id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070413.1 Rolnummer: C.05.0399.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 689 - laatst gezien 2026-07-03 06:43 Versie(s): Vertaling FR Fiche De verzekeraar, die beweert ingevolge artikel 4, § 2, W.A.M.-wet van dekking bevrijd te zijn wegens het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden, moet bewijzen dat het schadegeval gebeurde in de omstandigheden bepaald in dit artikel, en dus dat er geen schriftelijke toestemming was van de overheid of geen bijzondere verzekering gesloten was
(1)Zie: M. FONTAINE, "Déchéances, exclusions, définition du risque et charge de la preuve en droit des assurances (noot onder Cass., 18 jan. 2002)", R.C.J.B., 2003, p. 59 en v. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Uitsluitingsgrond - Ritten en wedstrijden voor motorrijtuigen - Toelating van de overheid - Bijzondere verzekering - Bewijslast Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315 Wet - 21-11-1989 - Artt. 4, § 2, en 8 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0399.N DEXIA VERZEKERINGEN BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Livingstonelaan 6, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.L., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 9 maart 2005 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het aangevochten vonnis van 9 maart 2005 verklaart het hoger beroep van de eiseres tegen het tussenvonnis van 14 december 2000 en tegen het eindvonnis van 6 maart 2002 ongegrond en bevestigt aldus de veroordeling van de eiseres om aan de verweerder L.V. een provisionele schadevergoeding te betalen met aanstelling van een geneesheer-gerechtsdeskundige. Tevens veroordeelt het vonnis eiseres tot betaling van alle kosten. Het aangevochten vonnis komt tot deze beslissingen op grond van de overweging (p. 7, al. 4) dat artikel 29bis van de WAM-Wet van toepassing was en de eiseres de lichamelijke schade diende te vergoeden die de verweerder V.S. geleden heeft ingevolge het ongeval van 7 september 1997, alsook op grond van volgende overwegingen: (¿) ¿E.V. (...) en L.V. (...) namen (...) deel aan een GPS - wedstrijd met trialproeven op een ¿off road terrein' rond het circuit van Honville. De wedstrijd bestaat uit een aantal behendigheidsproeven¿. (¿) ¿(De eiseres) is van oordeel dat er uitsluiting van dekking is, omdat het ongeval voorgevallen is tijdens snelheid- en behendigheidswedstrijden (art. 4 en 8 WAM-Wet en artikel 8.4° van het KB van 14 december 1992 inzake de modelovereenkomst). Er kan volgens haar geen toepassing gemaakt worden van artikel 29bis WAM-Wet. (¿) V.St.is van oordeel dat (de eiseres) dient aan te tonen dat de trialwedstrijd uitgesloten kan worden van dekking conform de WAM-wetgeving (...). V.S. betwist dat er uitsluiting van dekking is conform de polis en WAM-wetgeving en betwist ook dat hij het bewijs dient te leveren van het al dan niet bestaan van de overheidstoelating en de bijzondere verzekering, afgesloten door de organisatoren¿. en (¿) ¿Art. 4 van WAM-Wet voorziet dat het toegelaten is om vergoeding uit te sluiten voor ¿schade die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of - wedstrijden, waartoe van overheidswege verlof is verleend overeenkomstig art. 8'. Art. 8 van de WAM-Wet voorziet uitdrukkelijk dat hogervermelde wedstrijden alleen mogen georganiseerd worden voorzover er een toelating is van de bevoegde overheid, waarbij deze overheid controleert of de organisatoren een bijzondere verzekering conform de WAM-Wet hebben afgesloten. Het is wel degelijk DVV, die zich beroept op een exoneratie-clausule in haar polis, conform de WAM-Wet, die dient te bewijzen dat deze clausule kan ingeroepen worden (art. 1315, lid 2, B.W.). DVV bewijst niet dat er een toelating was van de overheid en/of er een bijzondere verzekering door de organisatoren was afgesloten, zoals bepaald in art. 4 en 8 van de WAM-Wet, zodat niet voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van de voornoemde uitsluiting¿. Grieven Schending van artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig de artikelen 1315 - in het bijzonder lid 1 - van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet de verzekerde die jegens zijn verzekeraar het recht op een betaling aanvoert, niet alleen het bewijs leveren van de schade maar ook van de gebeurtenis die tot die schade geleid heeft, en tevens moet hij bewijzen dat het opgetreden risico in het contract was vastgesteld en er niet door uitgesloten was. Overeenkomstig genoemde artikelen geldt dezelfde bewijslast voor de getroffene die op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen vergoeding vordert van een WAM-verzekeraar: deze getroffene moet onder andere bewijzen dat het opgetreden risico in het contract of de wet was vastgesteld en er niet door uitgesloten was. Indien de WAM-polis, gebruik makend van de mogelijkheid voorzien in artikel 4 van de WAM-Wet van 21 november 1989, vergoeding uitsluit voor ¿schade die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of - wedstrijden, waartoe van overheidswege verlof is verleend overeenkomstig art. 8¿ en de WAM-verzekeraar zich op deze exoneratieclausule in zijn polis, conform de WAM-Wet, beroept dan dient de getroffene die op grond van artikel 29bis van de WAM-Wet van deze WAM-verzekeraar vergoeding vordert, derhalve te bewijzen dat er geen toelating was van de overheid en/of dat er geen bijzondere verzekering door de organisatoren was afgesloten, zoals bepaald in de artikelen 4 en 8 van de WAM-Wet. De bewijslast van voormelde toelating en/of bijzondere verzekering rust aldus op de getroffene. Het aangevochten vonnis van 9 maart 2005 beslist evenwel (¿) dat eiseres als WAM-verzekeraar diende te bewijzen dat de exoneratie-clausule kon ingeroepen worden en dat zij niet bewees ¿dat er een toelating was van de overheid en/of er een bijzondere verzekering door de organisatoren was afgesloten, zoals bepaald in art. 4 en 8 van de WAM-Wet¿. Door de bewijslast op dit punt bij de eiseres te leggen, schendt het vonnis de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek en de regels van de bewijslast. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals dat artikel van kracht was na de wijziging ervan door de wet van 13 april 1995 (tot wijziging van artikel 29bis en tot opheffing van artikel 29ter van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen) en voor de wijzing ervan door de wet van 19 januari 2001 (tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen). Aangevochten beslissingen Het aangevochten vonnis van 9 maart 2005 verklaart het hoger beroep van de eiseres tegen het tussenvonnis van 14 december 2000 en tegen het eindvonnis van 6 maart 2002 ongegrond en bevestigt aldus de veroordeling van de eiseres om aan verweerder L.V. een provisionele schadevergoeding te betalen met aanstelling van een geneesheer-gerechtsdeskundige. Tevens veroordeelt het vonnis de eiseres tot betaling van alle kosten. Het aangevochten vonnis komt tot deze beslissingen op grond van de overweging (¿) dat artikel 29bis van de WAM-Wet van toepassing was en de eiseres de lichamelijke schade diende te vergoeden die de verweerder V.S. geleden heeft ingevolge het ongeval van 7 september 1997, alsook op grond van volgende overwegingen: (¿) ¿Met betrekking tot de toepassing van art. 29bis WAM-Wet, dient eerst onderzocht te worden of het ongeval van 7 september 1997 kan beschouwd worden als een verkeersongeval in de zin van art. 29bis WAM-Wet. De wijziging van art. 29bis WAM-Wet bij de wet van 19 januari 2001 (B.S., 22 februari 2001) en waarbij de toepassing van dit artikel werd uitgesloten voor ongevallen op privé-terreinen, is in werking getreden op 2 maart 2001 en bij gebreke aan specifieke regeling, geldt deze wetswijziging alleen voor ongevallen vanaf 2 maart 2001 (toepassing van artikel 2 BW). Het ongeval in casu gebeurde op 7 september 1997 en dient beoordeeld te worden overeenkomstig de bewoordingen van art. 29bis WAM-Wet, voor de wijziging van de wet van 19 januari
- In de toenmalige wettekst van art. 29bis WAM-Wet werd gesproken over verkeersongevallen in het algemeen. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen ongevallen op de openbare weg of privé-terreinen. Ongevallen op privé-terreinen werden ook niet uitdrukkelijk uitgesloten door het toen geldende art. 29bis WAM-Wet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de eerste rechter, terecht het toenmalige artikel 29bis WAM-wet van toepassing verklaarde op ongeval in casu¿. Het vonnis was aldus van oordeel dat het litigieuze ongeval van 7 september 1997 (waarvan niet betwist was dat het op privé-terrein plaats vond), onder de toepassing viel van het toenmalige artikel 29bis WAM-Wet, omdat dit ook op privé-terreinen van toepassing was. Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. De vraag of ongevallen of privé-terreinen uitgesloten waren uit de vergoedingsregeling van artikel 29bis WAM-Wet, vóór de wijziging van dat artikel bij wet van 19 januari 2001, beantwoordt het aangevochten vonnis enkel aan de hand van de toenmalige wettekst van dat artikel. Het vonnis gaat daarbij niet na of de vergoedingsregeling in het toenmalige artikel 29bis ook diende beoordeeld te worden in het licht van de artikelen 2, §1, en 3, §1, van de WAM-Wet, volgens dewelke de WAM-Wet niet op privé-terreinen van toepassing was, doch enkel ¿op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen¿. Het aangevochten vonnis antwoordt aldus niet op de ¿Beroepsconclusie¿ van de eiseres waarin zij op pagina 2 laten gelden had: ¿M.b.t. het begrip ¿verkeersongeval' in de zin van artikel 29bis WAM-Wet: Dat de verweerder V.S. ten onrechte stelt dat het arrest van het Arbitragehof dd. 06.11.02 (stuk 10 (de eiseres) niet nuttig zou zijn in het kader van huidige betwisting, Dat het Arbitragehof inderdaad in dit arrest rekening diende te houden met de verwijzingsbeslissing, waarin het oude artikel 29bis WAM-Wet (voor wijziging bij wet van 19.01.01) reeds geïnterpreteerd was in de zin dat de slachtoffers van ongevallen die zich op privé-terreinen voordoen van het voordeel van artikel 29bis WAM-Wet zijn uitgesloten, Dat het Arbitragehof aangezocht was om te oordelen of dit geen schending van het gelijkheidsbeginsel zou uitmaken, Dat het arrest wel een concreet belang vertoonde bij de beoordeling van huidige betwisting, vermits door het Arbitragehof voorafgaandelijk aan zijn beslissing de bedoeling van de wetgever en de precieze toepassing van artikel 29bis WAM-Wet (ook voor de wetswijziging van 2001) werd onderzocht, Dat het Arbitragehof onder B.4 (p. 10, stuk 10 (eiseres) enerzijds opmerkt dat artikel 29bis WAM-Wet steeds is opgenomen in hoofdstuk V bis van de WAM-Wet onder het opschrift ¿vergoeding van bepaalde slachtoffers van verkeersongevallen', en anderzijds dat de WAM-Wet in artikel 2, §1, het verkeer op privé-terreinen uit de toepassing van de wet sluit, Dat zo aangetoond werd dat ook voor de wetswijziging van 2001 de regeling van artikel 29bis W.A.M.-wet niet van toepassing kan zijn op ongevallen op privé-terrein, Dat inmiddels ook het Hof van Cassatie bij arrest van 5 december 2003 oordeelde dat het begrip ¿verkeersongeval' in de zin van artikel 29bis WAM-Wet dient beoordeeld te worden in het licht van de artikelen 2, §1, en 3, §1, van dezelfde wet, (Cassatie, 5 december 2003, Verkeer, Aansprakelijkheid, Verzekering, 2004/3, 273), Dat derhalve, ook indien de uitsluiting niet expliciet voorzien was in de tekst van artikel 29bis WAM-Wet voor de wijziging van 2001, dient besloten te worden dat ongevallen op privé-terrein door de wetgever steeds uitgesloten zijn geweest¿. Het vonnis laat na te ontkennen of te bevestigen dat om het toepassingsgebied van het toenmalige artikel 29bis (vóór de wijziging ervan bij wet van 19 januari 2001) te bepalen, dit artikel diende samengelezen te worden met artikel 2, §1, van de WAM-Wet volgens hetwelk verkeer op privé-terreinen uit de toepassing van de wet gesloten was, en het aldus irrelevant was dat het toenmalige artikel 29bis voormelde uitsluiting niet expliciet voorzag. Het vonnis is bijgevolg wegens gebrek aan antwoord op hoger geciteerd middel uit de appelconclusie van de eiseres niet regelmatig gemotiveerd en schendt derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Tweede onderdeel Schending van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals dat artikel van kracht was na de wijziging ervan door de wet van 13 april 1995 (tot wijziging van artikel 29bis en tot opheffing van artikel 29ter van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen) en voor de wijzing ervan door de wet van 19 januari 2001 (tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen). Artikel 29bis, §1, alinea 1, van de WAM-Wet van 21 november 1989, zoals dat op de datum van het litigieuze ongeval (7 september 1997) van toepassing was, dus na de wijziging ervan door voormelde wet van 13 april 1995 en vóór de wijziging ervan door voormelde wet van 19 januari 2001, bepaalde: ¿Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet¿. Dit artikel 29bis werd ingelast onder ¿Hoofdstuk Vbis Vergoeding van bepaalde slachtoffers van verkeersongevallen¿ van de WAM-Wet van 21 november 1989 die een verplichte verzekering oplegde voor motorrijtuigen behorend ¿tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen¿, zoals blijkt uit artikel 2 van die wet. Overeenkomstig hoger geciteerd artikel 29bis, §1, alinea 1, zoals van toepassing voor de wijziging ervan door de wet van 19 januari 2001, was de vergoedingsregeling voorzien in het toenmalige artikel 29bis aldus enkel van toepassing op verkeersongevallen op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, en bijgevolg niet op verkeersongevallen op privé-terreinen. Het aangevochten vonnis van 9 maart 2005 volgens hetwelk het litigieuze verkeersongeval van 7 september 1997 op een privé-terrein plaats vond, kon bijgevolg niet wettig beslissen dat de eiseres overeenkomstig het toenmalige artikel 29bis van de WAM-Wet, dus vóór de wijziging van dat artikel door de wet van 19 januari 2001, tot vergoeding gehouden was. Het vonnis is bijgevolg niet wettelijk verantwoord en schendt artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals dat artikel van kracht was na de wijziging ervan door de wet van 13 april 1995 (tot wijziging van artikel 29bis en tot opheffing van artikel 29ter van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen) en voor de wijzing ervan door de wet van 19 januari 2001 (tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 29bis, §2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de wet van 19 januari 2001 tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen. Aangevochten beslissingen Het aangevochten vonnis van 9 maart 2005 verklaart het hoger beroep van de eiseres tegen het tussenvonnis van 14 december 2000 en tegen het eindvonnis van 6 maart 2002 ongegrond en bevestigt aldus de veroordeling van de eiseres om aan de verweerder L.V. een provisionele schadevergoeding te betalen met aanstelling van een geneesheer-gerechtsdeskundige. Tevens veroordeelt het vonnis de eiseres tot betaling van alle kosten. Het vonnis komt tot deze beslissingen op grond van de overwegingen dat artikel 29bis van de WAM-Wet van toepassing is, dat eiseres de lichamelijke schade dient te vergoeden die verweerder V.S. geleden heeft ingevolge het ongeval van 7 september 1997 (¿), dat E.V. ¿eigenaar/bestuurder¿ en de verweerder L.V. ¿co-piloot/navigator¿ was van het voertuig Suzuki 4 x 4 dat aan de wedstrijd deelnam (¿), dat de wedstrijd bestond uit een aantal behendigheidsproeven één proef bestond uit het nemen van een lange schuine bocht, dat daarbij het voertuig begon te schuiven en dreigde te kantelen en de verweerder V.S. met zijn volledig bovenlichaam uit het raam ging hangen, bij wijze van contragewicht, doch het voertuig uiteindelijk kantelde (¿), en op grond van de overweging (¿): ¿V.S. kan evenmin beschouwd worden als ¿bestuurder' overeenkomstig art. 29 WAM-Wet. Het begrip ¿bestuurder' die uitgesloten is van de toepassing van art. 29bis WAM-Wet, dient, zoals de eerste rechter terecht (heeft) geoordeeld, eng te worden geïnterpreteerd¿. Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Het aangevochten vonnis dat de verweerder L.V. niet aanziet als ¿bestuurder¿, antwoordt niet op het verzoekschrift tot hoger beroep waarin de eiseres - tot staving van haar stelling dat zij niet tot vergoeding gehouden was omdat de verweerder V.S. als bestuurder diende aanzien te worden en artikel 29bis, §2, de bestuurder uitdrukkelijk uitsloot uit de categorie van vergoedingsgerechtigden - laten gelden had (¿): ¿Dat het begrip bestuurder weliswaar restrictief dient geïnterpreteerd te worden, doch de criteria die men hanteert om uit te maken of iemand al dan niet de hoedanigheid van bestuurder heeft, variëren naargelang de concrete omstandigheden van het ongeval. Dat in casu het ongeval plaatsvond in het kader van een trialproef op een ogenblik dat de voertuigen een lange bocht op een helling moesten nemen. Dat in het magazine Captain - Jaargang 13 nummer 97-7 het onderdeel van de proef als volgt beschreven werd: ¿Trialproef
- Een lange bocht, dusdanig uitgezet dat de voertuigen deze in min of meerdere mate schuin moeten nemen. De auto van E.V.S. en L.V. is bezig met de proef. L.V. gaat uit het raam hangen als contragewicht. Dan gaat het mis. De auto kantelt en L. springt uit het raam'. Dat in de trialproefdiscipline de deelnemers precies ¿captain' en ¿co-piloot' worden genoemd omdat zij beiden in bepaalde omstandigheden handelingen dienen uit te voeren, teneinde, afhankelijk van het parcours, het meesterschap over het voertuig te kunnen uitoefenen. Dat in casu het voertuig slechts in de bocht de helling kon oprijden en kinetische energie kon blijven ontwikkelen, doordat co-piloot V.S. hiertoe voor het nodige contra-gewicht zorgde. Dat bij gebreke aan dit contra-gewicht de wagen onmiddellijk zou kantelen en geen nuttige kinetische energie kon ontwikkelen teneinde de helling op te rijden. Dat dit meesterschap over het voertuig en in het bijzonder de energie die het voertuig ontwikkelt, bepalend is om V.S. inderdaad als bestuurder van het voertuig te beschouwen. Dat het hanteren van het stuurwiel niet doorslaggevend is om als bestuurder beschouwd te worden. Dat de wetgever immers als vergoedingsgerechtigde heeft willen uitsluiten diegenen die het risico creëren door de kinetische kracht van het voertuig dat zij in het verkeer brengen (Memorie van Toelichting, Gedr. St., Senaat 1993-94, nr. 980/1, p. 33 en 34). Dat in casu captain en co-piloot samen het verkeersrisico creëren. Dat naar analogie in de rechtspraak als bestuurders beschouwd werden: - een kind van 5 jaar dat toevallig de handrem van een voertuig had losgekoppeld (Rb. Verviers, 1 oktober 1986, R.G.A.R., 1986, nr. 11419); - de bromfietser die pedaleert om de motor te doen starten (Cass. Fr., 28 april 1986, aangehaald door Lambert-Faivre Y., Le droit du dommage corporel: systèmes d'indemnisation, Paris, Dalloz, 1993, p. 440). Dat (de verweerder V.S.) inderdaad op het ogenblik dat het voertuig kantelde net uit dit voertuig gesprongen was. Dat echter vaststaat dat hij op het ogenblik van het ongeval nog steeds de invloed ondervond van de kinetische energie van de wagen en hij dus nog niet de hoedanigheid van bestuurder verloren had, (vgl. met Cass. Fr., 11 januari 1995, J.C.P., IV, nr. 623: Een bromfietser was zijn evenwicht verloren en over het vochtige wegdek aangegleden tegen een rijdend voertuig. Het Franse Hof van Cassatie oordeelde dat hij bestuurder was gebleven aangezien hij al glijdend tegen het voertuig terecht gekomen was en dus op het ogenblik van het ongeval nog de invloed ondervond van de kinetische energie van zijn bromfiets.). Dat derhalve vaststaat dat V.S. geen vergoedingsgerechtigde is in de zin van artikel 29bis WAM-Wet¿. Het aangevochten vonnis laat na te ontkennen of te bevestigen, enerzijds, dat degene die in een trialproef handelingen uitvoerde om het meesterschap over het voertuig te kunnen uitoefenen, en i.h.b. om het voertuig de nodige kinetische energie te laten ontwikkelen diende beschouwd te worden als ¿bestuurder¿, en, anderzijds dat de wagen in kwestie bij gebreke aan het contra-gewicht van de verweerder V.S. die met zijn bovenlichaam uit het raam hing, onmiddellijk zou gekanteld zijn en geen nuttige kinetische energie zou kunnen ontwikkelen hebben. Bij gebrek aan antwoord op hoger geciteerd middel uit het verzoekschrift tot hoger beroep van de eiseres is het vonnis niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Tweede onderdeel Schending van artikel 29bis, §2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals dat artikel van kracht was voor de wijzing ervan door de wet van 19 januari 2001 tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen. Voormeld artikel 29bis, §2, zoals van kracht vóór de wijziging ervan bij voormelde wet van 19 januari 2001, bepaalt dat de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van artikel 29bis van de WAM-Wet. Als ¿bestuurder¿ in de zin van genoemd artikel 29bis, §2 dient beschouwd te worden diegenen die in de concrete feitelijke omstandigheden door bepaalde handelingen uit te voeren meesterschap over het motorrijtuig kan uitoefenen en door wie het motorrijtuig kinetisch energie kan ontwikkelen. Het aangevochten vonnis van 9 maart 2005 kon bijgevolg op grond van de vaststellingen dat de verweerder V.S. als ¿co-piloot¿/navigator met het voertuig Suzuki 4 x 4 deel(nam) aan een GPS-wedstrijd met trialproeven op een ¿off road terrein' rond het circuit van Honville (p. 3, vierde laatste alinea), dat hij met zijn volledig bovenlichaam uit het raam ging hangen ¿bij wijze van contra-gewicht¿ (¿) en dat ¿hij hoopte een situatie, die volledig uit de hand dreigde te lopen, recht te zetten¿ (¿), niet wettig beslissen (¿) dat verweerder V.S. niet kon beschouwd worden als ¿bestuurder¿ in de zin van artikel 29bis, zonder dat het vonnis tevens vaststelde dat de verweerder in de trialproef geen meesterschap uitoefende over het voertuig en dat het niet door het toedoen van verweerder was dat het voertuig kinetische energie kon ontwikkelen. Het vonnis is derhalve niet wettelijk verantwoord en schendt artikel 29bis, §2 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals dat artikel van kracht was voor de wijzing ervan door de wet van 19 januari 2001 tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, in zijn eerste lid, dat degene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen, en in zijn tweede lid, dat degene die beweert bevrijd te zijn het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek concretiseert die regel voor het geding.
- Ingevolge artikel 4, §2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna WAM-Wet) is het de WAM-verzekeraar toegelaten om vergoeding uit te sluiten voor schade die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden, waartoe van overheidswege verlof is verleend overeenkomstig artikel 8 van de WAM-Wet Krachtens deze laatste bepaling mogen deze ritten of wedstrijden voor motorrijtuigen slechts worden georganiseerd met schriftelijke toestemming van de bevoegde overheid, die moet vaststellen dat er een bijzondere verzekering conform de WAM werd afgesloten. De verzekeraar, die beweert ingevolge voornoemd artikel 4, §2, van dekking bevrijd te zijn, moet ingevolge artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, bewijzen dat het schadegeval gebeurde in de omstandigheden bepaald in dit artikel 4, §2, en dus dat er geen schriftelijke toestemming was van de overheid of geen bijzondere verzekering gesloten was.
- De appelrechters konden derhalve zonder schending van de aangevoerde wetsbepalingen beslissen dat ¿niet voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van de voornoemde uitsluiting¿ na te hebben geoordeeld dat ¿(de eiseres) (niet) bewijst dat er een toelating was van de overheid en/of er een bijzondere verzekering door de organisatoren was afgesloten, zoals bepaald in art. 4 en 8 van de WAM-Wet¿. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Door te overwegen dat ¿in de toenmalige wettekst van art. 29bis WAM-Wet werd gesproken over verkeersongevallen in het algemeen. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen ongevallen op de openbare weg of privé-terreinen. Ongevallen op privé-terreinen werden ook niet uitdrukkelijk uitgesloten door het toen geldend art. 29bis WAM-Wet¿, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis WAM-Wet zoals zij van toepassing was na de wijziging bij wet van 13 april 1995 en voor de wijziging bij wet van 19 juni 2001, is het ongeval dat zich voordoet op de openbare weg en op de terreinen, zij het privé, die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen. Krachtens die bepaling kan de wet ook toepasselijk zijn op ongevallen die zich voordoen op privé-terreinen mits zij toegankelijk zijn voor een aantal personen die het recht hebben erop te komen. Het onderdeel dat er algemeen van uitgaat dat de vergoedingsregeling voorzien in artikel 29bis niet van toepassing is op verkeersongevallen op privé-terreinen, faalt derhalve naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
- De appelrechters overwegen dat ¿(de verweerder) evenmin (kan) beschouwd worden als ¿bestuurder' overeenkomstig art. 29bis WAM-Wet. Het begrip ¿bestuurder', die uitgesloten is van de toepassing van art. 29bis WAM-Wet, dient, zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld, eng te worden geïnterpreteerd¿ en voorts met overname van de redenen van het beroepen vonnis dat ¿(h)et feit dat (de verweerder) als passagier uit het raampje hing (¿) niet (maakte) dat hij op enigerlei wijze een invloed kon uitoefenen op het ¿besturen' van het voertuig¿.
- Zij geven aldus de feitelijke gegevens aan waarop zij hun beslissing laten steunen, verwerpen zodoende de door de eiseres bij conclusie aangevoerde daarmee strijdige en andere feitelijke gegevens en beantwoorden mitsdien haar conclusie. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Artikel 29bis WAM-Wet regelt in het algemeen belang en onder de daarin bepaalde voorwaarden, de vergoeding van de schade, voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden veroorzaakt aan bepaalde slachtoffers van wegverkeersongevallen waarin een motorrijtuig is betrokken, of aan de rechthebbenden van dergelijke slachtoffers, met uitzondering van de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen. Onder het begrip bestuurder moet verstaan worden, zoals beslist door het Benelux-Gerechtshof in het arrest A/93/5 van 8 december 1994, r.o. 17, hij die het voertuig werkelijk en zelfstandig bestuurt en aldus in feite verantwoordelijk is voor het sturen.
- De appelrechters die in feite vaststellen dat de verweerder op geen enkele wijze een invloed kon uitoefenen op het besturen van het voertuig, konden derhalve zonder schending van de aangevoerde wetsbepaling beslissen dat de verweerder geen bestuurder was in de zin van artikel 29bis WAM-Wet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 595,69 euro jegens de eisende partij en op de som van 109,67 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Eric Stassijns en in openbare terechtzitting van 13 april 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070413.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100913.4 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120518.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div