id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.7 Rolnummer: P.07.0393.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-06-19 Raadplegingen: 494 - laatst gezien 2026-07-03 14:13 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Als ingevolge overmacht de verdachte over wiens handhaving van de voorlopige hechtenis moet worden geoordeeld niet in de gelegenheid was voorafgaand aan de terechtzitting of op de terechtzitting zelf met zijn advocaat te overleggen, wordt niettemin het recht van verdediging voor de raadkamer niet miskend wanneer de verdachte door zijn raadsman werd vertegenwoordigd die al zijn verweermiddelen zowel mondeling als schriftelijk heeft voorgedragen
(1).
(1)Cass., 17 dec. 1996, AR P.96.1591.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961217.5, nr 514. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Verschijning voor de raadkamer - Overmacht - Geen overleg tussen de verdachte en zijn raadsman - Vertegenwoordiging ter terechtzitting - Recht van verdediging Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Verschijning voor de raadkamer - Overmacht - Geen overleg tussen de verdachte en zijn raadsman - Vertegenwoordiging ter terechtzitting Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Vertegenwoordiging - Verdachte - Raadkamer - Voorlopige hechtenis Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° Fiche 4 De rechtspleging betreffende de handhaving van de voorlopige hechtenis vereist in beginsel de persoonlijke verschijning van de verdachte voor het onderzoeksgerecht
(1).
(1)Cass., 17 dec. 1996, AR P.96.1591.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961217.5, nr 514. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Terechtzitting - Persoonlijke verschijning van de verdachte - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 2° Fiches 5 - 6 De termijn van betekening bepaald in artikel 30, § 2, tweede lid, Wet Voorlopige Hechtenis, wordt niet berekend van uur tot uur
(1).
(1)Zie Cass., 6 mei 1986, AR 445, nr
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Beschikking van de raadkamer - Betekening - Termijn - Berekening Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 2 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Beschikking van de raadkamer - Betekening - Termijn - Berekening Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 2 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0393.N I en II R L, verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Alain Tytgat, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Zowel de eiser als zijn raadsman hebben cassatieberoep aangetekend op 23 maart 2007 zonder dat, bij gebrek aan tijdsbepaling op de akte opgesteld door de afgevaardigde van de directeur van de gevangenis, kan worden achterhaald hetwelk van beide cassatieberoepen het eerst werd aangetekend. Alleen het eerste cassatieberoep is ontvankelijk met toepassing van artikel 438 Wetboek van Strafvordering. Eerste grief
- De grief voert aan dat eisers recht van verdediging voor de raadkamer die over de eerste handhaving van zijn voorlopige hechtenis moest oordelen, werd miskend, omdat hij ingevolge staking in de gevangenis de gelegenheid niet kreeg met zijn advocaat te overleggen noch voorafgaand aan de terechtzitting, noch op de terechtzitting zelf.
- De raadkamer moet ervoor waken dat de verdachte over wiens handhaving van de voorlopige hechtenis ze moet oordelen, in de gelegenheid was vooraf, desnoods op de terechtzitting zelf, overleg te plegen met zijn advocaat. Wanneer dit ingevolge overmacht onmogelijk blijkt te zijn, moet ze ervoor waken dat niettemin het recht van verdediging van de betrokkene zoveel als mogelijk gevrijwaard wordt.
- Het bestreden arrest oordeelt dat desondanks ingevolge de staking een voorafgaand overleg tussen de eiser en zijn raadsman onmogelijk was, deze niettemin door zijn raadsman werd vertegenwoordigd die al zijn verweermiddelen zowel schriftelijk als mondeling heeft voorgedragen. Op deze grond beslist het bestreden arrest wettig dat in die omstandigheden eisers recht van verdediging voor de raadkamer niet werd miskend. De grief kan niet worden aangenomen. Tweede grief
- Eisers conclusie betwistte het bestaan van omstandigheden eigen aan de persoonlijkheid van de verdachte die het afleveren van een bevel tot aanhouding rechtvaardigen, door erop te wijzen dat geen der omstandigheden omschreven bij artikel 16, § 1, derde lid, Wet Voorlopige Hechtenis te dezen kon worden aangenomen. De appelrechters beantwoorden regelmatig deze conclusie met hun oordeel dat die omstandigheden wel bestaan en dat om die redenen de handhaving van de voorlopige hechtenis van die verdachte volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. De grief mist feitelijke grondslag. Derde grief
- De eiser voert aan dat alleen wegens het onvermogen van het Ministerie van Justitie, die de gedetineerden niet uit de gevangenis kon halen, hij niet voor de raadkamer is kunnen verschijnen om aldaar persoonlijk te worden gehoord, al wou hij dat recht uitoefenen.
- De rechtspleging betreffende de handhaving van de voorlopige hechtenis vereist in beginsel de persoonlijke verschijning van de verdachte voor het onderzoeksgerecht. Evenwel bepaalt artikel 23, 2°, Wet Voorlopige Hechtenis dat als de verdachte niet kan verschijnen op de rechtszitting, de raadkamer zijn advocaat machtigt hem te vertegenwoordigen, en als de advocaat, regelmatig verwittigd, geen machtiging vraagt om zijn cliënt te vertegenwoordigen, zij uitspraak kan doen in afwezigheid van de verdachte en van zijn raadsman.
- Te dezen blijkt uit de rechtspleging dat de raadsman van de eiser hem voor de raadkamer heeft vertegenwoordigd. De grief kan niet worden aangenomen. Vierde grief
- De eiser voert aan dat bij gebrek aan enige vermelding van het tijdstip zowel van de uitspraak van de beroepen beschikking als van haar betekening, niet kan worden nagegaan of de termijn van betekening, bepaald in artikel 30, § 2, tweede lid, Wet Voorlopige Hechtenis, werd geëerbiedigd, zodat hij onmiddellijk moet worden vrijgesteld.
- Luidens artikel 30, § 2, Wet Voorlopige Hechtenis moet het hoger beroep worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren, die ten aanzien van de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde, begint te lopen vanaf de dag waarop de beschikking van de raadkamer hem is betekend in de vorm bepaald in artikel 18 van voormelde wet. Die betekening wordt gedaan binnen vierentwintig uren.
- De grief gaat volledig uit van de onjuiste rechtsopvatting dat deze termijn van betekening, bepaald in artikel 30, § 2, tweede lid, Wet Voorlopige Hechtenis, berekend wordt van uur tot uur. De grief faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 93,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 3 april 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961217.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div