← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070417.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070417.4 Rolnummer: P.07.0013.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-07-03 21:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Voorbarig en derhalve niet ontvankelijk is het cassatieberoep dat door de beklaagde wordt ingesteld, wanneer niet blijkt dat de bestreden beslissing, die ten aanzien van de burgerlijke partij bij verstek werd gewezen en voor verzet vatbaar is, aan deze burgerlijke partij werd betekend en dientengevolge evenmin dat voor haar de gewone termijn van verzet tegen deze beslissing verstreken is

(1).
(1)Zie Cass., 16 mei 2001, AR P.01.0305.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.11, nr 288. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Burgerlijke rechtsvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen Vrije woorden: Beslissing bij verstek t.a.v. burgerlijke partij - Geen betekening - Cassatieberoep voor het verstrijken van de verzettermijn - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 413 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 De formule van artikel 348, derde lid, Wetboek van Strafvordering is net zoals de houding van de hoofdman van de jury niet op straffe van nietigheid voorgeschreven; de hoofdman moet enkel op ondubbelzinnige wijze de verklaring van de jury weergeven
(1).
(1)Cass., 22 jan. 1906, Pas., 1906, I, 93. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen Vrije woorden: Verklaring van de jury - Voorlezing van de uitslag van de beraadslaging door de hoofdman van de jury - Gebruikte formule - Artikel 348 Sv. Verklaring van de jury - Voorlezing van de uitslag van de beraadslaging door de hoofdman van de jury - Houding - Artikel 348 Sv. Fiche 4 Noch artikel 348 en 349, noch artikel 372 Wetboek van Strafvordering bepalen welke vermeldingen betreffende de verklaring van de jury in het proces-verbaal van de terechtzitting moeten worden opgenomen. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen Vrije woorden: Behandeling ter zitting en tussenarresten - Vermeldingen in het proces-verbaal van de terechtzitting Fiche 5 Noch het mondelinge karakter van de rechtspleging voor het hof van assisen, noch de artikelen 318 en 372 Wetboek van Strafvordering staan eraan in de weg dat aantekening wordt gehouden van een verklaring van een getuige; zelfs buiten de hypothese van artikel 318 Wetboek van Strafvordering heeft de aantekening van een verklaring van een getuige in het proces-verbaal van de terechtzitting niet de nietigheid van het proces-verbaal van de terechtzitting tot gevolg
(1).
(1)Zie Cass., 6 jan. 1998, AR P.97.1574.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.6, nr
  1. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen Vrije woorden: Behandeling ter zitting en tussenarresten - Proces-verbaal van de terechtzitting - Aantekening van de verklaring van een getuige - Artikelen 318 en 372 Sv. - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.07.0013.N E. G. J. L., beschuldigde en burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, tegen
  2. J. B., burgerlijke partij,
  3. B. J., en, burgerlijke partij,
  4. J. V. B., burgerlijke partij,
  5. W. D. I., beschuldigde, verweerders. VII E. L., reeds vermeld, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, tegen W. D. I., reeds vermeld, inverdenkinggestelde, verweerder. VIII E. L., reeds vermeld, burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, tegen W. D. I., reeds vermeld, beschuldigde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I (aktenummer 151) is gericht tegen het arrest van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen van 1 december 2006 (arrest nr. 27), dat uitspraak doet over de tegen de eiseres ingestelde strafvordering. Het cassatieberoep II (aktenummer 152) is gericht tegen de beschikking van de voorzitter van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen van 26 november 2006 de gedagvaarde getuige P. V. niet te horen als getuige. Het cassatieberoep III (aktenummer 153) gaat uit van de eiseres in haar hoedanigheid van beschuldigde en is gericht tegen alle beschikkingen van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 februari
  6. Het cassatieberoep IV (aktenummer 154) is gericht tegen ¿de feitelijke beslissing die blijkt uit het zittingsblad (proces-verbaal van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen, dertiende zitting) van 6 november 2006, nl. de feitelijke samenvoeging van de zaak, door oproeping tezelfdertijd van de zaak lastens L. E. en de zaak lastens I. W., vooraleer over de samenvoeging van beide zaken te hebben beslist¿. Het cassatieberoep V (aktenummer 155) is gericht tegen de beschikking van 6 november 2006 tot samenvoeging van beide voormelde zaken. Het cassatieberoep VI (aktenummer 156) is gericht tegen het arrest van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen van 4 december 2006 (arrest nr. 29), dat uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen. Het cassatieberoep VII (aktenummer 157) gaat uit van de eiseres in haar hoedanigheid van vrijwillig tussengekomen partij en is gericht tegen alle beschikkingen van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 februari
  7. Het cassatieberoep VIII (aktenummer 158) is gericht tegen het tussenarrest van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen van 8 november 2006 waarbij beslist wordt ¿zoals genotuleerd op het zittingsblad (proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen, dertiende zitting) dd. 8 november 2006 (pagina 10 en 11 van het proces-verbaal van de terechtzitting)¿. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  8. Het cassatieberoep II (aktenummer 152) is gericht tegen de beschikking van de voorzitter van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen van 26 november 2006 de gedagvaarde getuige P. V. niet te horen als getuige. Bij tussenarrest van 28 november 2006 heeft het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen alsnog beslist P. V. te horen als getuige. Bijgevolg heeft de eiseres geen belang cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 26 november 2006 waarbij in eerste instantie beslist werd deze persoon niet als getuige te horen. Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk.
  9. Het cassatieberoep VI is gericht tegen het arrest van het Hof van Assisen van de Provincie Antwerpen van 4 december 2006 (arrest nr. 29), dat uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het arrest dat ten aanzien van B. J. en J. V. B. bij verstek werd gewezen en voor verzet vatbaar is, aan deze verweerders werd betekend en dientengevolge evenmin dat voor hen de gewone termijn van verzet tegen dit arrest verstreken is. In zoverre is het cassatieberoep VI niet ontvankelijk. Eerste middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 348 en 349 Wetboek van Strafvordering. Aan de jury werden met betrekking tot de eiseres de eerste twee vragen ter beraadslaging voorgelegd. De volgende vragen hadden betrekking op een medebeschuldigde. De eiseres stelt dat uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt dat de antwoorden op deze twee vragen niet werden voorgelezen op de door de wet voorgeschreven wijze. De eiseres stelt dat met betrekking tot de eerste vraag ¿niet wordt aangegeven of het antwoord op deze vraag ja dan wel neen was en of dit werd voorgelezen¿ en dat het antwoord ¿op de tweede vraag door de hoofdman van de jury niet werd voorgelezen¿.
  11. Artikel 348 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de gezworenen na hun beraadslaging en de stemming over de hen voorgelegde vragen hun plaats in de gehoorzaal terug innemen. De voorzitter vraagt hun welke de uitslag is van hun beraadslaging. De hoofdman van de jury staat op en zegt, (in geval de rechtspleging in het Nederlands verloopt,) met de hand op het hart: ¿In eer en geweten, de verklaring van de jury is: Ja, de beschuldigde, enz.; Neen, de beschuldigde, enz.¿. Artikel 349 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verklaring door de hoofdman van de jury wordt ondertekend en door hem aan de voorzitter wordt afgegeven, een en ander in tegenwoordigheid van de gezworenen. De voorzitter ondertekent de verklaring en doet ze ondertekenen door de griffier.
  12. De formule van artikel 348, derde lid, Wetboek van Strafvordering is net zoals de houding van de hoofdman van de jury niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. De hoofdman moet enkel op ondubbelzinnige wijze de uitslag van de beraadslaging van de jury weergeven. Noch de vermelde wetsartikelen, noch artikel 372 Wetboek van Strafvordering bepalen welke vermeldingen hierover in het proces-verbaal van de terechtzitting moeten worden opgenomen. In zoverre het middel aanvoert dat het proces-verbaal van de rechtszitting het antwoord ¿ja¿ of ¿neen¿ op alle gestelde en nog relevante vragen moet bevatten, faalt het naar recht.
  13. Het proces-verbaal van de rechtszitting vermeldt hierover: ¿Na hun beraadslaging komen de gezworenen terug in de gehoorzaal en nemen aldaar hun plaatsen in evenals de drie plaatsvervangende gezworenen. Het Openbaar Ministerie, de verdedigers van de beschuldigden, de raadslieden van de burgerlijke partijen en de Griffier zijn aanwezig. Het Hof komt daarop eveneens terug in de gehoorzaal en nadat de Voorzitter in openbare terechtzitting aan de gezworenen heeft gevraagd welke de uitslag is van hun beraadslaging, is de hoofdman van de rechtsprekende jury rechtgestaan en na, met de hand op het hart te hebben gezegd: ¿In eer en geweten, de verklaring van de jury is' geeft hij voorlezing van de uitslag van de beraadslaging van de rechtsprekende jury. Deze is op de eerste vraag (hoofdfeit) zeven tegen vijf en op de derde vraag (hoofdfeit) neen. De verklaring van de rechtsprekende jury wordt ondertekend door de hoofdman van de jury en wordt door hem aan de Voorzitter afgegeven, één en ander in tegenwoordigheid van de gezworenen, waarna de Voorzitter de verklaring ondertekent en haar doet ondertekenen door de Griffier. Het Hof stelt daarop vast dat uit de uitslag van de beraadslaging van de rechtsprekende jury blijkt dat de beschuldigde L. E. slechts bij eenvoudige meerderheid van zeven stemmen tegen vijf door de jury werd schuldig verklaard aan het hoofdfeit dat het voorwerp uitmaakt van de eerste vraag. Daarop heeft het Hof zich teruggetrokken in raadkamer om te beraadslagen over hetzelfde punt, in uitvoering van artikel 351 van het Wetboek van Strafvordering en komt daarna terug in de gehoorzaal. De Voorzitter geeft dan luidop voorlezing van de uitslag van de beraadslaging over voormeld punt door het Hof dat zich aansluit bij de meerderheid van de rechtsprekende jury in haar beraadslaging over de eerste vraag. De Voorzitter laat vervolgens de beschuldigde L. E. binnenkomen en de Griffier heeft in haar tegenwoordigheid de verklaring van de jury voorgelezen, die nadien bij tegenwoordig proces-verbaal wordt gevoegd¿. Het proces-verbaal van de rechtszitting vermeldt niet dat de eiseres of haar raadsman, de voorzitter of zijn bijzitters, één van de gezworenen of het openbaar ministerie zou hebben opgeworpen dat de hoofdman van de jury niet het antwoord op alle vragen zou hebben voorgelezen. Uit de geschreven verklaring van de jury die aan het proces-verbaal werd gevoegd, blijkt dat de verklaring van de jury op de eerste vraag (hoofdfeit) ¿ja met zeven stemmen tegen vijf¿ is en op de tweede vraag (voorbedachtheid) ¿ja¿. Deze verklaring werd ondertekend door de hoofdman van de jury, de voorzitter van het hof van assisen en de griffier. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  14. Het middel voert schending aan van de artikelen 317, 318, 341 en 372 Wetboek van Strafvordering. De eiseres stelt dat, vermits het proces-verbaal van de rechtszitting melding maakt van de inhoud van een getuigenis, hoewel de toepassingsvoorwaarden van artikel 318 Wetboek van Strafvordering niet vervuld zijn, het de op straffe van nietigheid voorgeschreven verbodsbepaling van artikel 372 Wetboek van Strafvordering schendt, naar luid waarvan in het proces-verbaal van de rechtszitting geen melding gemaakt wordt van de inhoud van de getuigenissen.
  15. Krachtens artikel 372 Wetboek van Strafvordering wordt in de regel geen melding gemaakt van de inhoud van de getuigenissen in het proces-verbaal van de rechtszitting van het hof van assisen. De procureur-generaal, de burgerlijke partij en de beschuldigde kunnen evenwel krachtens artikel 318 Wetboek van Strafvordering vorderen dat de voorzitter aantekening doet houden van de toevoegingen, veranderingen of verschillen die in het getuigenis mochten voorkomen ten opzichte van de vorige verklaringen van de getuige.
  16. Noch het mondelinge karakter van de rechtspleging voor het hof van assisen, noch de artikelen 318 en 372 Wetboek van Strafvordering staan eraan in de weg dat aantekening wordt gehouden van een verklaring van een getuige. Zelfs buiten de hypothese van voornoemd artikel 318 heeft de aantekening van een verklaring van een getuige in het proces-verbaal van de rechtszitting niet de nietigheid van het proces-verbaal van de rechtszitting tot gevolg. In zoverre faalt het middel naar recht.
  17. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de voorzitter van het hof van assisen dat de aantekeningen betrekking hebben op toevoegingen, veranderingen of verschillen die in het getuigenis mochten voorkomen ten opzichte van de vorige verklaringen van de getuige, of verplicht het het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 323,01 euro waarvan 233,01 euro verschuldigd is en 90 euro betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 17 april 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070417.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.