IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: Werking in de tijd - Nieuwe wet - Verjaring - Handeling tot stuiting gesteld onder de gelding van de oude wet - Gevolgen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Fiche 3 De in artikel 7, § 2, van de wet van 6 februari 1970 vervatte gemeenrechtelijke regeling inzake de vormvoorschriften voor de vraag tot terugbetaling van door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen
de bijkomende termijn van 30 jaar voor de effectieve terugvordering ervan, blijft onverkort van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gedane terugvordering van een ten onrechte betaalde wedde aan leerkracht, ook al heeft de decreetgever in de onderwijssector de in § 1 van voormeld artikel voorziene vijfjarige verjaringstermijn voor de vraag tot terugbetaling teruggebracht tot één jaar. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: Vlaamse Gemeenschap - Onderwijssector - Ten onrechte betaalde wedde - Terugvordering - Verjaring - Toepasselijk stelsel Wettelijke bepalingen: Wet - 06-02-1970 - Art. 7, § 1, eerste lid,
, eerste
tweede lid Decreet Vlaamse Raad - 31-07-1990 - Art. 198, § 1, eerste lid Fiche 4 De in artikel 7, § 2, van de wet van 6 februari 1970 vervatte gemeenrechtelijke regeling inzake de vormvoorschriften voor de vraag tot terugbetaling van door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen
de bijkomende termijn van 30 jaar voor de effectieve terugvordering ervan, blijft onverkort van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gedane terugvordering van een ten onrechte betaalde wedde van aan leerkracht, ook al heeft de decreetgever in de onderwijssector de in § 1 van voormeld artikel voorziene vijfjarige verjaringstermijn voor de vraag tot terugbetaling teruggebracht tot één jaar. Thesaurus CAS: ONDERWIJS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: Vlaamse Gemeenschap - Ten onrechte betaalde wedde - Terugvordering - Verjaring - Toepasselijk stelsel Wettelijke bepalingen: Wet - 06-02-1970 - Art. 7, § 1, eerste lid,
, eerste
tweede lid Decreet Vlaamse Raad - 31-07-1990 - Art. 198, § 1, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.04.0178.N VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister van Onderwijs
Vorming, met kantoren te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 15, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoorhoudende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen P.E., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoorhoudende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
ten aanzien van BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, Registratie
Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger der Domeinen van Brussel 1, met kantoren te 1000 Brussel, Brederodestraat 9, in gemeen-
bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - het in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde algemeen rechtsbeginsel dat de wet geen terugwerkende kracht heeft; - artikel 198, inzonderheid de eerste, tweede
vierde paragrafen, van het decreet van de Vlaamse Raad van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II (waarvan de eerste paragraaf werd gewijzigd bij decreet van 28 april 1993
de vierde paragraaf werd gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998), in werking getreden, luidens artikel 203 van dit decreet, op 1 september 1990; - artikel 106 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 tot samenordening van de wetten op de rijkscomptabiliteit, vormend artikel 7, §§1
2, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat
de provinciën (zoals gewijzigd bij wet van 24 december 1976); - artikel 7, §§1
2, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat
de provin¬ciën (zoals gewijzigd bij wet van 24 december 1976); - de artikelen 2
1382 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Eiseres' oorspronkelijke tegenvordering tot het bekomen van terugbetaling, lastens de verweerder, van ten onrechte genoten wedde, werd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel bij vonnis van 24 maart 2000 (A.R. 96/14138/A) ingewilligd. Het Hof van Beroep te Brussel verklaart in het bestreden arrest van 12 juni 2003 verweerders hoger beroep ontvankelijk
gegrond, doet het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 24 maart 2000 teniet, vernietigt het bestreden dwangbevel, veroordeelt de eiseres tot de terugbetaling van ieder bedrag dat zou betaald of ingehouden zijn ingevolge dit dwangbevel
veroordeelt de eiseres (het dispositief van het arrest vermeldt klaarblijkelijk bij materiële vergissing ¿tweede geïntimeerde¿, daar waar dit, blijkens de motieven van het arrest, p. 5, tweede alinea, ¿eerste geïntimeerde¿ moet zijn) tot een schadevergoeding aan de verweerder van 2.500 euro, verhoogd met de gerechtelijke intresten,
tot de helft van de kosten in hoger beroep, op volgende gronden (arrest pp. 4
5): ¿De verjaring (De verweerder) roept de verjaring van de vordering in zich stoelend op artikel 198, §1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, inzake wedden
weddentoelagen door de Vlaamse Gemeenschap of haar rechtsvoorganger ten onrechte aan de inrichtende machten
de personeelsleden uitbetaalde sommen. Volgens dit artikel vervallen deze sommen voorgoed aan hen die ze ontvangen als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de eerste januari volgend op de datum van de betaling. Wel werd een overgangsregeling uitgewerkt voor de sommen uitbetaald tussen respectievelijk 1 januari 1986
1 januari 1991 voor dewelke een verjaringstermijn van drie jaar blijft gelden
voor de sommen uitbetaald tussen 1 januari 1991
1 januari 1992 voor dewelke een verjaringstermijn van 2 jaar wordt voorzien. Voor de sommen uitbetaald vóór 1 januari 1986 wordt in het decreet geen afwijkende regel voorzien. Hieruit volgt dat de, niet voor uitlegging vatbare, duidelijke tekst van het decreet op deze sommen dient te worden toegepast. Vermits de termijn van meer dan één jaar verlopen was tussen de laatste stuitingsdaad
de datum van de betekening van het dwangbevel, na het van kracht worden van het decreet, waren de toelagen voorgoed vervallen aan (de verweerder) op het ogenblik van de betekening van het dwangbevel in 1996. Tevergeefs houden (de eiseres
de Belgische Staat) voor dat de dertigjarige verjaring dient te worden toegepast gezien zij noch bedrieglijke handelingen noch valse of welbewust onvolledige verklaringen van (de verweerder) aantonen. De schadevergoeding van 200.000 BEF. Haar eigen regel met betrekking tot de verjaring van de ten onrechte uitgekeerde weddentoelagen miskennend heeft (de Belgische Staat) met een onbehoorlijke hardnekkigheid, twintig jaar na het uitkeren van de weddentoelagen, de inning van deze toelagen nagestreefd. Hierdoor werd aan de rechtsvoorganger van (de verweerder), die er laattijdig
na het leveren van de prestaties van werd ingelicht dat hij in feite voor zijn voltijdse betrekking geen cent loon kon ontvangen, een morele schade berokkend, die bij gebreke aan feitelijke gegevens desbetreffend forfaitair dient begroot te worden op 2.500 euro. De schadevergoeding is alleen verschuldigd door (de eiseres). De Belgische Staat treedt
kel op als mandataris van (de eiseres) die exclusief de aansprakelijkheid draagt voor de beslissing om verjaarde sommen langs een dwangbevel te innen¿. Grieven Het hof van beroep stelt in de bestreden beslissing vast
van 1 juli 1979 tot maart 1980 (arrest p. 2, onderaan),
vierde alinea's)
de provinciën, zoals gewijzigd bij wet van 24 december 1976, zijn, inzake wedden, voorschotten daarop
vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling. Zoals uit de vaststellingen van het hof van beroep zelf blijkt, was de eerste dag van tewerkstelling waarvan de bezoldiging het voorwerp van een vordering tot terugbetaling uitmaakte, 16 november 1976, zodat de terugbetaling bij aangetekend schrijven van 3 november 1980 gevraagd werd binnen de termijn van vijf jaar bepaald bij de toenmalig geldende wetgeving, nu deze termijn verstreek op 1 januari 1981. Artikel 7, §2, eerste lid, van de genoemde wet van 6 februari 1970 bepaalt de vormvoorschriften waaraan de vraag tot terugbetaling moet voldoen. Er werd niet vastgesteld dat de vraag tot terugbetaling van 3 november 1980 niet aan deze voorwaarden voldeed. Naar luid van artikel 7, §2, tweede lid, van de genoemde wet van 6 februari 1970 kan, te rekenen van de afgifte van de aangetekende brief die de vraag tot terugbetaling inhoudt, de terugvordering van het niet verschuldigde gedurende dertig jaar worden uitgeoefend, zodat de terugvordering bij het op 13 november 1996 betekende dwangbevel tijdig geschiedde. Deze regeling maakt derhalve een onderscheid tussen de vraag tot terugbetaling
de werkelijke terugvordering. Deze bepalingen van artikel 7, §1
, van de wet van 6 februari 1970 werden later overgenomen in artikel 106, §1
, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 tot samenordening van de wetten op de rijkscomptabiliteit. De eerste paragraaf van artikel 198 van het decreet van de Vlaamse Raad van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II (gewijzigd bij decreet van 28 april 1993), in werking getreden, luidens artikel 203 van dit decreet, op 1 sep¬tember 1990, dit wil zeggen meer dan vijf jaar na de eerste januari van het jaar waarin de laatste prestaties waarvan de bezoldiging (deels) werd teruggevorderd, werden geleverd, bepaalt dat inzake toegekende werkingsmiddelen of toelagen alsmede wedden, weddentoelagen, voorschotten daarop
vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden of weddentoelagen vormen of ermede gelijkstaan, de door de Vlaamse Gemeenschap of haar rechtsvoorganger aan de inrichtende machten van onderwijs
de personeelsleden, ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de eerste januari volgend op de datum van betaling. De vierde paragraaf van genoemd artikel 198, gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998, bepaalt in zijn eerste lid de vormvoorwaarden waaraan de vraag tot terugbetaling moet voldoen,
in zijn tweede lid dat te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar kan worden teruggevorderd. Er dient aldus ook hier een onderscheid te worden gemaakt tussen de vraag tot terugbetaling
de werkelijke terugvordering. Aldus worden in de artikelen 7 van de genoemde wet van 6 februari 1970
198 van het genoemde decreet van 31 juli 1990 gelijkaardige terugvorderingsmodaliteiten voorzien: de terugbetaling van onrechtmatig genoten bedragen moet eerst binnen een bepaalde termijn
onder bepaalde vormvoorwaarden worden gevraagd, waarna een termijn van dertig jaar openstaat voor de terugvordering. Te dezen werd de, overeenkomstig de toenmalig geldende wetsbepalingen, formeel regelmatige
tijdig geformuleerde vraag tot terugbetaling van 3 november 1980, gevolgd door een terugvordering binnen dertig jaar, door middel van het dwangbevel dat betekend werd op 13 november
heeft zij geen terugwerkende kracht. Aldus kan een latere wet de regelmatigheid, zowel uit het oogpunt van de tijdigheid als de vormvoorschriften, van een rechtshandeling (de vraag tot terugbetaling binnen de termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de onterechte betaling) niet tenietdoen door het stellen van een andere termijn (één jaar vanaf de eerste januari van het jaar volgend op de onterechte betaling) die, na het van kracht worden van de nieuwe wet, onmogelijk nog kan worden nageleefd. Het hof van beroep, dat de verjaring van de vordering ten onrechte beoordeelt in het licht van de bepalingen betreffende de door de wet vereiste voorafgaande vraag tot terugbetaling, kon derhalve niet wettig oordelen dat de toelagen voorgoed vervallen waren omdat ¿de termijn van meer dan één jaar verlopen was tussen de laatste stuitingsdaad
de datum van de betekening van het dwangbevel, na het van kracht worden van het decreet¿. Aldus verwart het hof van beroep de door de wet bedoelde vraag tot terugbetaling met de vordering tot terugbetaling. Door aldus klaarblijkelijk te oordelen dat eiseres' vordering niet kon toegekend worden omdat ze werd gesteld méér dan één jaar na het van kracht worden van het decreet van 31 juli 1990 op 1 september 1990, miskent het hof van beroep alle in dit onderdeel genoemde wetsbepalingen evenals het algemeen rechtsbeginsel dat de wet geen terugwerkende kracht heeft, neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof van beroep kon aldus evenmin wettig de eiseres veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens morele schade ingevolge ¿onbehoorlijk hardnekkige¿ miskenning van de regel inzake verjaring. Het hof van beroep schendt aldus ook artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, nu de daartoe vereiste fout niet wettig werd vastgesteld. Tweede onderdeel De eerste paragraaf van artikel 198 van het decreet van de Vlaamse Raad van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II (gewijzigd bij decreet van 28 april 1993), in werking getreden, luidens artikel 203 van dit decreet, op 1 september 1990, dit wil zeggen meer dan vijf jaar na de eerste januari van het jaar waarin de laatste prestaties waarvan de bezoldiging (deels) werd teruggevorderd, werden geleverd, bepaalt dat inzake toegekende werkingsmiddelen of toelagen alsmede wedden, weddentoelagen, voorschotten daarop
vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden of weddentoelagen vormen of ermede gelijkstaan, de door de Vlaamse Gemeenschap of haar rechtsvoorganger aan de inrichtende machten van onderwijs
de personeelsleden, ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de eerste januari volgend op de datum van betaling. Luidens de tweede paragraaf van dit artikel 198, is, in afwijking op het eerste lid van de eerste paragraaf,
1 januari 1991 betaalde sommen, met dien verstande dat nooit kan worden teruggevorderd voor een periode die de vijf jaar overstijgt
1 januari 1992 betaalde sommen. In zoverre het hof van beroep wettig zou hebben kunnen oordelen dat door de nieuwe bepaling van artikel 198, §1, eerste lid,
, van het genoemde decreet van 31 juli 1990, nieuwe termijnen werden bepaald, niet voor de vraag tot terugbetaling, doch voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde wedden, toelagen, vergoedingen of uitkeringen, weze opgemerkt dat in de regel, gelet op artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek
het daarin neergelegde algemeen rechtsbeginsel dat de wet geen terugwerkende kracht heeft, een nieuwe wet niet
kel van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestan¬den die zich voordoen of die voortduren onder de gelding van de nieuwe wet. Van die regel wordt evenwel afgeweken wanneer de wetgever anders bepaalt of de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet afbreuk doet aan reeds onherroepelijk voltrokken vroegere toestanden. De decreetgever bepaalde door bovengenoemd artikel 198 de ¿verjaringstermijn¿
1 januari 1992,
1 januari
de provinciën, later gecoördineerd in het koninklijk besluit van 17 juli 1991 tot samenordening van de wetten op de rijkscomptabiliteit, onveranderd te laten. Door niettemin te dezen op de terugvordering van de vóór 1 januari 1986 onterecht uitbetaalde sommen, de verjaringstermijn toe te passen die overeenkomstig het genoemd artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 geldt voor de onterechte betalingen sinds 1 januari 1992, miskent het hof van beroep alle in dit onderdeel genoemde wetsbepalingen
algemeen rechtsbeginsel. Het hof van beroep kon aldus evenmin wettig de eiseres veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens morele schade ingevolge ¿onbehoorlijk hardnekkige¿ miskenning van de regel inzake verjaring. Het hof van beroep schendt aldus ook artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, nu de daartoe vereiste fout niet wettig werd vastgesteld. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens het toepasselijke artikel 7, §1, eerste lid, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat
de provinciën vervallen, inzake wedden, voorschotten daarop
vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden vormen of ermede gelijkstaan, de door de Staat ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed aan hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling. Krachtens artikel 7, §2, eerste lid, van die wet moet de vraag tot terugbetaling om geldig te zijn ter kennis worden gebracht van de schuldenaar bij een ter post aangetekende brief met vermelding van het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen
met vermelding van de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan. Krachtens artikel 7, §2, tweede lid, van die wet kan, te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief, het niet verschuldigde gedurende dertig jaar worden vervolgd. 2. Uit die wetsbepalingen volgt dat de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat een onderscheid maakt tussen,
erzijds, de vraag tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde wedde die de vijfjarige verjaringstermijn stuit
, anderzijds, de effectieve terugvordering van de onverschuldigd betaalde wedde die gedurende dertig jaar kan worden vervolgd te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief waarin de vraag tot terugbetaling wordt geformuleerd. 3. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 198, §1, eerste lid, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, zoals gewijzigd bij decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs-IV, zijn, inzake toegekende werkingsmiddelen of toelagen alsmede wedden, weddentoelagen, voorschotten daarop
vergoedingen of uitkeringen, die een toebehoren van de wedden of weddentoelagen vormen of ermede gelijkstaan, de door de Vlaamse Gemeenschap of haar rechtsvoorganger aan de inrichtende machten van onderwijs
de personeelsleden, ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen aan hen die ze ontvangen, als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de eerste januari volgend op de datum van betaling. Krachtens artikel 124 van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs-IV heeft het voornoemde artikel 198, §1, eerste lid, uitwerking met ingang van 1 september
de bijkomende termijn voor de effectieve terugvordering van genoemd artikel 7 buiten werking heeft willen stellen. Derhalve blijft het bepaalde in artikel 7, §2, van de wet van 6 februari 1970 als gemeenrechtelijke regeling onverkort van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gedane terugvordering van een ten onrechte betaalde wedde aan een leerkracht. 5. Krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende
heeft zij geen terugwerkende kracht, tenzij de wetgever uitdrukkelijk of stilzwijgend maar zeker, anders heeft beslist. Behoudens andersluidende wilsuiting van de wetgever, heeft een nieuwe wet inzake de verjaring niet tot gevolg dat een daad of een akte die onder gelding van de oude wet een stuitend karakter had, na de inwerkingtreding van de nieuwe wet niet langer die stuitende werking zou hebben. Derhalve kan artikel 198, §1, van het decreet van 31 juli 1990 dat geen terugwerkende kracht heeft
van toepassing is sedert 1 september 1990, als latere wet niet tot gevolg hebben dat een onder gelding van artikel 7, §1, van de wet van 6 februari 1970 tijdig gedane vraag tot terugbetaling bij aangetekende brief die een rechtsgeldige stuiting van de verjaring uitmaakte, diende herhaald te worden na de inwerkingtreding van het decreet. 6. De appelrechters stellen vast dat: - de eiseres van de rechtsvoorganger van de verweerder weddentoelagen terugvordert die werden uitbetaald in de periode van 16 november 1976 tot 1 oktober 1977
van 1 juli 1979 tot maart 1980; - de terugbetaling van de weddentoelagen een eerste maal werd gevraagd met een aangetekende brief van 3 november 1980
vervolgens met een aangetekende brief van 11 september 1981; - de eiseres op 13 november 1996 aan de rechtsvoorganger van de verweerder een dwangbevel liet betekenen tot terugvordering van de beweerde onverschuldigd betaalde weddentoelagen.
dat de vordering van de eiseres vervallen was vermits er na het van kracht worden van het decreet een termijn van meer dan één jaar verlopen was tussen de laatste stuitingsdaad
de datum van de betekening van het dwangbevel in
laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier,
de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei
Albert Fettweis,
in openbare terechtzitting van 20 april 2007 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070420.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101001.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020412.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.