← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3 Rolnummer: P.07.0041.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-06-15 Raadplegingen: 773 - laatst gezien 2026-07-04 00:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de burgerlijke partijstelling van de klager en vervolgens de strafvordering niet ontvankelijk verklaart, bepaalde stukken van de strafrechtspleging nietig verklaart en de verwijdering ervan uit het strafdossier en de neerlegging ter griffie ervan beveelt overeenkomstig artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, om tenslotte vast te stellen dat de procedure op grond van artikel 61ter, Wetboek van Strafvordering zonder voorwerp is geworden, is een eindbeslissing. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Arrest dat de strafvordering niet ontvankelijk verklaart - Zelfde arrest dat een deel van de rechtspleging nietig verklaart - Zelfde arrest dat vaststelt dat de procedure op grond van artikel 61ter, Wetboek van Strafvordering zonder voorwerp is - Aard van de beslissing Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61ter, 235bis, 407, 408, 413 en 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Allerlei UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Kamer van inbeschuldigingstelling - Arrest dat de strafvordering niet ontvankelijk verklaart - Zelfde arrest dat een deel van de rechtspleging nietig verklaart - Zelfde arrest dat vaststelt dat de procedure op grond van artikel 61ter, Wetboek van Strafvordering zonder voorwerp is - Aard van de beslissing Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61ter, 235bis, 407, 408, 413 en 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Wanneer het gerechtelijk onderzoek geopend werd ingevolge een burgerlijke partijstelling en het openbaar ministerie zelf geen gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd, vormt de ontvankelijkheid van de burgerlijke vordering de grondslag voor de ontvankelijkheid van de strafvordering; het onderzoeksgerecht dat de ontvankelijkheid van zulke burgerlijke partijstelling onderzoekt, oordeelt niet over de burgerlijke vordering zelf maar enkel over het recht dat een partij beweert te hebben om via een burgerlijke partijstelling de strafvordering op gang te brengen

(1).
(1)R. VERSRAETEN, Handboek van Strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2005, nr 1194. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Gerechtelijk onderzoek - Geen vordering van het openbaar ministerie - Gevolg - Beoordeling van de ontvankelijkheid - Draagwijdte van de beslissing Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 63 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Gerechtelijk onderzoek - Geen vordering van het openbaar ministerie - Gevolg - Beoordeling van de ontvankelijkheid - Draagwijdte van de beslissing Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 63 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Wanneer het gerechtelijk onderzoek geopend werd ingevolge een burgerlijke partijstelling en het openbaar ministerie zelf geen gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd, oordeelt het onderzoeksgerecht dat de ontvankelijkheid van zulke burgerlijke partijstelling onderzoekt niet over de burgerlijke vordering zelf maar enkel over het recht dat een partij beweert te hebben om via een burgerlijke partijstelling de strafvordering op gang te brengen; dergelijke beslissing behoort tot het voorbereidend onderzoek zodat de uitspraak ervan niet in openbare terechtzitting moet gebeuren
(1).
(1)R. VERSTRAETEN, Handboek van Strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2005, nr 1194. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Gerechtelijk onderzoek - Geen vordering van het openbaar ministerie - Beoordeling van de ontvankelijkheid - Draagwijdte van de beslissing - Gevolg - Uitspraak - Openbare terechtzitting Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 63 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Gerechtelijk onderzoek - Geen vordering van het openbaar ministerie - Beoordeling van de ontvankelijkheid - Draagwijdte van de beslissing - Gevolg - Uitspraak - Openbare terechtzitting Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 63 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 9 Hij die beweert door een misdaad of wanbedrijf benadeeld te zijn, kan zich burgerlijke partij stellen zowel voor de onderzoeksrechter als voor het onderzoeksgerecht, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, van haar omvang en van het oorzakelijk verband ervan met het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf; de beweerde benadeelde moet evenwel, wil zijn burgerlijke partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering omtrent de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden, aannemelijk maken
(1).
(1)Zie Cass., 22 mei 2001, AR P.99.1655.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010522.5, nr 303; Cass., 8 okt. 2003, AR P.02.0419.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8, nr
  1. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 63 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 63 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 63 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0041.N E I, burgerlijke partij, verzoeker tot inzage van het strafdossier, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 december
  2. De eiser doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in zoverre het bestreden arrest geen eindbeslissing is in de zin van artikel 416 Wetboek van Strafvordering. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De eiser heeft op 1 maart 2006 klacht met burgerlijke partijstelling gedaan bij de onderzoeksrechter te Hasselt. De procureur des Konings heeft zelf geen vordering tot gerechtelijk onderzoek gesteld. Op 8 september 2006 heeft de eiser op basis van artikel 61ter, § 1, Wetboek van Strafvordering inzage van het dossier verzocht. De onderzoeksrechter heeft op 12 september 2006 dit verzoek ingewilligd. De procureur des Konings heeft overeenkomstig artikel 61ter, § 5, Wetboek van Strafvordering, bij een met redenen omkleed verzoekschrift van 15 september 2006 de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Bij tussenarrest van 14 november 2006 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling vastgesteld ¿dat er een grond van niet ontvankelijkheid van de strafvordering wegens een eventuele niet ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling kan bestaan¿ en, vooraleer verder recht te doen, bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de heropening van het debat bevolen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand
  3. Het bestreden arrest verklaart de burgerlijke partijstelling van de eiser en vervolgens de strafvordering niet ontvankelijk. Het verklaart de stukken van de strafrechtspleging nietig vanaf het stuk volgend op het kantschrift van 8 maart 2006 van de procureur des Konings tot het verzoek van de burgerlijke partij, strekkende tot inzage van het strafdossier, en beveelt de verwijdering ervan uit het dossier en de neerlegging ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt overeenkomstig artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering. Het stelt ten slotte vast dat de procedure op grond van artikel 61ter Wetboek van Strafvordering zonder voorwerp is geworden. Het bestreden arrest is een eindbeslissing. Er bestaat geen grond om de gevraagde afstand te verlenen. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 235bis, § 4, Wetboek van Strafvordering om reden dat de kamer van inbeschuldigingstelling de eiser niet in het openbaar heeft gehoord en het bestreden arrest evenmin in het openbaar werd uitgesproken.
  5. Artikel 235bis, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt: ¿De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, in openbare terechtzitting indien ze op verzoek van een partij daartoe besluit, de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde¿. Hieruit volgt dat de behandeling van de zaak met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering in de regel niet openbaar is. Enkel wanneer een partij hierom verzoekt kan de kamer van inbeschuldigingstelling besluiten de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde in openbare terechtzitting te horen. Artikel 235bis, § 4, Wetboek van Strafvordering voorziet ook niet in de mogelijkheid ook de uitspraak in openbare terechtzitting te doen. In zoverre het onderdeel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat een partij het verzoek heeft gedaan dat de kamer van inbeschuldigingstelling de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde in openbare terechtzitting zou horen. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft terecht de zaak behandeld met gesloten deuren. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling de uitspraak in openbare terechtzitting diende te doen omdat zij, door zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling en dus van de burgerlijke vordering, een beslissing genomen heeft die niet meer behoort tot het voorbereidend onderzoek.
  8. Wanneer het gerechtelijk onderzoek werd geopend ingevolge een burgerlijke partijstelling en het openbaar ministerie zelf geen gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd, vormt de ontvankelijkheid van de burgerlijke vordering de grondslag voor de ontvankelijkheid van de strafvordering. Het onderzoeksgerecht dat de ontvankelijkheid van zulke burgerlijke partijstelling onderzoekt, oordeelt niet over de burgerlijke vordering zelf maar enkel over het recht dat een partij beweert te hebben om via een burgerlijke partijstelling de strafvordering op gang te brengen. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat dergelijke beslissing niet meer behoort tot het voorbereidend onderzoek zodat de uitspraak ervan in openbare terechtzitting moet gebeuren, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert aan dat de redenen van de kamer van inbeschuldigingstelling om te oordelen dat eisers burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk is, dubbelzinnig zijn, minstens laten uitschijnen dat er ter zake twijfel bestond.
  10. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt met betrekking tot de post ¿moreel nadeel ten gevolge van de gestelde misdrijven tijdens de uitoefening van zijn betrekking bij de nv Limburgse Reconversie Maatschappij¿ dat ¿de loutere aanhaling dat hij als eerlijk werknemer tijdens zijn dienstbetrekking morele schade heeft geleden, doordat anderen fraudeerden binnen het bedrijf en zulks talrijke bekommernissen en spanningen op de werkvloer veroorzaakte, niet van aard (is) om een werkelijke persoonlijke schade te doen vermoeden. Minstens lijkt zulke schade niet veroorzaakt te zijn door de misdrijven op zich, doch door de houding van personen¿. Aldus oordelen zij zonder dubbelzinnigheid dat de eiser zijn bewering omtrent de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden, niet aannemelijk maakt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet vastgesteld heeft dat ¿hetzij eiser zijn schade niet aannemelijk maakte, hetzij dat eiser niet geschaad was in een van het algemeen belang te onderscheiden persoonlijk en rechtstreeks belang¿.
  12. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  13. Het onderdeel voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling het oorzakelijk verband tussen de misdrijven en eisers schade niet heeft uitgesloten.
  14. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt dat ¿de loutere aanhaling dat (de eiser) als eerlijk werknemer tijdens zijn dienstbetrekking morele schade heeft geleden, doordat anderen fraudeerden binnen het bedrijf en zulks talrijke bekommernissen en spanningen op de werkvloer veroorzaakte, niet van aard (is) om een werkelijke persoonlijke schade te doen vermoeden. Minstens lijkt zulke schade niet veroorzaakt te zijn door de misdrijven op zich, doch door de houding van personen¿. Aldus oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling dat de eiser niet aannemelijk maakt werkelijke persoonlijke schade te hebben geleden, minstens dat zulke schade veroorzaakt werd door de misdrijven zelf en verantwoordt zij haar beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  15. Het middel voert aan dat de appelrechters de eisers onterecht het bewijs opleggen dat hij door het misdrijf schade zou hebben geleden.
  16. Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf benadeeld te zijn, kan zich burgerlijke partij stellen zowel voor de onderzoeksrechter als voor het onderzoeksgerecht, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, van haar omvang en van het oorzakelijk verband ervan met het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf. De beweerde benadeelde moet evenwel, wil zijn burgerlijke partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering omtrent de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden, aannemelijk maken.
  17. Met opgave van redenen en ongeacht de gebruikte bewoordingen oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling dat ¿de voorliggende gegevens niet (toelaten) te besluiten dat de mogelijkheid van een oorzakelijk verband tussen de aangeklaagde misdrijven en het ontslag van (de eiser) dient te worden weerhouden en dat een persoonlijke schade als gevolg van die misdrijven aannemelijk wordt gemaakt¿. Aldus legt de kamer van inbeschuldigingstelling aan de eiser geen bewijslast op, maar oordeelt zij enkel dat de eiser zijn bewering omtrent de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden, niet aannemelijk maakt. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 243,52 euro waarvan 72,80 euro verschuldigd is en 170,72 euro betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 3 april 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091209.4 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130514.8 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210504.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240611.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251022.2F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010522.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.