id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.2 Rolnummer: C.04.0483.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Familierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-07-03 07:10 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070330.2 Fiches 1 - 4 De regel dat degene die last geeft tot tenuitvoerlegging van een vonnis, waarvan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, handelt op eigen risico, onverminderd de regels inzake kantonnement, vindt geen toepassing op de betalingen die al dan niet ingevolge een gedwongen tenuitvoerlegging worden gedaan in uitvoering van een beslissing die een provisionele uitkering na echtscheiding toekent in afwachting van een latere beslissing; zulks impliceert dat door de uitkeringsgerechtigde geen moratoire interesten verschuldigd zijn op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden indien zijn recht op uitkering naderhand komt te vervallen door de vaststelling van zijn schuld
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1398, tweede lid Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1398, tweede lid Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1398, tweede lid Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1398, tweede lid Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 30 maart 2007, AR C.04.0483.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Moratoir Vrije woorden: Vonnis - Provisionele uitkering na echtscheiding - Hervorming - Terugvordering van de uitkering - Schade - Vergoeding - Interesten Tekst van de beslissing Nr. C.04.0483.N C.M., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen A.P., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel; - de artikelen 19, lid 1, 915 en 1068, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: ¿Verklaart het hoger beroep in de navolgende mate gegrond. Wijst het incidenteel beroep af als ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en wijst dienaangaande opnieuw: Verklaart de vorderingen vanwege (de verweerder) enkel gegrond als volgt: Spreekt de echtscheiding uit tussen (de verweerder), geboren te Kortrijk op 30 mei 1948 en (de eiseres), geboren te Kortrijk op 13 mei 1948, samen gehuwd te Kortrijk op 27 december 1980, in het nadeel van (de eiseres). Verklaart het onderdeel van de oorspronkelijke vordering van (de verweerder), strekkende tot de veroordeling van (de eiseres) om aan hem te betalen de wettelijke rente op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden die hij conform het tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 betaalde, vanaf de respectieve data van de betaling tot aan de datum van terugbetaling, welke bedragen terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en op haar eigen goederen, ontvankelijk en gegrond. Zegt voor recht dat, aansluitend het niet - bestreden tussenvonnis gewezen door de 1ste rechter op 7 oktober 1999, ook de wettelijke rente op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden die (de verweerder) conform het tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 heeft betaald, terugvorderbaar is van de respectieve data van de betaling tot aan de datum van de terugbetaling, welke bedragen evenzeer terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en op haar eigen goederen bij de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen. Wijst het overige door (de verweerder) gevorderde af als onongegrond. Wijst de tegenvordering van (de eiseres) tot het bekomen van persoonlijk onderhoudsgeld af als onongegrond. Verwijst elke partij in de helft van de gedingkosten, met dien verstande: - dat de kosten van de dagvaarding dd. 9 februari 1998 (AR 98/00297/A) lastens (de eiseres) blijven; - dat de kosten van het hoger beroep volledig lastens (de eiseres) vallen. Bepaalt de gedingkosten als volgt (...) Verwijst elke partij in de eigen kosten van de gevoerde kort gedingen in beide aanleggen en tenuitvoerleggingen, voor zover geen reeds geldende andersluidende beschikkingen dienaangaande¿, na vastgesteld te hebben op p. 1: ¿Het (hof van beroep) heeft kennis genomen van het bestreden vonnis dd. 20 februari 2003, gewezen door de 6de kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, waartegen de beide partijen tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep en incidenteel beroep hebben ingesteld. In het bestreden vonnis heeft de eerste rechter (na het niet-bestreden tussenvonnis dd. 2 november 1995 (...)¿, op grond van de motieven op pp. 2-5: ¿1. (De verweerder) wordt gegriefd door het bestreden vonnis waar de door hem geformuleerde echtscheidingsvordering o.g.v. art. 231 B.W. wordt ongegrond verklaard. Hij meent dat de door hem vermelde grieven afdoende bewezen zijn door de stukken, het getuigenverhoor en alle andere middelen van recht waarop hij steunt. Uit de grondige lezing van het geheel van alle getuigenissen blijken onomstotelijk de grove beledigingen vanwege (de eiseres) t.a.v. (de verweerder) als echtgenoot in de zin van art. 231 B.W., zoals hierna bepaald. (De eiseres) is, zoals terecht aangeklaagd door (de verweerder), derwijze onhebbelijk dat zij ruzie zoekt en stookt, dit zowel ten aanzien van vrienden en kennissen als ten aanzien van (de verweerder) (deel van de 1ste echtscheidingsgrief). De dienaangaande zeer duidelijke verklaringen van o.m. de getuigen I.B., M.O., L.L.,I.P.,D.W.,V.C.,M.S.,M.V. en J.V. bevestigen dit éénduidig. Uit het geheel van die verklaringen blijkt dat (de eiseres) ruzie zocht en maakte met (de verweerder) en deze regelmatig heeft uitgescholden met de meest beledigende verwijten (zoals alcoholverslaafde, seksmaniak, boer, enz ...), dit in aanwezigheid van derden (zoals huishoudster, kennissen of vrienden) maar ook van familie (kinderen, schoonmoeder). Sommige getuigenissen bevestigen bovendien dat (de verweerder) daar zeer kalm poogde bij te blijven en dit zo goed als mogelijk poogde op te vangen. Uit het nader politieonderzoek, gevoerd n.a.v. de klacht vanwege (de eiseres) tegen bepaalde getuigen wegens valse getuigenis (dossier appellant, stuk 22) blijkt dat de desbetreffende getuigen op een serene manier hun eerdere getuigenis vertelden en bevestigden. Nergens bleek dat zij probeerden te liegen of iets te verbergen. Opmerkelijk daarbij is dat de 3 huishoudsters I.B., M.O. en M.V. dezelfde taal spraken, namelijk dat (de eiseres) een onmogelijke vrouw was. Allen bleken zeer goed te weten wat zij hadden verklaard en stapten er onder geen enkel beding van af De politie stelde overigens daarbij uit de langdurige gesprekken met de getuigen vast ¿dat (de verweerder) zich gedroeg als een sul tot op de dag dat de laatste druppel de emmer deed overlopen' (p.v. 20 december 1999 - blad 133). Nergens blijkt derhalve dat de aangeklaagde handelwijze specifiek te wijten was of specifiek in de hand werd gewerkt door (de verweerder). Er blijkt integendeel uit het geheel van de voorliggende gegevens enkel dat de problematiek kennelijk toe te schrijven was aan het onhebbelijk karakter van (de eiseres). Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en geloofwaardigheid van deze getuigenissen, waaraan geenszins afbreuk wordt gedaan door het plaatsgevonden tegenverhoor. In de mate dat bepaalde getuigenissen zouden zijn ¿van horen zeggen' doet dit niets af aan hun bewijswaarde, nu zij worden ondersteund door bepaalde rechtstreekse getuigenissen. Immers, de tegengetuigen konden geen zinvolle, relevante elementen verschaffen waaruit het tegenovergestelde dient of zou kunnen worden aangenomen of waaruit zou kunnen worden besloten dat hetgeen werd getuigd onjuist zou zijn. De tegengetuigen A.V. (kruidenier), P.R. (benzinepomp), J.T. (professioneel), B.V. (kuisfirma), K.V. (kuisfirma), A.C. (vakantiekennis van Knokke), D.S. (kassierster Delhaize), B.D. (vriend van dochter B.S.), M.B. (vroegere schoolvriendin van (de eiseres)), G.P. (kunsthandelaar te Knokke), A.D. (reisagentschap), C.V. (klant), M.V. (golfclub), C.V. (golfclub), kwamen allen - in tegenstelling tot de getuigen - ofwel niet, ofwel slechts zelden, ofwel enkel beroepsmatig ten huize van partijen of kwamen slechts sporadisch met (de eiseres) in contact. Hetzelfde geldt voor M.C. (broer van (de eiseres)) en P.V. (gehuwd met nichtje van (de eiseres)), die slechts af en toe met (de eiseres) contact hadden. Hetzelfde geldt ook voor de dochter B.S. (° 6 maart 1972): zij was slechts zelden thuis nu zij sedert het 6de studiejaar intern is geweest tot aan haar 19 jaar en nadien op kot is geweest in Brussel gedurende 6 jaar. Het feit dat deze tegengetuigen niets concreets zagen of hoorden op de momenten dat zij met (de eiseres) contact hadden, neemt de voormelde problematiek, zoals bevestigd door de getuigen die dagdagelijks met (de eiseres) in contact kwamen (zoals de huishoudsters), niet weg, laat staan dat het op enige wijze afbreuk zou doen aan de juistheid van deze getuigenissen. (De eiseres) trekt dan ten onrechte de geloofwaardigheid van de getuigen in twijfel: - het is niet omdat I.B., M.O. en M.V. huishoudster waren en/of nog steeds zijn dat dit afbreuk doet aan de preciesheid, juistheid en geloofwaardigheid van hun getuigenissen; nu zij dagelijks het huishouden van de partijen deelden/delen zijn zij immers zeer goed geplaatst om te getuigen aangaande de problematiek; nergens blijkt dat zij dit met enige partijdigheid zouden hebben gedaan; - het is niet omdat D.W., L.L. en V.C. goede kennissen en/of vrienden zijn van (verweerder), dat zij zouden liegen of onjuiste dingen zouden vertellen, laat staan dat zou blijken dat zij daardoor op een partijdige wijze zouden hebben getuigd; ook zij zijn immers uitermate goed geplaatst om over de problematiek te getuigen nu zij kennelijk in hun hoedanigheid van goede kennissen/vrienden nauw(
- er)betrokken waren met het familiaal leven van de partijen; hetzelfde geldt uiteraard voor de moeder van (de verweerder) J.V.; - de herhaalde omschrijving van I.P. (echtgenote van getuige D.W.) als ¿bijzit appellant' wordt door niets gestaafd of aangetoond en komt eerder voor als een misplaatste en volkomen ongegronde poging vanwege (de eiseres) om deze getuige aldus in diskrediet te brengen; hetzelfde dient zonder meer te worden vastgesteld wat betreft de arbitraire bestempelingen door (de eiseres) van de getuigen M.O. en M.V. (huishoudsters) als ¿onbetrouwbaar' en van getuige V.C. als ¿roddelaarster'. De aangeklaagde handelwijze van (de eiseres) wordt in de gegeven omstandigheden op afdoende wijze naar recht aangetoond en vormt onmiskenbaar een grove belediging voor (de verweerder) in de zin van art. 231 B.W., waarop diens vordering in echtscheiding dient te worden toegekend in het nadeel van (de eiseres). Voor de toepassing van art. 231 B.W. volstaat het dat de schuldige echtgenoot met vrije wil handelingen verricht waarvan hij moest weten dat de gevolgen krenkend zijn voor de andere echtgenoot en dat die krenking zwaar is. De in die zin geformuleerde grief is daarom gegrond 2. Gelet op het voorgaande is de nadere beoordeling van de overige grieven door de (verweerder) geformuleerde echtscheidingsgrieven niet dienend¿. Grieven De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk besliste in het eerste tussenvonnis van 2 november 1995, in de zaak met A.R. nr. 96/57712 op de vordering tot echtscheiding van de verweerder op grond van bepaalde feiten ten laste van de eiseres, op grond van volgende bijzondere motivering: ¿(¿) Dat de door (de verweerder) ingeroepen feiten vooralsnog niet bewezen zijn doch, dat deze in hun samenhang afdoende zijn, dienende terzaak, de wet het bewijs ervan niet verbeidt en (de verweerder) aanbod van bewijs doet; (¿) Dat (de verweerder) derhalve dient toegelaten te worden deze feiten te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen; de verweerder toe te laten te bewijzen door alle middelen van het recht, getuigen inbegrepen van de nader opgesomde 4 verschillende feiten, waarvan het eerste omschreven feit luidde: ¿1. dat (de eiseres) derwijze onhebbelijk is dat zij met iedereen ruzie zoekt en stookt; wegens haar perfide optreden zowel ten aanzien van vrienden en kennissen als ten aanzien van (de verweerder), werd zij door Dr. L. te Kortrijk meerdere malen gezien zowel thuis als in de dokterspraktijk, met betrekking tot deze repetitieve karakteriële problemen¿. Tegen dit tussenvonnis werd geen rechtsmiddel ingesteld, vermits het hoger beroep van de verweerder bij het Hof van Beroep te Gent, blijkens zijn verzoekschrift tot hoger beroep en zoals vastgesteld in het bestreden arrest op p. 1 slechts gericht was tegen het vonnis van 20 februari 2003 van de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, zodat de appelrechters niet gevat waren en zonder rechtsmacht waren om over de getroffen beslissingen in het eerste tussenvonnis van 2 november 1995 uitspraak te doen ingevolge de beperkte devolutieve werking van het hoger beroep van verweerder voorzien in artikel 1068, lid 1, en ingevolge artikel 19, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Voormeld tussenvonnis van 2 november 1995 bevat een eindbeslissing over een geschilpunt waarmee de rechtsmacht in het geschil is uitgeput bij gebreke aan enig er tegen ingesteld rechtsmiddel. Meer bepaald beslist dit tussenvonnis dat de feiten die verweerder inriep ¿in hun samenhang afdoende zijn ¿, waarmee de eerste rechter op dat ogenblik aangaf dat de vordering van verweerder slechts gegrond kan worden verklaard mits deze ingeroepen feiten tezamen bewezen worden. Immers, om het getuigenbewijs toe te laten volstaat het krachtens artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek dat de rechter bevindt dat het aangeboden bewijs toelaatbaar is, dat het aangeboden feit bepaald is en ter zake dienend. Aldus de bijkomende beoordeling, die het tussenvonnis geeft omtrent de omstandigheid dat de door de verweerder aangeboden feiten slechts in hun samenhang afdoend zijn, niet slaat op de toelaatbaarheidvereisten van het getuigenbewijs, maar reeds betrekking heeft op de beoordeling van de grond ervan. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist, dat de in die zin geformuleerde grief, zijnde een ¿deel van de 1ste echtscheidingsgrief gegrond is, vermits reeds tussen partijen was beslist dat enkel het bewijs van al de feiten in hun samenhang afdoende was om de vordering gegrond te kunnen verklaren, door aldus ultra petita uitspraak te doen van het voor de appelrechters hangende geschil, die ingevolge de beperkende devolutieve werking van het hoger beroep van de verweerder dat niet gericht was tegen het eerste tussenvonnis van 2 november 1995 (schending van artikel 1068, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek) en de uitputting van de rechtsmacht over dat geschilpunt (schending van artikel 19, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek) daar niet meer konden op terug komen. (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel en de artikelen 19, lid 1, 915 en 1068, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel; - de artikelen 301, 1153, 1376 en 1378 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 19, 28, 1050, 1068, lid 1, 1138, 1333, 1397, 1398, 1399, 1400 en 1495 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: ¿Verklaart het hoger beroep in de navolgende mate gegrond. Wijst het incidenteel beroep af als ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en wijst dienaangaande opnieuw: Verklaart de vorderingen vanwege (de verweerder) enkel gegrond als volgt: Spreekt de echtscheiding uit tussen: (de verweerder), geboren te Kortrijk op 30 mei 1948 en (de eiseres), geboren te Kortrijk op 13 mei 1948, samen gehuwd te Kortrijk op 27 december 1980, in het nadeel van (de eiseres). Verklaart het onderdeel van de oorspronkelijke vordering van (de verweerder), strekkende tot de veroordeling van (de eiseres) om aan hem te betalen de wettelijke rente op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden die hij conform het tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 betaalde, vanaf de respectieve data van de betaling tot aan de datum van terugbetaling, welke bedragen terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en op haar eigen goederen, ontvankelijk en gegrond. Zegt voor recht dat, aansluitend het niet - bestreden tussenvonnis gewezen door de eerste rechter op 7 oktober 1999, ook de wettelijke rente op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden die (de verweerder) conform het tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 heeft betaald, terugvorderbaar is van de respectieve data van de betaling tot aan de datum van de terugbetaling, welke bedragen evenzeer terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en op haar eigen goederen bij de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen. Wijst het overige door (de verweerder) gevorderde af als ongegrond. Wijst de tegenvordering van (de eiseres) tot het bekomen van persoonlijk onderhoudsgeld af als ongegrond. Verwijst elke partij in de helft van de gedingkosten, met dien verstande: - dat de kosten van de dagvaarding dd. 9 februari 1998 (AR 98/00297/A) lastens (de eiseres) blijven; - dat de kosten van het hoger beroep volledig lastens (de eiseres) vallen. Bepaalt de gedingkosten als volgt (...) Verwijst elke partij in de eigen kosten van de gevoerde kort gedingen in beide aanleggen en tenuitvoerleggingen, voor zover geen reeds geldende andersluidende beschikkingen dienaangaande¿, op grond van de motieven op pp. 5 -6 ¿4. Op de terugvordering van de betaalde provisionele onderhoudsgelden kan niet worden ingegaan. In het niet - bestreden tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 werd immers reeds definitief voor recht gezegd dat provisioneel onderhoudsgeld zal terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en haar eigen goederen voor het geval de echtscheiding in wederzijds nadeel wordt uitgesproken. De terugvordering van de betaalde onderhoudsgelden is daarom, zoals reeds definitief voorzien, thans niet meer aan de orde doch is een onderdeel van de aanstaande vereffening en verdeling. Het bestreden vonnis is te bevestigen wat dit punt betreft. (De verweerder) maakt tevens aanspraak op de wettelijke rent vanaf de respectieve data van de betaling tot aan de datum van terugbetaling, welke bedragen terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en op haar eigen goederen (zie beroepsakte, p. 59 punt B). (De verweerder) vorderde dit reeds aldus voor de 1ste rechter bij conclusie dd. 15 oktober 2002. Nu het niet - bestreden tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 geen interest voorziet op de terugvorderbare onderhoudsgelden, is (de verweerder) tevens gerechtigd zich dienaangaande een titel te verschaffen en behoort het hof dit gevorderde onderdeel te beoordelen. Luidens art. 1398, 2de lid, Ger. W. geschiedt de tenuitvoerlegging van het vonnis alleen op risico van de partij die daartoe last geeft. Daaruit volgt dat de partij die het vonnis doet uitvoeren, bij gehele of gedeeltelijke hervorming of vernietiging ervan, boven de teruggave van hetgeen zij ingevolge de hervormde of vernietigde beslissing heeft ontvangen, de schade dient te vergoeden die door de enkele tenuitvoerlegging is ontstaan, zonder dat daartoe enige kwade trouw of fout in de zin van de art. 1382 en 1383 is vereist. (De verweerder) vraagt, door de betaling van interest op de te veel betaalde onderhoudsgelden te vorderen, een vergoeding van de schade die door de enkele tenuitvoerlegging is ontstaan, wat kan worden toegestaan. (De verweerder) begroot het gevorderde niet, noch verschaft enig gegeven dienaangaande: hij beperkt zich tot de verwijzing naar de terugvorderbaarheid bij de aanstaande vereffening en verdeling. Aansluitend hetgeen hoger werd overwogen m.b.t. de terugvorderbaarheid van de onderhoudsgelden zelf komt het in de gegeven omstandigheden passend voor, wat de concrete verrekening van de interest betreft, eveneens te verwijzen naar de aanstaande vereffening en verdeling, zoals hierna nader omschreven¿. Grieven Eerste onderdeel Blijkens de aan onderhavige voorziening aangehechte uitgifte van het vonnis dd. 7 oktober 1999 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk gewezen tussen de partijen wordt, na vastgesteld te hebben op p. 5 dat de eiseres ¿(eveneens) (...) een provisioneel onderhoudsgeld (vordert)¿, beslist in het beschikkend gedeelte op p. 6 ¿Veroordeelt (de verweerder) om aan (de eiseres) te betalen per maand ten titel van provisioneel onderhoudsgeld voor haar persoonlijk de som van HONDERDUIZEND FRANK (100.000 BEF). Zegt voor recht dat dit provisioneel onderhoudsgeld zal terugvorderbaar zijn op haar aandeel in de gemeenschap en haar eigen goederen voor het geval de echtscheiding in wederzijds nadeel wordt uitgesproken. Stelt vast dat deze uitkering van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig artikel 301, §2, B. W.; het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer van de maand gedurende dewelke huidig vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen; na 12 maanden zal het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast worden in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het gezondheidsindexcijfer van de overeenstemmende maand; Verklaart het vonnis voor wat het onderhoudsgeld betreft, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement¿. Blijkens het aan onderhavige voorziening aangehecht origineel van het betekeningsexploot werd dit vonnis op 15 oktober 1999 aan de verweerder betekend en het bestreden stelt vast op o.m. p. 2, 5 en 6 dat dit vonnis niet bestreden werd en derhalve op 15 november 1999 in kracht van gewijsde is getreden. Van voorlopige tenuitvoerlegging is slechts sprake wanneer het vonnis in kwestie bestreden wordt met een gewoon rechtsmiddel, zoals in de artikelen 1397 en 1398 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt, waar gesteld wordt dat in de regel verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen daarvan de tenuitvoerlegging schorsen, behoudens wanneer de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van zijn vonnis toestaat. Alleen deze voorlopige tenuitvoerlegging, ondanks verzet of hoger beroep, geschiedt niettemin alleen op risico van de partij die daartoe last geeft, zoals artikel 1398, lid 2, bepaalt. Evenwel neemt de voorlopige tenuitvoerlegging een einde van zodra een vonnis overeenkomstig artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek kracht van gewijsde verkrijgt omdat het niet meer vatbaar is voor verzet of hoger beroep. Vanaf dan is dergelijk vonnis definitief uitvoerbaar. Aldus werden de provisionele onderhoudsgelden, die door de verweerder werden betaald na 15 november 1999, het niet op grond van enige voorlopige tenuitvoerlegging. Hieruit volgt dat het bestreden arrest door zijn beslissing, te zeggen voor recht dat ¿ook de wettelijke rente op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden die de verweerder conform het tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 heeft betaald, terugvorderbaar is vanaf de respectieve date van de betaling tot aan de datum van de terugbetaling, welke bedragen evenzeer terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en op haar eigen goederen bij de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen¿, enkel te steunen op grond van artikel 1398, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek krachtens hetwelk de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 oktober 1999 alleen geschiedt op risico van de partij die daartoe last geeft, niet wettig verantwoordt, nu de provisionele onderhoudsgelden door de verweerder betaald vanaf 15 november 1999 niet geschieden op grond van enige voormelde voorlopige tenuitvoerlegging op last van de eiseres, maar op grond van de definitieve uitvoerbare kracht van het in kracht van gewijsde getreden vonnis van 7 oktober 1999 (schending van de artikelen 28, 1333, 1397, 1398, 1399, 1400 en 1495 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Anderzijds kan de rechter krachtens artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot een uitkering toekennen die hem in staat stellen kan in zijn bestaan te voorzien op gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven. Zolang de echtelijke toestand van de echtgenoten tussen dewelke een echtscheidingsgeding hangende is, niet definitief is geregeld, kan er slechts een provisionele uitkering tot onderhoud na echtscheiding worden toegekend. Die uitkering is voorlopig in afwachting van een definitieve beslissing over de nog hangende echtscheidingsvordering en is zodoende een beslissing alvorens recht te doen in de zin van artikel 19, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter toelaat een voorafgaande maatregel te bevelen om de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voorlopig te regelen. Wordt evenwel de nog hangende echtscheidingsvordering ingewilligd, dan moet de provisionele uitlering in de regel integraal worden terugbetaald, nu alsdan geen enkele echtgenoot recht heeft op een uitkering na echtscheiding op grond van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek. Daarmee wordt evenwel niet vastgesteld dat de ontvangen provisionele onderhoudsgelden foutief zouden zijn betaald, gezien zij op het ogenblik van hun betaling werkelijk verschuldigd zijn ingevolge de uitgesproken voorlopige maatregel en zij te goeder trouw ontvangen werden. De beslissing die tot gevolg heeft dat de voorlopig opgelegde maatregel vervalt verplicht aldus enkel tot het terugbetalen van de hoofdsom, niet de interesten nu de wettelijke verwijlinteresten op de betaling van een geldsom conform artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek slechts kunnen beginnen te lopen vanaf de aanmaning tot betaling, hetzij de betekening van de beslissing die de voorlopige maatregel doet vervallen aan de oorspronkelijk begunstigde van die maatregel. Hieruit volgt dat het bestreden arrest door zijn beslissing, te zeggen voor recht dat ¿ook de wettelijke rente op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden die verweerder conform het tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 heeft betaald, terugvorderbaar is vanaf de respectieve date van de betaling tot aan de datum van de terugbetaling, welke bedragen evenzeer terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en op haar eigen goederen bij de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen¿, niet wettigt verantwoordt, nu de wettelijke verwijlinteresten op de provisionele onderhoudsgelden, die eiseres te goeder trouw krachtens artikel 1376 van het Burgerlijk Wetboek bij wijze van voorlopige maatregel op grond van artikel 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek en 301 van het Burgerlijk Wetboek ontving, slechts kunnen lopen vanaf de aanmaning tot betaling op grond van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij de betekening van het bestreden arrest zelve (schending van de artikelen 301, 1153, 1376 en 1378 van het Burgerlijk Wetboek en 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel Het blijkt uit de hoger aangehaalde beslissing van de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk van 7 oktober 1999 dat deze rechter zich heeft uitgesproken bij het nemen van de gevorderde voorlopige maatregel over de gevolgen met betrekking tot de wijze waarop en de voorwaarden waarin de toegekende provisionele onderhoudsgelden dienen te worden terugbetaald voor het geval dat de echtscheiding in het wederzijds nadeel van de partijen wordt uitgesproken. Door dit doen, gevraagd of ongevraagd, terecht of onterecht, heeft dit niet bestreden vonnis zich allesomvattend uitgesproken over al de modaliteiten, niets uitgezonderd en derhalve ook met inbegrip van het aspect van de gebeurlijke wettelijke interesten, voor het terugvorderbaar zijn van de provisionele onderhoudsgelden die het toestaat. Daaruit volgt dat die beslissing de appelrechters elke rechtsmacht ontneemt om nog te beslissen over de bijkomende vordering van de verweerder met betrekking tot de toekenning van wettelijke interesten op de terugbetaalbare provisionele onderhoudsgelden, gezien de verweerder beroep had dienen in te stellen tegen het voormelde vonnis van 7 oktober 1999 indien hij zich gegriefd achtte door het feit dat nagelaten werd te preciseren dat en in welke mate wettelijke interesten voorzien moesten worden op de terugvorderbare provisionele betalingen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist, te zeggen voor recht dat ¿ook de wettelijke rente op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden die de verweerder conform het tussenvonnis dd. 7 oktober 1999 heeft betaald, terugvorderbaar is vanaf de respectieve date van de betaling tot aan de datum van de terugbetaling, welke bedragen evenzeer terugvorderbaar zijn op het aandeel van (de eiseres) in de gemeenschap en op haar eigen goederen bij de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogen¿, door aldus ultra petita uitspraak te doen van het voor de appelrechters hangende geschil, die ingevolge de beperkende devolutieve werking van het hoger beroep van verweerder dat niet gericht was tegen vonnis van 7 oktober 1999 (schending van artikel 1068, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek) en de uitputting van de rechtsmacht over dat geschilpunt (schending van artikel 19, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek) daar niet meer konden op terug komen (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel en de artikelen 19, lid 1, en 1068, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek), gezien dat vonnis van 7 oktober 1999 niet enkel uitspraak deed over de wijze waarop het provisioneel onderhoudsgeld terugvorderbaar zal zijn op het aandeel van de eiseres in de gemeenschap en haar eigen goederen voor het geval de echtscheiding in het wederzijds nadeel wordt uitgesproken, maar op allesomvattende wijze, niets uitgezonderd, over alle aspecten daaraan verbonden, met inbegrip van de niet toegestane wettelijke interesten, waartegen de verweerder beroep had moeten instellen, wilde hij deze interesten kunnen bekomen op straffe van ontvankelijkheid van zijn latere vordering in besluiten van 15 oktober 2002 voor dezelfde rechter. (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel en de artikelen 19, 1050, 1068, lid 1, en 1138 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk van 2 november 1995 houdt met de in het middel weergegeven redenen niet de beslissing in dat de echtscheiding ten laste van de eiseres ¿slechts¿ gegrond kon worden verklaard mits alle onder het bewijsaanbod gestelde feiten tezamen zouden bewezen zijn. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 2. Krachtens artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, handelt degene die last geeft tot tenuitvoerlegging van een vonnis, waarvan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, op eigen risico, onverminderd de regels inzake kantonnement. Dit artikel vindt geen toepassing op de betalingen die al dan niet ingevolge een gedwongen tenuitvoerlegging worden gedaan in uitvoering van een beslissing die een provisionele uitkering na echtscheiding toekent in afwachting van een latere beslissing. Het is dus niet toepasselijk op betalingen die worden gedaan in uitvoering van een in kracht van gewijsde getreden vonnis dat een provisionele uitkering na echtscheiding toekent indien het recht op uitkering komt te vervallen door de vaststelling van de schuld van die gerechtigde op de uitkering. 3. Door te oordelen dat ¿ook de wettelijke rente op de terugvorderbare provisionele onderhoudsgelden die (de verweerder) conform het tussenvonnis van 7 oktober 1999 heeft terugbetaald, terugvorderbaar is vanaf de respectieve data van de betaling tot aan de datum van terugbetaling¿, schendt het arrest artikel 1398, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 4. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de rente op de provisioneel betaalde bedragen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 821,12 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.2 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070330.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050620.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250911.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div