← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070413.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070413.3 Rolnummer: C.06.0455.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Familierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 297 - laatst gezien 2026-07-03 06:43 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien een definitief geworden echtscheidingsvonnis bestaat op grond van een fout, zoals het overspel, van de echtgenoot die in het raam van de procedure bedoeld in artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek een onderhoudsbijdrage vordert, mag de voorzitter van de rechtbank bij het beoordelen van de onderhoudsbijdrage, rekening houden met deze fout die reeds vaststaat, en meteen ook het einde van de hulp- en bijstandsverplichting tot gevolg heeft; daarbij doet hij niet aan schuldcompensatie

(1).
(1)Zie Cass., 22 dec. 2006, AR C.06.0098.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.1, nr ... Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Voorlopige maatregelen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Personen Vrije woorden: Beoordeling van de onderhoudsbijdrage - Definitief geworden echtscheidingsvonnis - Fout van de echtgenoot Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1280 Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Personen Vrije woorden: Echtscheidingsprocedure - Voorlopige maatregelen - Uitkering tot levensonderhoud - Definitief geworden echtscheidingsvonnis - Fout van de echtgenoot - Overspel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1280 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0455.N M.A., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.V., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 213, 221, 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 9, 569, 1°, 602, eerste lid, 2°, 1278, eerste lid, en 1280, eerste en zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest doet, na eiseres' hoger beroep en het incidenteel beroep van de verweerders toelaatbaar te hebben verklaard, de bestreden beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 6 november 2003 teniet in zoverre de eerste rechter heeft beslist over de door de eiseres gevorderde persoonlijke onderhoudsuitkering vanaf 8 juli 2003, en opnieuw beslissend, zegt dat de eiseres vanaf 8 juli 2003 geen aanspraak kan maken op welkdanige persoonlijke onderhoudsuitkering, en verstaat dat de eiseres vanaf deze datum, evenmin als een onderhoudsbijdrage in natura, nog gerechtigd is om gratis te verblijven in de gezinswoning, en verwerpt aldus ook impliciet, doch zeker, het hoger beroep van de eiseres in zoverre dit ertoe strekte een hoger persoonlijk onderhoudsgeld te bekomen voor wat betreft de periode vanaf 8 juli 2003, en dit op volgende gronden: ¿Bij de bestreden beschikking werden de hoofd- en tegenvordering ontvankelijk en onder meer als volgt gegrond verklaart¿. 1. De plicht tot samenwonen werd geschorst. (¿) 3. (De verweerder) werd veroordeeld tot betaling aan (de eiseres) van een geïndexeerde maandelijkse onderhoudsbijdrage van 275 euro per kind en van een geïndexeerde maandelijkse onderhoudsuitkering van 400 euro voor haarzelf, vooruit en ten huize van (de eiseres) te voldoen vanaf 1 juni 2003. Aan (de eiseres) werd een ontvangstmachtiging toegekend. Bepaald werd dat (de eiseres), naast het hiervoor bepaalde onderhoudsgeld van 400 euro voor haarzelf, tevens gerechtigd is op de gratis bewoning van de gezinswoonst, hetgeen als een onderhoudsbijdrage in natura dient te worden beschouwd. 4. (¿) (De eiseres) kan zich niet verzoenen met de bestreden beschikking voor zover de eerste rechter heeft beslist over de haar toegekende persoonlijke onderhoudsuitkering en over de kosten. In haar op 1 december 2005 ter griffie neergelegde syntheseconclusies vordert (de eiseres) (¿) de hierna vermelde hervorming van de bestreden beschikking als volgt: (¿) c. de veroordeling van (de verweerder) tot het betalen van een bijdrage in de lasten van het huwelijk ten bedrage van 5.000 euro per maand, wat in het bijzonder een maandelijkse onderhoudsbijdrage inhoudt voor elk van de drie kinderen van 1.250 euro en een persoonlijke onderhoudsbijdrage voor (de eiseres) van 1.250 euro; (¿) Bij zijn op 5 januari 2006 ter griffie neergelegde syntheseconclusies besluit (de verweerder) uiteindelijk als volgt: - op het principaal hoger beroep van (de eiseres): tot de afwijzing ervan als ongegrond; - op zijn als volgt beperkt incidenteel beroep: (¿) d. nopens de persoonlijke onderhoudsbijdrage voor (de eiseres). (De verweerder) vordert de afschaffing van de persoonlijke onderhoudsuitkering voor (de eiseres) met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2003, minstens met ingang van 1 maart 2004, en haar veroordeling om de onterecht ontvangen onderhoudsuitkeringen terug te betalen. Tevens vordert (de verweerder) de afschaffing van het voordeel van (de eiseres) om gratis te mogen verblijven in de gezinswoning sinds de dagvaarding tot echtscheiding. (¿) Op de openbare terechtzitting van 9 februari 2006 verklaarden de raadslieden van de partijen het erover eens te zijn dat de echtscheiding tussen hun cliënten (bij vonnis van 19 februari 2004 bevestigd bij arrest van 30 juni 2005 van dit hof en kamer) inmiddels definitief is geworden en op 6 december 2005 werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Gent. Dienaangaande worden er stavingstukken in het dossier van (de verweerder) overgelegd. (¿) Bespreking (¿) 2. Bij definitief geworden arrest van dit hof en deze kamer van 30 juni 2005 werd het bestreden vonnis van de vijfde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent bevestigd, waarbij onder meer op hoofdvordering tot echtscheiding van (de verweerder), de echtscheiding werd uitgesproken lastens (de eiseres) op grond van overspel met een zekere A.G., vastgesteld op 8 juli 2003 bij proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder G.D. uit Gent. Principieel komt het de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding overeenkomstig art. 1280 Ger. W., en in hoger beroep, het hof van beroep, niet toe om zich rechtstreeks of onrechtstreeks uit te spreken over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de echtscheidingsvordering(
  1. en)gesteld door de partijen. Deze traditionele verbodsregel is vooral gesteund op de overweging dat het uitsluitend aan de echtscheidingsrechter toekomt om de grond van het geschil tussen de echtgenoten te beoordelen. De kortgedingrechter wordt aldus eenvoudig verboden te prejugeren. Nochtans bestaat dit gevaar van prejugeren niet wanneer de kortgedingrechter, en in hoger beroep het hof van beroep, over de vordering tot het bekomen, het afschaffen of het wijzigen van een persoonlijke onderhoudsuitkering voor één der echtgenoten slechts uitspraak moet doen nadat de echtscheiding reeds bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest is uitgesproken ten nadele van degene die onderhoudsgeld vordert. In dat geval is het aan de kortgedingrechter, en in hoger beroep het hof van beroep, wel degelijk toegelaten bij zijn beslissing met betrekking tot de persoonlijke onderhoudsuitkering rekening te houden met de eventuele fout in hoofde van de onderhoudsgerechtigde. De onderhoudgerechtigde zal derhalve geen aanspraak meer kunnen maken op een persoonlijke onderhoudsuitkering vanaf de datum van vaststelling van de fout, eens die fout is vastgelegd bij een in kracht van gewijsde getreden echtscheidingsuitspraak. Te dezen werd het overspel van (de eiseres) op 8 juli 2003 vastgesteld door een gerechtsdeurwaarder daartoe gemachtigd. De door de bestreden beschikking aan (de eiseres) toegekende persoonlijke onderhoudsuitkering dient dan ook retroactief te worden afgeschaft tot die datum. Vanaf 8 juli 2003 kan (de eiseres) aldus geen aanspraak meer maken op een persoonlijke onderhoudsuitkering lastens (de verweerder). Daarenboven is (de eiseres) vanaf diezelfde datum evenmin gerechtigd om, desgevallend als een onderhoudsbijdrage in natura, gratis te verblijven in de gezinswoning. Het huidig arrest vormt van rechtswege de titel op grond waarvan (de verweerder) de sinds 8 juli 2003 onverschuldigd betaald persoonlijke onderhoudsuitkeringen voor (de eiseres) kan terugvorderen. Zijn vraag tot veroordeling van (de eiseres) tot terugbetaling heeft dan ook geen voorwerp. Met betrekking tot de gevorderde persoonlijke onderhoudsuitkering en het gratis woonstvoordeel voor (de eiseres) dient thans nog alleen te worden beslist over de onderhoudsuitkering en het woonstvoordeel waarop zij eventueel vóór 8 juli 2003 aanspraak kan maken. Mede om reden van proceseconomie komt het echter wenselijk voor om één én ander te behandelen samen met de beslissing over de door (de verweerder) te betalen onderhoudsbijdragen voor de kinderen, dit na de uitvoering van het maatschappelijk onderzoek waartoe het openbaar ministerie wordt uitgenodigd¿ (arrest pp. 2-7). Grieven 1. Naar luid van artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek zijn de echtgenoten jegens elkaar tot samenwoning verplicht en zijn zij elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Artikel 221, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere echtgenoot bijdraagt in de lasten van het huwelijk naar zijn vermogen. Komt een der echtgenoten deze verplichting niet na, dan kan de andere, naar luid van artikel 221, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, onverminderd de rechten van derden, zich door de vrederechter laten machtigen om, met uitsluiting van zijn echtgenoot, diens inkomsten of de inkomsten uit de goederen die hij krachtens hun huwelijksvermogensstelsel beheert, alsook alle andere hem door derden verschuldigde geldsommen te ontvangen onder de voorwaarden en binnen de perken die het vonnis bepaalt. Krachtens artikel 1280, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de voorzitter van de rechtbank, uitspraak doende in kort geding over de voorlopige maatregelen lopende het echtscheidingsgeding, op grond van het eerste lid van dezelfde wetsbepaling, gebruik maken van dezelfde bevoegdheden als bij artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek aan de vrederechter toegekend. Deze wettelijke verplichtingen van hulp en bijstand tussen echtgenoten zijn, zoals alle huwelijksverplichtingen, wederkerig, zodat elk der echtelieden ze moet vervullen, ook al doet de andere het niet of slechts gedeeltelijk. Tussen echtgenoten bestaat geen schuldcompensatie, in die zin dat de niet-naleving door een der echtgenoten de opheffing met zich zou meebrengen van de huwelijksverplichtingen van de andere echtgenoot. Naar luid van artikel 1278, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek heeft het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de persoon van de echtgenoten gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is getreden. De huwelijksverplichtingen nemen dan ook slechts een einde op die datum. 2. Overeenkomstig artikel 9 van het Gerechtelijk Wetboek is de volstrekte bevoegdheid de rechtsmacht bepaald naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisend karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen. Krachtens artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt, rechtsprekend in kort geding, in iedere stand van het geding, tot de ontbinding van het huwelijk op verzoek van de partijen of van een van de partijen of van de procureur des Konings, kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon, op het levensonderhoud en op de goederen, zowel van de partijen als van de kinderen. De bevoegdheid van de voorzitter vindt haar grondslag in het bestaan van een echtscheidingsprocedure. In toepassing van artikel 569, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan de vorderingen betreffende de staat van de personen alsmede van alle geschillen tussen echtgenoten betreffende de uitoefening van hun rechten betreffende hun goederen, met uitzondering van de aangelegenheden waarvoor de vrederechter bijzonder bevoegd is, is het de rechtbank van eerste aanleg die kennis neemt van de vorderingen in echtscheiding. De verdeling van de bevoegdheid tussen de voorzitter, voor het nemen van de voorlopige maatregelen lopende het echtscheidingsgeding, en de rechtbank, voor het beoordelen van de echtscheidingsvorderingen, brengt met zich dat de voorzitter niet bevoegd is om de ontvankelijkheid of gegrondheid van de echtscheidingsvordering te beoordelen. 3. De onderhoudsbijdrage die tijdens een geding tot echtscheiding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op grond van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek aan een echtgenoot persoonlijk wordt toegekend, is een uitvoeringswijze van de hulpverplichting van artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek, en vormt één van de lasten van het huwelijk waartoe iedere echtgenoot overeenkomstig artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek dient bij te dragen. Deze hulp- en bijstandsverplichting dient in beginsel in natura in de echtelijke verblijfplaats te worden uitgevoerd. Wanneer echter, ingevolge het inleiden van de echtscheidingsprocedure, de samenwoningsverplichting door de voorzitter van de rechtbank zetelend in kort geding in toepassing van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek wordt geschorst, kan de hulpverplichting onmogelijk nog in natura worden uitgevoerd in de echtelijke woonst, zodat een uitvoering bij equivalent, door de toekenning van een onderhoudsbijdrage aan de behoeftige echtgenoot, gerechtvaardigd is. 4. Voor het beoordelen van de op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek te nemen maatregelen nopens het levensonderhoud van partijen, moet de voorzitter rekening houden met de behoeften en de inkomsten van elk der echtgenoten en moet het bedrag van de onderhoudsuitkering zodanig worden geraamd dat de uitkeringsgerechtigde echtgenoot in staat is de levensstandaard aan te houden die hij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest. De behoeftige echtgenoot die aanspraak maakt op de uitvoering van de hulp- en bijstandsverplichting moet niet het bewijs leveren de eigen huwelijksplichten te hebben nageleefd. Omgekeerd is de echtgenoot-onderhoudsschuldenaar geenszins bevrijd van de uitvoering van zijn hulp- en bijstandsverplichting door het bewijs dat de onderhoudsgerechtigde zijn huwelijksplichten niet nakomt. De opschorting van de samenwoningsplicht lopende het echtscheidingsgeding, de wederkerigheid van de huwelijksverplichtingen, het voortbestaan van het huwelijk in de persoonlijke verhoudingen tussen echtgenoten tot het in kracht van gewijsde gaan van het echtscheidingsvonnis, en de beperkte bevoegdheid van de voorzitter tot het bevelen van voorlopige maatregelen lopende het echtscheidingsgeding, betreffende de persoon, het le¬vensonderhoud en de goederen van partijen en hun kinderen, brengen met zich dat de voorzitter geen rekening dient te houden met de eventuele tekortkomingen van de hulpbehoevende echtgenoot aan zijn huwelijksverplichtingen, en voor de beoordeling van een persoonlijke onderhoudsbijdrage enkel dient na te gaan of de echtgenoot die aanspraak maakt op een onderhoudsuitkering, in staat is de levensstandaard aan te houden die hij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest, rekening houdende met de behoeften en de inkomsten van elk der echtgenoten. De verplichting tot bijstand en hulp en derhalve de verplichting tot betaling van een voorlopige uitkering aan de feitelijk gescheiden echtgenoot blijven derhalve bestaan tijdens het geding tot echtscheiding, ongeacht de fouten van deze echtgenoot. 5. De omstandigheid dat op het ogenblik dat de voorzitter, of het hof van beroep als beroepsrechter van de voorzitter (artikel 602, eerste lid, 2°, Gerechtelijk Wetboek), uitspraak dient te doen over de gevorderde voorlopige maatregelen, reeds een in kracht van gewijsde gegaan echtscheidingsvonnis of -arrest is tussengekomen waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken lastens de hulpbehoevende echtgenoot op grond van overspel (artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek) of andere grove beledigingen (artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek), doet geen afbreuk aan voornoemde principes, en brengt derhalve niet met zich dat de voorzitter of het hof van beroep als beroepsrechter van de voorzitter, zonder meer vanaf het tijdstip van de in de echtscheidingsbeslissing weerhouden fout (in de zin van artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek of 231 van hetzelfde wetboek), de persoonlijke onderhoudsbijdrage ten behoeve van de echtgenoot-onderhoudsschuldeiser kan verwerpen, en aldus de facto tot schuldcompensatie mag overgaan en de hulpbehoevende de aanspraak op de naleving van de hulpverplichting mag ontzeggen. 6. Het bestreden arrest oordeelt terecht dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, en in hoger beroep het hof van beroep, zich niet mogen uitspreken over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de echtscheidingsvordering, nu deze enkel ter beoordeling staan van de echtscheidingsrechter. Anders dan door het bestreden arrest weerhouden, vindt het verbod voor de voorzitter om rekening te houden met de eventuele fout van de onderhoudsgerechtigde, in de zin van artikel 229 of 231 van het Burgerlijk Wetboek, evenwel niet alleen steun in de bevoegdheidsverdeling tussen de voorzitter en de echtscheidingsrechter, maar ook in de opschorting van de samenwoningsplicht lopende het echtscheidingsgeding, de wederkerigheid van de huwelijksverplichtingen, het voortbestaan van het huwelijk in de persoonlijke verhoudingen tussen echtgenoten tot het in kracht van gewijsde gaan van het echtscheidingsvonnis, en de beperkte bevoegdheid van de voorzitter tot het bevelen van voorlopige maatregelen lopende het echtscheidingsgeding. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de samenwoningsplicht tussen partijen te dezen werd geschorst door de beschikking a quo van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd. 6 november 2003, en dat hiertegen geen hoger beroep noch incidenteel hoger beroep werd ingesteld. De enkele omstandigheid dat een echtscheidingsvonnis definitief de fout, in de zin van artikel 229 of 231 van het Burgerlijk Wetboek, van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot vaststelt, betekent dan ook niet dat de fout alsdan wel door de voorzitter, in het kader van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, of door het hof van beroep als beroepsrechter van de voorzitter, in aanmerking mag genomen worden, en dat de onderhoudsgerechtigde geen aanspraak meer kan maken op een persoonlijke onderhoudsuitkering vanaf de datum van het door de echtscheidingsrechter als fout weerhouden feit. De enkele omstandigheid dat te dezen uit het in kracht van gewijsde gegane echtscheidingsarrest van 30 juni 2005 van het Hof van Beroep te Gent blijkt dat de echtscheiding lastens de eiseres werd uitgesproken op grond van overspel, dat werd vastgesteld bij proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder dd. 8 juli 2003, liet het bestreden arrest dan ook niet toe de door de bestreden beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd. 6 november 2003 aan eiseres met ingang van 1 juni 2003 toegekende maandelijkse onderhouduitkering voor haarzelf, en aan de eiseres toegekende gratis woonstvoordeel als uitvoering van de hulpplicht in natura, retro-actief af te schaffen tot de datum van 8 juli 2003 (schending van de artikelen 213, 221, 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 9, 569, 1°, 602, eerste lid, 2°, 1278, eerste lid, en 1280, eerste en zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. De hulp- en bijstandsverplichting van de echtgenoten in de zin van de artikelen 213 en 221, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek moet in beginsel in natura in de echtelijke woonst worden nagekomen, alwaar de echtgenoten overeenkomstig artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek verplicht samenwonen. 2. In geval de echtgenoten afzonderlijk wonen, moet de echtgenoot die een vordering instelt die strekt tot nakoming door de andere echtgenoot van de hulp- en de bijstandsverplichting en zodoende een onderhoudsbijdrage vordert, bewijzen dat noch het ontstaan noch het voortduren van de scheiding aan hem te wijten is en dat hij derhalve niet zelf verhindert dat de andere echtgenoot de hulp- en bijstandsverplichting in natura in de echtelijke woonst nakomt. 3. In geval de echtgenoten afzonderlijk wonen ingevolge een rechterlijke beslissing dan wel ingevolge een echtscheidingsprocedure die voormelde samenwoningsverplichting automatisch opschort, moet de echtgenoot die een onderhoudsbijdrage vordert, niet bewijzen dat noch het ontstaan noch het voortduren van de scheiding aan hem te wijten is. Evenwel staat het in een dergelijk geval de andere echtgenoot vrij het bewijs te leveren dat het ontstaan dan wel het voortduren van de scheiding, al was het ten dele, te wijten is aan de echtgenoot die een onderhoudsbijdrage vordert. 4. Voor het leveren van dit bewijs mag de voorzitter die met toepassing van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek tijdens een echtscheidingsprocedure oordeelt over een onderhoudsbijdrage, niet in de plaats treden van de echtscheidingsrechter bij de beoordeling van de fouten. Indien er inmiddels echter reeds een definitief geworden echtscheidingsvonnis bestaat op grond van een fout van de echtgenoot die de onderhoudsbijdrage vordert, dan mag de voorzitter bij het beoordelen van de onderhoudsbijdrage, rekening houden met die reeds vaststaande fout die de echtscheiding en meteen ook het einde van de hulp- en bijstandsverplichting tot gevolg heeft. Aldus mag de voorzitter die krachtens artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek oordeelt over een vordering tot het verkrijgen van een onderhoudsbijdrage, rekening houden met de aangevoerde overspelige relatie van de echtgenoot die de onderhoudsbijdrage vordert en die vaststaat ingevolge een inmiddels definitief geworden echtscheidingsvonnis. 5. Daarbij doet de voorzitter niet aan schuldcompensatie. 6. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 767,74 euro jegens de eisende partij en op de som van 302,75 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitter Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Eric Stassijns, en op de openbare terechtzitting van 13 april 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070413.3 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.