, zoals (de eiser) op grond van een beslissing van zijn beheerscomité doet, schendt (de eiser) inderdaad artikel 8, tweede lid, van de CAO nr. 77bis aangezien de periode van vermindering van de arbeidsprestaties met minder dan één tweede ingevolge het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 hierdoor wel degelijk in mindering wordt gebracht op de maximumduur van 5 jaar bedoeld in artikel 6, §1, van de CAO nr. 77bis (arrest, p. 7). (De verweerster) stelt terecht dat de toegepaste administratieve praktijk niet alleen indruist tegen artikel 8 van de CAO nr. 77bis maar ook een ongelijke behandeling invoert tussen de werknemers die een thematisch verlof opnemen buiten een periode van loopbaanvermindering, enerzijds, en de werknemers die een thematisch verlof opnemen tijdens een periode van loopbaanvermindering, anderzijds. Vermits dit manifest niet de bedoeling was van de stellers van de CAO kan onmogelijk worden aangenomen dat er een redelijke verantwoording bestaat voor deze ongelijke behandeling (arrest, p. 7). (¿) Krachtens artikel 12, §1, eerste lid, van de CAO nr. 77bis dient de werknemer die het recht op loopbaanvermindering als bedoeld in artikel 6 wenst uit te oefenen zijn werkgever hiervan vooraf schriftelijk op de hoogte te brengen, naargelang het aantal tewerkgestelde werknemers 3 of 6 maanden vooraf. Artikel 12, §2, eerste lid, van de CAO nr. 77bis voorziet dat de schriftelijke kennisgeving en de termijnen bepaald in paragraaf 1 ook van toepassing zijn op de werknemer die de uitoefening van het recht op loopbaanvermindering als bedoeld in artikel 6 wenst te verlengen. Overeenkomstig artikel 11, §2, van de CAO nr. 77bis, vervangen bij artikel 4 van de CAO nr. 77ter, worden de perioden van schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan, niet in aanmerking genomen voor de berekening van de 12 maanden bedoeld in artikel 7, 2°. Volgens de bijhorende commentaar bij deze bepaling wordt de periode van ouderschapsverlof geneutraliseerd en wordt zij dus niet in de berekening meegeteld. De periode van 12 maanden bedoeld in artikel 7, 2°, wordt met andere woorden verlengd met de duur van het ouderschapsverlof (arrest, p. 8). Krachtens artikel 11, §3, van de CAO nr. 77bis moet in geval van schriftelijke kennisgeving verricht overeenkomstig artikel 12, §2, de in artikel 7, 2°, bepaalde voorwaarde vervuld zijn op het ogenblik van de schriftelijke kennisgeving zoals aanvankelijk verricht overeenkomstig artikel 12, §
- Deze bepaling, die betrekking heeft op de verzoeken om verlenging van de uitoefening van het recht op loopbaan-vermindering, heeft volgens de bijhorende commentaar tot gevolg dat het ogenblik van de eerste kennisgeving, verricht overeenkomstig artikel 12, §1, ook bij verzoek om verlenging het ogenblik blijft waarop wordt nagegaan of de werknemer de gestelde tewerkstellingsvoorwaarde vervult (arrest, pp. 8-9). Naar het oordeel van het Arbeidshof is er niets dat belet dat het verzoek tot het verder zetten van de loopbaanvermindering in toepassing van artikel 6 van de CAO nr. 77bis, wordt geïnterpreteerd als een verzoek om verlenging van de uitoefening van het recht op loopbaanvermindering in de zin van artikel 12, §2, van de CAO nr. 77bis. Volgens artikel 11, §3, van de CAO nr. 77bis moet het vervullen van de tewerkstellingsvoorwaarden bedoeld in artikel 7 in zodanig geval niet beoordeeld worden op het ogenblik dat het ouderschapsverlof afloopt maar op het ogenblik van de ingangsdatum van de initiële loopbaanvermindering. Een grondwetsconforme interpretatie van de CAO nr. 77bis laat dus wel degelijk toe de loopbaanvermindering op te schorten tijdens de duur van het ouderschapsverlof, met overeenstemmende verschuiving van de einddatum van de loopbaanvermindering¿ (arrest, p. 9). Grieven De CAO nr. 77bis beoogt door het stelsel van tijdskrediet en loopbaanvermindering een betere individuele combinatie te bewerkstelligen van arbeid en gezin, door werknemers, onder bepaalde voorwaarden toe te laten op een of meerdere momenten in hun loopbaan hun arbeidsprestaties volledig op te schorten of te verminderen (artikel 1 CAO nr. 77bis), doch telkens voor een bepaalde maximumperiode. Aldus hebben de in artikel 2 van die CAO nr. 77bis opgesomde werknemers krachtens artikel 6, §1, van diezelfde CAO recht op een loopbaanvermindering ten belope van een dag per week of 2 halve dagen over dezelfde duur, voor een maximumperiode van 5 jaar over de gehele loopbaan, uit te oefenen per periode van minimum 6 maanden. Om hierop recht te hebben moeten deze werknemers krachtens artikel 7 van de CAO nr. 77bis, gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen: 1° door een arbeidsovereenkomst met de werkgever verbonden zijn geweest gedurende de 5 jaar die voorafgaat aan de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in artikel 12 van de CAO nr. 77bis, d.i. de schriftelijke kennisgeving aan hun werkgever van hun wens om hun recht op loopbaanvermindering uit te oefenen, 2° in een voltijdse arbeidsregeling tewerkgesteld zijn geweest gedurende de 12 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving. Wat de wijze van uitoefening van het recht op loopbaanvermindering betreft, bepaalt artikel 13, §2, van de CAO nr. 77bis dat de arbeidsovereenkomst bij loopbaan-vermindering schriftelijk wordt vastgesteld, met vermelding van de arbeidsregeling en het werkrooster die zijn overeengekomen ingevolge artikel 11 bis van de arbeidsovereen-komstenwet van 3 juli
- Daarnaast bestaat er een bijzonder vorm van loopbaanonderbreking zoals het stelsel van ouderschapsverlof: krachtens artikel 2, §1, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan heeft een werknemer het recht om, teneinde voor zijn kind te kunnen zorgen, gedurende een periode van vijftien maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een vermindering met één vijfde wanneer hij voltijds is tewerkgesteld. Artikel 8 van de CAO nr. 77bis bepaalt dat ¿op de maximumduur van 5 jaar als bedoeld in paragraaf 1 van artikel 6 (...) niet in mindering (worden) gebracht, de perioden van vermindering van de arbeidsprestaties met minder dan één tweede ingevolge: - (¿) - het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan¿. Uit deze bepaling volgt enkel dat een werknemer die reeds ouderschapsverlof genoot in het kader van de hiervoor aangehaalde reglementering, alsnog voor de volledige maximumperiode van 5 jaar een recht op loopbaanonderbreking in het kader van de CAO nr. 77bis kan laten gelden, zonder dat van deze maximumperiode de periodes van ouderschapsverlof mogen afgetrokken worden. Deze bepaling doet echter geenszins afbreuk aan de overige bepalingen van de CAO nr. 77bis, meer bepaald de voorwaarde van artikel 7, 2°, van tewerkstelling in een voltijdse arbeidstijdregeling gedurende de 12 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving van zijn wens om zijn recht op loopbaanvermindering uit te oefenen. Krachtens artikel 11, §2, van de CAO nr. 77bis worden de perioden van schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan immers niet in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van 12 maanden als bedoeld in artikel 7, 2°, van de CAO nr. 77bis. Evenmin doet deze bepaling afbreuk aan de verbindende kracht van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst in verband met de overeengekomen loopbaanvermindering voor de maximale duur van 5 jaar, op grond van de artikelen 13, §2, van de CAO nr. 77bis, 11 bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek. Noch de CAO nr. 77bis, noch enige bepaling van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, noch enige andere wettelijke bepaling, voorzien in de mogelijkheid voor een werknemer om zijn loopbaanvermindering, die op zich reeds een schorsing van zijn voltijdse arbeidsovereenkomst uitmaakt, op haar beurt te schorsen gedurende de periode van ouderschapsverlof en deze na afloop van dit thematisch verlof verder te zetten, in strijd met de wettelijke voorwaarde inzake tewerkstelling voorafgaand aan de loopbaanvermindering. Uit de feitelijke vaststellingen van het arrest en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat: - de verweerster in toepassing van de CAO nr. 77bis haar prestaties met één vijfde heeft verminderd voor de maximumperiode van 5 jaar, namelijk van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006; - zij in toepassing van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 een ouderschapsverlof ten belope van een vermindering met één vijfde van haar arbeidsprestaties heeft gevraagd en bekomen tijdens de duurtijd van haar initiële loopbaanvermindering, voor twee aansluitende periodes van telkens 15 maanden, namelijk respectievelijk van 1 juli 2003 tot en met 30 september 2004 en van 1 oktober 2004 tot en met 31 december 2005; - de verweerster haar initiële loopbaanvermindering op grond van de CAO nr. 77bis op geen enkel moment heeft stopgezet. Eerste onderdeel Artikel 8, tweede lid, van de CAO nr. 77bis dat louter stelt dat bepaalde periodes van thematisch verlof (waaronder het door de verweerster opgenomen ouderschapsverlof) niet worden aangerekend op de maximumduur van 5 jaar loopbaanvermindering verleent een werknemer niet het recht een contractueel overeengekomen loopbaanvermindering voor de maximumduur van 5 jaar vastgelegde loopbaanvermindering te verlengen met de duur van een tijdens die periode aangegaan ouderschapsverlof. Vermits aan de verweerster een loopbaanvermindering voor de maximumduur van 5 jaar was toegekend en zij deze niet had stopgezet gedurende haar periodes van ouderschapsverlof, noch deze op enige wettige grondslag vermocht te schorsen voor de duur van dit ouderschapsverlof, besliste de eiser wettig dat zij na haar ouderschapsverlof op 31 december 3005, haar initiële loopbaanvermindering verder mocht laten lopen tot de voorziene einddatum op 31 december 2006, doch geenszins mocht verlengen met een periode van tweemaal 15 maanden voor de in die periode opgenomen ouderschapsverloven. Het bestreden arrest dat - integendeel - oordeelt dat de eiser artikel 8, tweede lid, van de CAO nr. 77bis schendt ¿door aan te nemen dat de één vijfde loopbaanvermindering in toepassing van artikel 6, §1, van de CAO nr. 77bis gewoon blijft doorlopen wanneer de werknemer in toepassing van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 ouderschapsverlof opneemt, onder de vorm van vermindering van arbeidsprestaties met minder dan één tweede tijdens een periode waarin hij de één vijfde loopbaanvermindering geniet in toepassing van artikel 6, §1, van de CAO nr. 77bis¿ (arrest, p. 7), geeft aan dit artikel 8 tweede lid van de CAO nr. 77bis een draagwijdte die het niet heeft en schendt mitsdien deze bepaling. Tweede onderdeel Zoals het bestreden arrest impliciet doch zeker vaststelt waren de verweerster en haar werkgever bij overeenkomst, gesloten in toepassing van de artikelen 13, §2, van de CAO nr. 77bis en 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 overeengekomen dat haar loopbaanvermindering met één vijfde voor een duur van 5 jaar zou lopen, met aanvang op 1 januari 2002 om te eindigen op 31 december
- Door te oordelen dat de verweerster die contractueel bepaalde einddatum kan verlengen tot 30 juni 2009, miskent het arrest deze wettelijke bepalingen evenals de verbindende kracht van de tussen partijen gesloten overeenkomst (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek) door er niet de gevolgen aan te verlenen die zij wettig tussen partijen heeft. Derde onderdeel Alle werknemers die voldoen aan de voorwaarden van de CAO nr. 77bis hebben recht op een loopbaanvermindering voor de maximumperiode van 5 jaar over hun gehele loopbaan. Allen moeten evenwel eveneens voldoen aan de voorwaarde van tewerkstelling gedurende de 12 maanden voorafgaand aan de kennisgeving van hun voornemen om dit recht uit te oefenen (artikel 7, 2°, van de CAO nr. 77bis). Voor allen geldt daarbij als regel dat voor de berekening van die periode van tewerkstelling, de periodes van ouderschapsverlof niet worden in aanmerking genomen (artikel 11, §2, CAO nr. 77bis). Een werknemer die tijdens zijn loopbaanvermindering een ouderschapsverlof wenst op te nemen en zijn loopbaanonderbreking op dat moment stopzet, behoudt aldus het recht om het nog resterende gedeelte van zijn loopbaanvermindering op een later moment verder te zetten en aldus alsnog voor de volledige maximumperiode van 5 jaar over zijn gehele loopbaan van het recht op loopbaanonderbreking te genieten. Na afloop van het ouderschapsverlof zal hij evenwel, gelet op de stopzetting van zijn loopbaanonderbreking, opnieuw het werk onder de normale arbeidsvoorwaarden dienen te hervatten en zal hij, alvorens opnieuw een aanspraak te kunnen maken op een loopbaanonderbreking, aan de voorwaarde van tewerkstelling van artikel 7, 2°, moeten voldoen, aangezien zijn ouderschapsverlof krachtens artikel 11, §2, niet als periode van tewerkstelling wordt beschouwd. Indien een werknemer zijn loopbaanonderbreking evenwel niet stopzet en er voor opteert deze verder te zetten op een moment dat hij een thematisch verlof zoals het ouderschapsverlof opneemt, verleent dit hem het voordeel dat hij na afloop van dit thematisch verlof gewoon zijn lopende loopbaanvermindering kan verderzetten tot de voorziene einddatum, aangezien aan alle voorwaarden inzake voltijdse tewerkstelling voorafgaand aan de kennisgeving nog is voldaan. Zulks impliceert echter onvermijdelijk dat zijn loopbaanvermindering een einde neemt op de contractueel vastgelegde einddatum. Van enige ongelijke behandeling is daarbij geenszins sprake, aangezien de verweerster wel degelijk een loopbaanvermindering ten belope van de maximumperiode van vijf jaar heeft doorgemaakt en tijdens die periode tevens van het thematisch verlof inzake ouderschapsverlof mocht genieten, met dien verstande evenwel dat het gegeven dat zij dit deed tijdens haar initiële loopbaanvermindering niet tot gevolg kan hebben dat de voorwaarde van tewerkstelling van artikel 7, 2°, van de CAO nr. 77bis , in samenhang met artikel 11, §2, van de CAO nr. 77bis, op haar niet van toepassing zou zijn. Door te oordelen dat de verweerster op grond van artikel 8 van de CAO nr. 77bis de einddatum van haar loopbaanvermindering met de duur van haar ouderschapsverlof (tweemaal 15 maanden) kan verlengen, schendt het arrest deze bepaling evenals de voorwaarden van tewerkstelling van de artikelen 7, 2°, en 11, §2, van de CAO nr. 77bis. Door op grond van deze onwettige uitlegging te oordelen dat artikel 8 van de CAO nr. 77bis in de door de eiser voorgestelde uitlegging ongrondwettig is, en een ongelijke behandeling inhoudt van werknemers die, enerzijds, tijdens en, anderzijds, buiten een periode van loopbaanvermindering een ouderschapsverlof opnemen, daar waar de uitlegging van de eiser in overeenstemming is met de tewerkstellingsvoorwaarde die geldt voor alle werknemers en derhalve alle werknemers op gelijke wijze behandelt, schendt het arrest de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet. Door te besluiten dat een ¿grondwetsconforme interpretatie van de CAO nr. 77bis (...) dus wel degelijk (toelaat) de loopbaanvermindering op te schorten tijdens de duur van het ouderschapsverlof, met overeenstemmende verschuiving van de einddatum van de loopbaanvermindering¿ (arrest, p. 9) geeft het arrest van deze CAO een onwettige uitlegging en is het mitsdien niet naar recht verantwoord, daar deze CAO geen enkele wettelijke grondslag, noch in artikel 8, noch in enige andere bepaling, bevat tot schorsing van de contractueel bepaalde loopbaanvermindering voor de duur van een thematisch verlof; tevens schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door werknemers die tijdens hun loopbaanonderbreking thematisch verlof opnemen te bevoordelen en hen toe te laten, in strijd met de voorwaarde van tewerkstelling van artikel 7, 2°, iuncto, 11, §2, van de CAO nr. 77bis en de bepaling inzake de maximumduur van de loopbaanvermindering (artikel 6, §1), de reeds toegekende maximumperiode van 5 jaar alsnog te verlengen met de volledige periode van thematisch verlof (schending van de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet, evenals van de artikelen 6, §1, 7, 2°, en 11, §2, van de CAO nr. 77bis). Vierde onderdeel Krachtens artikel 11, §2, van de CAO nr. 77bis worden de periodes van schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan niet in aanmerking genomen voor de berekening van de 12 maanden bedoeld in artikel 7, 2°, van deze CAO. Deze bepaling houdt enkel in dat periodes van ouderschapsverlof in de zin van dat koninklijk besluit niet als ¿tewerkstelling¿ worden beschouwd. Enkel voltijds, effectieve tewerkstelling en de schorsingsgronden van artikel 11, §1, van de CAO nr. 77bis komen in aanmerking voor de berekening van de periode van 12 maanden. Het bestreden arrest stelt enerzijds correct vast dat de hiervoor aangehaalde periode van ouderschapsverlof volgens de bij artikel 11, §2, bijhorende bepaling wordt ¿geneutraliseerd en (..) dus niet in de berekening (wordt) meegeteld¿ (arrest, p. 8), doch oordeelt vervolgens dat ¿de periode van 12 maanden bedoeld in artikel 7, 2°, (...) met andere woorden (wordt) verlengd met de duur van het ouderschapsverlof¿ (arrest, ibidem). Deze beslissing is dubbelzinnig omdat zij, enerzijds, in die zin kan beschouwd worden dat het arrest bedoelt te zeggen dat periodes van ouderschap niet meetellen voor de berekening van de periode van 12 maanden, hetgeen wettig is, doch, anderzijds, gelet op het gebruik van het woord ¿verlenging¿ en de daaropvolgende overwegingen gewijd aan de ¿verlenging van de uitoefening van het recht op loopbaanvermindering¿ (arrest, p. 8 in fine en 9 eerste en tweede alinea), er ook op kan wijzen dat het arrest aanneemt dat ouderschapsverlof tot een ¿verlenging¿ kan leiden van de periode van tewerkstelling en dus niet, zoals eerder gesteld, ¿neutraal¿ is wat de tewerkstellingsvoorwaarde, en daarmee samenhangend, het recht op loopbaanvermindering betreft, hetgeen onwettig is want strijdig met artikel 11, §2, van de CAO nr. 77bis In zoverre niet achterhaald kan worden of de geviseerde overweging van het arrest in de ene (wettige) dan wel in de andere (onwettige) zin moet uitgelegd worden, berust het op dubbelzinnige redenen en is het niet regelmatig met redenen omkleed, daar het het Hof niet toelaat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen (schending van artikel 149 van de Grondwet). Vijfde onderdeel Krachtens artikel 12, §1, eerste lid, van de CAO nr. 77bis moet de werknemer die het recht op loopbaanvermindering als bedoeld in artikel 6 wenst uit te oefenen zijn werkgever hiervan schriftelijk op de hoogte brengen. Het recht op een loopbaanvermindering wordt per minimumperiode van 6 maanden uitgeoefend (artikel 6, §1, in fine CAO nr. 77bis), doch kan krachtens artikel 12, §2, van de CAO worden verlengd, uiteraard slechts tot beloop van de maximumperiode van 5 jaar zoals bepaald bij artikel 6, §1, eerste lid. De schriftelijke kennisgeving en de termijnen bepaald in paragraaf 1 zijn krachtens artikel 12, §2, van de CAO nr . 77bis ook van toepassing op de werknemer die de uitoefening van het recht op loopbaanonderbreking wenst te verlengen. In geval van schriftelijke kennisgeving verricht met het oog op een verlenging (overeenkomstig voormeld artikel 12, §2) moet de in artikel 7, 2°, bepaalde voorwaarde van 12 maanden voltijdse tewerkstelling gedurende de 12 maanden die voorafgaan aan de schriftelijke kennisgeving vervuld zijn op het ogenblik van de schriftelijke kennisgeving zoals aanvankelijk verricht: het ogenblik van de eerste kennisgeving blijf aldus, ook bij verzoek om verlenging, het ogenblik waarop wordt nagegaan of de werknemer de gestelde tewerkstellingsvoorwaarde vervult (artikel 11, §3, en de daarbij in de CAO nr. 77bis vermelde commentaar). De verweerster had reeds een loopbaanvermindering ten belope van de maximumperiode van vijf jaar gevraagd en bekomen (namelijk van 01 januari 2002 tot en met 31 december 2006). Haar verzoek om verderzetting van haar initiële loopbaanonderbreking na afloop van haar ouderschapsverlof kon derhalve geenszins beschouwd worden als een verzoek om verlenging krachtens artikel 12, §2, CAO nr. 77bis waarbij de voorwaarde van tewerkstelling van artikel 7, 2°, van diezelfde CAO, beoordeeld moest worden op de datum van haar initiële kennisgeving, aangezien de loopbaanvermindering reeds voor het maximum was toegekend en derhalve niet meer voor verlenging vatbaar was. Door te oordelen dat ¿niets belet dat het verzoek tot het verder zetten van de loopbaanvermindering in toepassing van artikel 6 van de CAO nr. 77bis, na afloop van het ouderschapsverlof opgenomen in de loop van een periode van loopbaanvermindering in toepassing van artikel 6 van de CAO nr. 77bis, wordt geïnterpreteerd als een verzoek om verlenging van de uitoefening van het recht op loopbaanvermindering in de zin van artikel 12, §2, van de CAO nr. 77bis¿ en dat ¿volgens artikel 11, §3, van de CAO nr. 77bis (¿) het vervullen van de tewerkstellingsvoorwaarden bedoeld in artikel 7 in zodanig geval niet beoordeeld (moet) worden op het ogenblik dat het ouderschapsverlof afloopt maar op het ogenblik van de ingangsdatum van de initiële loopbaanvermindering¿, hoewel de verweerster na afloop van haar ouderschapsverlof geenszins om een verlenging van haar loopbaanvermindering kon verzoeken daar zij reeds een loopbaanvermindering had gevraagd en bekomen voor de maximumperiode van vijf jaar, schendt het bestreden arrest de artikelen 6, §1, 7, in het bijzonder 2°, 11, §§ 2 en 3, en 12, §§ 1 en 2, van de CAO nr. 77bis. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 6, §1, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis van de Nationale Arbeidsraad van 19 december 2001 tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, hebben de in artikel 2 van die collectieve arbeidsovereenkomst genoemde werknemers die gewoonlijk tewerkgesteld zijn in een arbeidsregeling gespreid over vijf of meer dagen, recht op een loopbaanvermindering ten belope van een dag per week of twee halve dagen over dezelfde duur, voor een maximumperiode van vijf jaar over de gehele loopbaan.
- Artikel 8, tweede lid, van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt dat op de maximumduur van vijf jaar als bedoeld in paragraaf 1 van artikel 6 niet in mindering worden gebracht: de perioden van vermindering van de arbeidsprestaties met minder dan een tweede ingevolge het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan.
- Deze bepaling houdt in dat de bedoelde werknemers hun recht op een loopbaanvermindering van een vijfde kunnen uitoefenen gedurende vijf jaar in hun loopbaan, ongeacht de perioden van vermindering van arbeidsprestaties met minder dan een tweede ingevolge het voormelde ouderschapsverlof. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naargelang het ouderschapsverlof wordt genoten tijdens een periode van loopbaanvermindering dan wel daarbuiten.
- Het arrest stelt vast, mede met overname van de in het beroepen vonnis vastgestelde feitelijke gegevens, dat: - de verweerster haar voltijdse prestaties met een vijfde heeft verminderd in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006; - de verweerster bij brief van 14 maart 2003 aan de eiser meedeelde dat zij deze loopbaanvermindering wenste te schorsen tijdens haar ouderschapsverlof en na het ouderschapsverlof de loopbaanvermindering wenste verder te zetten; - de verweerster ouderschapsverlof genoot, eveneens voor een vijfde, voor de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 september 2004 en vervolgens van 1 oktober 2004 tot en met 31 december 2005 en dat haar daarvoor door de eiser specifieke uitkeringen werden toegekend in het raam van het ouderschaps-verlof; - de eiser de uitkeringen voor de loopbaanvermindering van een vijfde heeft stopgezet in de periode dat de verweerster ouderschapsverlof genoot; - de eiser beslist heeft dat de einddatum van de loopbaanvermindering niet wordt verschoven, maar behouden blijft op 31 december
- Uit deze vaststellingen blijkt dat de verweerster tijdens de perioden van het ouderschapsverlof, haar recht op loopbaanvermindering van een vijfde als bedoeld in artikel 6, §1, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis, niet heeft uitgeoefend.
- Gelet op deze vaststellingen, oordeelt het arrest naar recht dat de eiser artikel 8, tweede lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis schendt door aan te nemen dat de loopbaanvermindering van een vijfde in toepassing van artikel 6, §1, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis gewoon blijft doorlopen en derhalve eindigt op de aanvankelijk bepaalde einddatum, wanneer de werknemer tijdens de periode waarin hem loopbaanvermindering van een vijfde was toegekend in toepassing van artikel 6, §1, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis, in toepassing van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 ouderschapsverlof opneemt onder de vorm van vermindering van arbeidsprestaties met minder dan een tweede, aangezien de periode van ouderschapsverlof dan wel degelijk in mindering wordt gebracht op de maximumduur van vijf jaar bedoeld in artikel 6, §1, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat de verweerster de einddatum van haar loopbaanvermindering van een vijfde kan verlengen, maar wel dat deze kan wordt opgeschort tijdens de duur van het ouderschapsverlof, met overeenstemmende verschuiving van de einddatum van de loopbaanvermindering. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Met de in artikel 11, §2, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis bedoelde periode van ouderschapsverlof, die krachtens artikel 7, 2°, van deze collectieve arbeidsovereenkomst niet in aanmerking komt voor de berekening van de periode van 12 maanden tewerkstelling, is het ouderschapsverlof bedoeld dat genomen is vóór de aanvang van de loopbaanvermindering. In zoverre het onderdeel het tegendeel aanvoert, faalt het naar recht.
- Het onderdeel gaat verder ervan uit dat het arrest beslist dat de verweerster op grond van artikel 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis de einddatum van haar loopbaanvermindering kan verlengen.
- Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel, houdt het arrest die beslissing niet in. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- Het arrest verwijst in de door het onderdeel geviseerde overweging naar het commentaar bij artikel 11 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis. Daarin wordt gesteld dat ondermeer de periode tijdens de welke de werknemer gebruik heeft gemaakt van het recht op ouderschapsverlof, geneutraliseerd wordt voor de berekening van de voorwaarde van tewerkstelling van 12 maanden als bedoeld in artikel 7, 2°, en dus in deze berekening niet wordt meegeteld. Met andere woorden, deze periode verlengt voor dezelfde duur de periode die in aanmerking wordt genomen om te bepalen of de werknemer recht heeft op loopbaanvermindering.
- Met dit commentaar geven de opstellers van de collectieve arbeidsovereenkomst en door overname ervan ook het arrest aan dat de in artikel 7, 2°, van deze collectieve arbeidsovereenkomst vereiste tewerkstelling in een voltijdse arbeidsregeling een periode is die zich uitstrekt voor deze van de loopbaanvermindering en die, in zoverre de periode van het ouderschapsverlof zich situeert binnen de twaalf maanden voor de aanvang tot loopbaanvermindering, te vermeerderen is met de laatste twaalf maanden van tewerkstelling.
- De door het onderdeel bedoelde overweging van het arrest is niet dubbelzinnig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
- Het arrest oordeelt dat de eiser artikel 8 tweede lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis schendt door aan te nemen dat de loopbaan-vermindering van een vijfde in toepassing van artikel 6, §1, gewoon blijft doorlopen en derhalve eindigt op de aanvankelijk bepaalde einddatum, wanneer de werknemer in toepassing van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 ouderschapsverlof opneemt, onder de vorm van vermindering van arbeidsprestaties met minder dan een tweede, tijdens de periode waarin hij een loopbaanvermindering van een vijfde geniet in toepassing van artikel 6, §1, aangezien de periode van het ouderschapsverlof dan wel in mindering wordt gebracht op de maximumduur van vijf jaar bedoeld in artikel 6, §
- Op grond hiervan oordeelt het arrest naar recht dat de vraag van de eiser om na afloop van het ouderschapsverlof de bedoelde einddatum van de loopbaanvermindering te verschuiven, als een verzoek tot verlenging van de beroepsloopbaanvermindering kon worden beschouwd met betrekking tot de tewerkstellingsvoorwaarde die voor de initiële loopbaanvermindering gold. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 303,94 euro jegens de eisende partij en op de som van 76,76 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van negentien maart tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div