← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.1 Rolnummer: C.05.0073.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 245 - laatst gezien 2026-07-03 06:43 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer degene aan wie betekend wordt, verblijft op het Europese continent maar in een land dat ook deel uitmaakt van een ander werelddeel, dient de verlenging van de termijn van hoger beroep te gebeuren aan de hand van de door artikel 55 Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven langste termijn

(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot gegrondheid van het middel, dat terecht stelde dat doorslaggevend is niet waar eventueel een centrale Autoriteit, die een rol speelt bij de wijze van betekening, gevestigd is, dan wel waar de partij aan wie betekend wordt verblijft, zodat het bestreden arrest de toepasselijke termijn van dertig dagen (artikel 55, 2°, Ger. W.) had moeten in acht nemen. Het O.M. nam aan dat de tekst van dit artikel - dat het onderhavig geval niet heeft voorzien - voor die partij weliswaar verschillende effecten kan sorteren, zoals voor verweerster, die voorhield niet "in een ander land van Europa" te verblijven, terwijl de centrale Autoriteit van haar land nog verder en alleszins in een ander werelddeel gevestigd is. Deze situatie was voor haar inderdaad ongunstig: de beroepstermijn van een maand, verlengd met dertig dagen, was grotendeels verlopen vooraleer het stuk op verzoek van die centrale Autoriteit haar ter hand werd gesteld. De door het bestreden arrest aangehouden interpretatie kan nochtans ook het omgekeerde effect hebben: uit de in de toelichting van de voorziening gegeven voorbeelden ter ondersteuning van het "geografisch criterium" blijkt inderdaad dat de centrale Autoriteit heel wat dichter bij België kan gevestigd zijn en de verblijfplaats van de partij aan wie betekend moet worden veel verder afgelegen (Canarische Eilanden, Cyprus, Malta), in welke gevallen de "kortere" verlenging van de beroepstermijn (dertig dagen) niet zou kunnen verantwoord worden. Het O.M. besloot dat het Haags Verdrag van 15 november 1965, volgens hetwelk betekend werd, het recht van verdediging waarborgt van de bij verstek veroordeelde verweerder, voor wie de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden verstreek, door, in artikel 16, mits voldaan is aan de erin gestelde voorwaarden, de rechter toe te laten, hem een nieuwe termijn te verlenen om dit alsnog te doen. Het verdrag voorziet geen bijzondere bescherming van andere gedaagden en is uiteraard gestoeld op het vertrouwen in diligente centrale Aurotiteiten. De appelrechters vermochten dus niet deze waarborg uit te breiden tot een rechtsmiddel tegen een - als terzake - op tegenspraak gewezen vonnis. Het Hof verwerpt het middel overigens niet als ongegrond, doch acht de bestreden beslissing niet onwettig, op grond van een in de plaats gestelde reden, gefundeerd op het normdoel van de wet, tot vrijwaring van het recht van verdediging, zodat het middel, ook al zou het gegrond zijn, niet tot cassatie kan leiden en dus niet ontvankelijk is. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Algemeen Vrije woorden: Verblijfplaats - Niet-aangrenzend land van Europa - Ander werelddeel - Hoger beroep - Termijn - Verlenging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 55 en 1051, derde lid Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn. Onsplitsbaar geschil UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Algemeen Vrije woorden: Termijn - Verlenging - Betekening - Verblijfplaats - Niet-aangrenzend land van Europa - Ander werelddeel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 55 en 1051, derde lid Tekst van de beslissing Nr. C.05.0073.N TYCO ELECTRONICS RAYCHEM, naamloze vennootschap, met zetel te 3010 Kessel-Lo, Diestsesteenweg 692, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROFILO SAVUNMA GEREÇLERI SANAYI VE TICARET A.S., vennootschap naar Turks recht, met zetel in Turkije te Istanbul, Cemal Sahir Sok 26-28, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 februari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 55, 860, tweede lid, en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters verwerpen de exceptie van laattijdigheid van het hoger beroep en verklaren het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk op grond van de volgende overwegingen: "(De eiseres) werpt op dat het hoger beroep laattijdig is ingesteld en daardoor onontvankelijk verklaard moet worden; (de verweerster) houdt voor dat zij haar hoger beroep wel degelijk tijdig heeft ingesteld. (...) dat het bestreden vonnis door gerechtsdeurwaarder M.B. op verzoek van (de eiseres) betekend werd op datum van 31 januari 2003, waarbij overeenkomstig artikel 3 van de Conventie van Den Haag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland in burgerlijke en handelszaken - waar zowel België als Turkije partij bij zijn - twee afschriften van het gerechtsdeurwaardersexploot samen met een vertaling in het Turks onder aangetekende omslag werden opgestuurd aan de Centrale Autoriteit van Turkije gevestigd in Ankara. Dat de Centrale Turkse Autoriteit te Ankara overeenkomstig artikel 6 van genoemde Conventie de Belgische Autoriteiten liet weten dat het betekende document op 12 maart 2003 aan de A.S. Profilo Savunma Gereçleri San. Ve. Tic. aangezegd was. (...) dat de betekening in het buitenland overeenkomstig artikel 3 van de Conventie van Den Haag, met name door het verzenden van het exploot vergezeld van een verzoek bij aangetekende brief door de gerechtsdeurwaarder aan de Centrale Autoriteit van de aangezochte Staat, verricht wordt door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs van de aangetekende brief (vgl. Cass. 20 oktober 1994, Arr. Cass. 1994, p. 859). (...) dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen overeenkomstig artikel 1051, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek één maand bedraagt te rekenen vanaf de betekening van het bestreden vonnis, in casu derhalve één maand vanaf 31 januari
  1. Dat deze termijn op grond van artikel 55 Gerechtelijk Wetboek evenwel verlengd wordt ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft, hetgeen met (de verweerster) het geval is. Dat deze verlenging: - 30 dagen bedraagt wanneer deze partij in een ander land van Europa verblijft (artikel 55, 2°, Gerechtelijk Wetboek); - 80 dagen bedraagt wanneer deze partij in een ander werelddeel verblijft (artikel 55, 3°, Gerechtelijk Wetboek). Dat niet betwist wordt dat (de verweerster) ‘verblijft', dat wil zeggen haar maatschappelijke zetel heeft te Cemal Sahir Sok 26-28, Mecidiyekoy, Istanbul, in Turkije. Dat Turkije op twee continenten ligt, namelijk voor ongeveer 3 pct. op het Europese continent (Thracië) en voor ongeveer 97 pct. op het West-Aziatische schiereiland, dat Klein-Azië of Anatolië wordt genoemd, en dat het Europese en het Aziatische continent van elkaar gescheiden worden door de Bosporus, de Dardanellen en de Zee van Marmare. Dat niet betwist wordt dat de hierboven genoemde maatschappelijke zetel van (de verweerster) gevestigd is in het Europese deel van Istanbul en dus van Turkije, en evenmin dat de Centrale Turkse Autoriteit aan wie de zending van gerechtsdeurwaarder M.B. gericht werd, gevestigd is in Ankara, dus in het Aziatische deel van Turkije. (...) dat de wetgever in artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek enkel het quod plerumque fit heeft geregeld, namelijk dat een vreemd land slechts tot één enkel werelddeel behoort, en daarbij over het hoofd gezien heeft dat sommige landen, waaronder Turkije, verspreid liggen over twee werelddelen. Dat aldus, eerder dan zich over te leveren aan een exegetische interpretatie van de wettekst, zoals (de eiseres) voorstaat, nagegaan dient te worden wat de bedoeling was van de wetgever bij het ontwerpen van een systeem van verschillende termijnen van verlenging van de normaal toepasselijke termijn. Dat deze bedoeling duidelijk was dat ingeval de betekening in het buitenland gericht is naar een Europese bestemming, dit is minder ver, een verlenging van 15 dagen (aangrenzend land of Verenigd Koninkrijk) respectievelijk 30 dagen volstaat, maar dat ingeval de betekening gericht is naar een bestemming buiten Europa, dit is verder afgelegen, een verlenging met 30 dagen niet meer volstaat, en direct een substantiëlere verlenging met 80 dagen redelijk is. Dat derhalve, nu op grond van het door België en Turkije geratificeerde Verdrag van Den Haag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland in burgerlijke en handelszaken, de betekening in casu diende te gebeuren door een afgifte ter post van een aangetekende zending gericht aan de Centrale Turkse Autoriteit te Ankara, met verbod van rechtstreekse toezending van de stukken aan de partij aan wie betekend werd, d. i. aan (de verweerster) op haar maatschappelijke zetel te Istanbul, enkel rekening gehouden kan worden met de plaats waar de Centrale Turkse Autoriteit gevestigd is, namelijk Ankara, dit is een ander werelddeel in de zin van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat dan ook de normale beroepstermijn van één maand die beginnen lopen is vanaf 31 januari 2003 en verstreek op 28 februari 2003, verlengd werd met 80 dagen, dit is tot en met 19 mei
  2. Dat nu (de verweerster) haar verzoekschrift tot hoger beroep ter griffie heeft neergelegd op 15 mei 2003, haar hoger beroep tijdig werd ingesteld. Dat het door (de eiseres) ingeroepen middel van onontvankelijkheid van het hoger beroep dan ook niet kan worden aangenomen" (bestreden arrest, blz. 2-4). Grieven Luidens artikel 860, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zijn de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden voorgeschreven op straffe van verval. Op grond van artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis. Heeft een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van hoger beroep verlengd overeenkomstig artikel 55 van hetzelfde Wetboek. Artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer de wet bepaalt dat ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, de termijnen die haar verleend werden dienen verlengd te worden, die verlenging 15 dagen, 30 dagen of 80 dagen bedraagt, naargelang die partij respectievelijk "in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië" verblijft, "in een ander land van Europa" of "in een ander werelddeel". Zoals de appelrechters terecht vaststellen, ligt het land Turkije deels op het Europese continent en deels op het Aziatische continent. De appelrechters stellen tevens vast dat niet werd betwist dat de verweerster verblijft in het Europees deel van Istanbul en dus in het Europees deel van Turkije. Luidens artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de termijn enkel dan met 80 dagen verlengd, wanneer "de partij" die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, "in een ander werelddeel (dan Europa) verblijft". Doorslaggevend is bijgevolg waar de partij aan wie betekend wordt, zelf verblijft, niet waar eventueel een autoriteit die een rol speelt bij de wijze van betekening, gevestigd is. Nu de verweerster op het Europese continent verblijft, werd de beroepstermijn ten hare opzichte bijgevolg verlengd met 30 dagen en niet met 80 dagen, zodat hij verstreek op 31 maart 2003, terwijl pas op 15 mei 2003 beroep werd aangetekend door de verweerster. Door niettemin te beslissen dat enkel rekening kan worden gehouden met de plaats waar de Turkse Centrale Autoriteit gevestigd is, namelijk in Ankara, dat de beroepstermijn om die reden dus met 80 dagen werd verlengd en dat het hoger beroep van de verweerster derhalve tijdig werd ingesteld, schenden de appelrechters bijgevolg de artikelen 55, 860, tweede lid, en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Artikel 1051, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, geen woonplaats of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft, de termijn van hoger beroep wordt verlengd overeenkomstig artikel 55 van hetzelfde wetboek. Ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, dienen overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek de termijnen die haar verleend werden, als volgt verlengd te worden: - met vijftien dagen, wanneer de partij in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië verblijft; - met dertig dagen, wanneer zij in een ander land van Europa verblijft; - met tachtig dagen, wanneer zij in een ander werelddeel verblijft.
  4. Het normdoel van deze wetsbepalingen is dat, hoe groter de afstand is van de verblijfplaats van de betrokken partij ten opzichte van België, hoe meer de termijn wordt verlengd om de uitoefening van het recht van verdediging te vrijwaren.
  5. Wanneer degene aan wie betekend wordt, verblijft op het Europese continent maar in een land dat ook deel uitmaakt van een ander werelddeel, dient, rekening houdend met dit normdoel en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, de verlenging te gebeuren aan de hand van de door artikel 55 Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven langste termijn.
  6. Het arrest stelt vast dat de maatschappelijke zetel van de verweerster, aan wie het beroepen vonnis werd betekend, gevestigd is in het Europese gedeelte van Turkije, land dat ook in Azië is gelegen. Op grond van deze vaststellingen vermocht het arrest, zonder schending van de in het middel aangewezen wetsbepalingen, te beslissen dat de termijn om hoger beroep in te stellen met 80 dagen werd verlengd zodat de verweerster tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Het middel, ook al zou het gegrond zijn, kan niet tot cassatie leiden en is derhalve niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som 908,16 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Ghislain Londers, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.168 ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100329.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.