id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070402.2 Rolnummer: C.05.0564.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 507 - laatst gezien 2026-07-04 03:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer een ongeval door toeval gebeurde, enkel de verzekeraars van bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuigen en niet het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds zijn gehouden tot vergoeding op grond van artikel 29bis van de W.A.M.-Wet; deze verzekeraars kunnen niet de uitgekeerde vergoeding terugvorderen van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds
(1)
(2).
(1)Het geschil ten gronde betrof de burgerlijke gevolgen van een verkeersongeval waarbij de verzekerde van verweerster in aanrijding kwam met een ander voertuig dat op een olievlek slipte. Op grond van artikel 29bis, § 1, eerste lid, Wet 21 nov. 1989, had verweerster als W.A.M.-verzekeraar de passagierster van het voertuig van haar verzekerde schadeloos gesteld voor haar lichamelijke letsels.
(2)Zie J. MUYLDERMANS, "Het 'toevallig feit' binnen het kader van de werking van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds", V.A.V., 2006, nr 9,
- Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Ongeval door toeval - Lichamelijke schade - Zwakke weggebruiker - Verplichting tot vergoeding - Verzekeraars van bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuigen - Terugvordering tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds Wettelijke bepalingen: Wet - 09-07-1975 - Art. 80 Wet - 21-11-1989 - Art. 29bis, § 1 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0564.N GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verzekeringsmaatschappij, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Liefdadigheidsstraat 33, bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 24 februari 2005 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 maart 2007 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Enig middel
- Krachtens artikel 29bis, §1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna WAM-Wet), na de wijziging bij wet van 13 april 1995 en vóór de wijziging bij wet van 19 januari 2001, zijn de verzekeraars die de aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, de bestuurder of de houder van motorrijtuigen die bij een verkeersongeval zijn betrokken, verplicht met uitzondering van de stoffelijke schade alle schade te vergoeden voortvloeiend uit overlijden van of lichamelijk letsel dat wordt geleden door slachtoffers van een dergelijk ongeval. De bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden kunnen zich krachtens artikel 29bis, §2, zoals te dezen van toepassing, van de WAM-Wet niet beroepen op de bepalingen van dit artikel. Krachtens artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals te dezen van toepassing, kan elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds de vergoeding verkrijgen van de schade voortvloeiend uit lichamelijk letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakt, vrijuit gaat. Wanneer het ongeval door toeval gebeurt, is het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds luidens deze bepaling enkel tot vergoeding gehouden op voorwaarde dat geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is. Krachtens artikel 29bis, §1, derde lid, van de WAM-Wet, zoals te dezen van toepassing, is artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen van toepassing op deze schadevergoeding. Wanneer het ongeval evenwel door toeval gebeurde, blijft de verzekeraar krachtens deze bepaling tot vergoeding gehouden.
- Uit deze bepalingen volgt dat, wanneer het ongeval door toeval gebeurde, enkel de verzekeraars van bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuigen en niet het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds gehouden zijn tot vergoeding op grond van voormeld artikel 29bis van de WAM-Wet en dat de verzekeraars de uitgekeerde vergoeding niet kunnen terugvorderen van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds.
- De appelrechters oordelen dat: - het litigieuze ongeval door toeval gebeurde; - zowel het voertuig van P, als het voertuig S., te aanzien zijn als betrokken motorrijtuigen in de zin van artikel 29bis van de WAM-Wet, dit met overneming van de redenen van de eerste rechter; - als er meerdere betrokken motorrijtuigen zijn, het slachtoffer elk van de WAM-verzekeraars kan aanspreken voor de totaliteit van zijn schade, dit met overneming van de redenen van de eerste rechter; - de verweerster, als gesubrogeerde in de rechten van het slachtoffer, zich voor de helft van deze uitgaven op basis van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek kan richten tot de NV Mercator Verzekeringen en op grond van artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 voor de totaliteit van deze uitgaven tot de eiser.
- Door ook de eiser te veroordelen tot terugbetaling aan de verweerster van haar totale uitgaven ten voordele van mevrouw V.B., passagierster in het voertuig Van P, schenden de appelrechters artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 en 29bis, §1, eerste en derde lid, van de WAM-Wet Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres veroordeelt tot terugbetaling aan de verweerster van de door de verweerster aan C.V.B. betaalde bedragen en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van twee april tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070402.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130422.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div