id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.1 Rolnummer: C.04.0137.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Burgerlijk recht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-07-03 06:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De vergoeding die, inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken, wordt toegekend ingevolge een contractuele tekortkoming, omvat niet alleen de betaling van een geldsom ter vergoeding van de eigenlijke schade, maar tevens de betaling van interest wegens het uitblijven van of de vertraging in de uitvoering van de verbintenis tot schadeloosstelling, zowel voor als na het tussenkomen van een rechterlijke beslissing
(1).
(1)Verdrag van 15 juni 1955 inzake de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet, ondertekend te Den Haag, zoals van toepassing vóór de opzegging ervan door België bij bericht verschenen in het B.S. van 30 juni
- Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Internationale koop GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Toepasselijk recht - Recht toepasselijk op contractuele verbintenissen Vrije woorden: Internationale koop van roerende goederen - Contractuele tekortkoming - Vergoeding - Samenstelling Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1980 - Art. 10.1.c Verdrag of internationale overeenkomst - 15-06-1955 - Artt. 1 en 5 Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Internationale koop GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Toepasselijk recht - Recht toepasselijk op contractuele verbintenissen Vrije woorden: Internationale Verdragen - Internationale koop van roerende goederen - Contractuele tekortkoming - Vergoeding - Samenstelling Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1980 - Art. 10.1.c Verdrag of internationale overeenkomst - 15-06-1955 - Artt. 1 en 5 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - INTERNATIONAAL RECHT UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Internationale koop GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Verbintenissen - Toepasselijk recht - Recht toepasselijk op contractuele verbintenissen Vrije woorden: Internationale koop van roerende goederen - Contractuele tekortkoming - Vergoeding - Samenstelling Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1980 - Art. 10.1.c Verdrag of internationale overeenkomst - 15-06-1955 - Artt. 1 en 5 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0137.N DE RUITER SEEDS, commanditaire vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 2661 AG Bergschenhoek (Nederland), Leeuwenhoekweg 52, eiseres, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- D.K.R.. verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- ARENDICO, naamloze vennootschap, met zetel te 8620 Nieuwpoort, Den Oever 6, Havengeul 2 B.902, verweerster, minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 1 maart 2007 verwezen naar de derde kamer. Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1, inzonderheid artikel 1.1, van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op de verbintenissen uit overeenkomst, ondertekend te Rome en goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, hierna kortweg ¿Europees Overeenkomstenverdrag¿; - artikel 5, inzonderheid artikel 5.4, van het Verdrag van 15 juni 1955 inzake de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet, ondertekend te Den Haag en goedgekeurd bij wet van 21 september 1962, zoals van toepassing vóór de opzegging ervan door België bij bericht verschenen in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 1999, hierna kortweg ¿Verdrag van Den Haag¿, - de artikelen 1, 4, 35, 45, 74 tot 77 van het Verdrag der Verenigde Naties van 11 april 1980 inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, hierna het ¿Weens Koopverdrag¿, - de artikelen 3, inzonderheid eerste lid, en 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Na te hebben vastgesteld dat de eerste verweerder, tuinder te Rumst, plantgoed van de variëteit Trust-tomaten aankocht bij tweede verweerster te Duffel, die deze tomatenplanten had gekweekt uit zaad door haar aangekocht bij de eiseres te Bergschenhoek in Nederland, alsmede dat de kwestieuze tomatenplanten afstierven ingevolge besmetting vanuit het zaad door een bacterie en na te hebben aangenomen, in essentie,
(1)dat op de contractuele relatie tussen de eiseres en de tweede verweerster, zowel op grond van de bepalingen van het Verdrag van Den Haag, als op basis van deze van het Europees Overeenkomstenverdrag, het Nederlands recht van toepassing is ;
(2)dat gezien Nederland partij is bij het Weens Koopverdrag, de contractuele relatie tussen de eiseres en de tweede verweerster door dit Verdrag wordt beheerst;
(3)dat de extracontractuele relatie tussen de eiseres en de eerste verweerder, bij toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, onderworpen is aan het Nederlands recht daar dit het recht is van de plaats waar de fout werd begaan die de schade heeft veroorzaakt;
(4)dat op het extracontractueel vlak geen enkele fout aan de eiseres kan worden verweten zodat de vordering van de verweerder gegrond op de extracontractuele aansprakelijkheid van de eiseres ongegrond is, aanvaardt het bestreden arrest het bestaan van een contractuele aansprakelijkheidsvordering van de eerste verweerder opzichtens de eiseres en verklaart het deze, bij toepassing van het Nederlands recht, gegrond met veroordeling van de eiseres tot het betalen aan de eerste verweerder van 92.232,23 euro in hoofdsom. Het bestreden arrest fundeert deze beslissing op de volgende overwegingen: ¿Uit de toepasbaarheid van de Nederlandse wet op de rechtsband tussen haarzelf en (de) tweede (verweerster) leidt (de eiseres) af dat de eerste (verweerder) geen rechtstreekse vordering tegen haar kan indienen omdat de Nederlandse wet zo'n rechtstreekse vordering niet kent. Zij meent dat de eis van de eerste (verweerder) daarom onontvankelijk moet worden verklaard. (De eiseres) kan in de redenering niet worden bijgetreden omdat de eerste (verweerder) geen rechtstreekse vordering instelt. (Hij) put (zijn) aanspraak enkel uit de rechtsverhouding tussen (hemzelf) en tweede (verweerster) die uitsluitend naar Belgisch recht te benaderen is. (Hij) oefent de vrijwaringsvordering wegens verborgen gebreken uit die (zijn) verkoper, met name de tweede (verweerster), bezit. Als eindkoper is (hij) naar Belgisch recht gemachtigd dit te doen omdat de vrijwaringsvordering beschouwd wordt als een accessorium van de verkochte zaak dat met de eigendom wordt overgedragen. Dat de vrijwaringsvordering van de tweede (verweerster) t.o.v. (de eiseres) wegens verborgen gebreken moet beoordeeld worden naar Nederlands recht staat er dus niet aan in de weg dat de eerste (verweerder) op grond van het Belgische recht deze vrijwaringsvordering kan uitoefenen. Sedert 1 januari 1992 is in Nederland het Verdrag van de Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980 (¿) in werking getreden. Het Weense Koopverdrag behoort dan ook tot het intern Nederlands recht (¿). Met toepassing van het Nederlands recht, inzonderheid van artikel 35.1 en 35.2 van het Weense Koopverdrag, is (de eiseres) ten opzichte van de tweede (verweerster) contractueel aansprakelijk voor haar bewezen niet-conforme levering en heeft laatstgenoemde krachtens artikel
- 1 van het Weense Koopverdrag een vorderingsrecht op schadevergoeding zoals voorzien in artikel 74 tot en met 77 van het Verdrag. Naar Belgisch recht heeft de eerste (verweerder) het recht het vorderingsrecht van de tweede (verweerster) tegenover (de eiseres) uit te oefenen¿. Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 5.4 van het Verdrag van Den Haag, is dat Verdrag niet van toepassing op de rechtsgevolgen van de koop ten aanzien van alle andere personen dan de partijen. Bij de door de eiseres gesloten koop is, zoals vastgesteld in het bestreden arrest, alleen de tweede verweerster partij. Artikel 1.1 van het Europees Overeenkomstenverdrag bepaalt dat het van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. Daartoe behoren niet de aanspraken van de derde-verkrijger, zoals de eerste verweerder, van een zaak ten overstaan van de fabrikant ervan, die niet zijn verkoper is, zoals de eiseres, wegens gebreken aan die zaak of ongeschiktheid ervan voor het doel waarvoor ze is bestemd. In deze beslist het bestreden arrest dat de aanspraak die de eerste verweerder laat gelden opzichtens de eiseres enkel steunt op de rechtsverhouding tussen hemzelf en de tweede verweerster, doch oordeelt het vervolgens dat de eerste verweerder toch de contractuele aansprakelijkheidsvordering vermag te laten gelden opzichtens de eiseres waarop, zowel ingevolge de bepalingen van het Verdrag van Den Haag, als op grond van deze van het Europees Overeenkomstenverdrag, het Nederlands recht van toepassing is en die vordering op basis van dat recht gegrond is. Door aldus te oordelen met toepassing, overeenkomstig de bepalingen van zowel het Verdrag van Den Haag, als van het Europees Overeenkomstenverdrag, van het Nederlands recht, schendt het bestreden arrest artikel 5.4 van het Verdrag van Den Haag en artikel 1.1 van het Europees Overeenkomstenverdrag. Tweede onderdeel Overeenkomstig het Belgisch internationaal privaatrecht is de rechtstreekse vordering, door de derde-verkrijger uitgeoefend tegen de fabrikant, onderworpen aan de wet toepasselijk op de rechtsfeiten, zoals bepaald bij toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De extracontractuele aard van de rechtstreekse vordering is eigen aan de kwalificatie volgens het internationaal privaatrecht en houdt geen rekening met de in het intern Belgisch recht aangehouden stelling dat, volgens het bestreden arrest, de rechtstreekse vordering zou worden overgedragen als accessorium bij de overeenkomst. De wet die de rechtsfeiten beheerst is van toepassing op de rechtstreekse vordering van de derde-verkrijger tegen de fabrikant, ongeacht of deze vordering gebaseerd is op de contractuele aansprakelijkheid van deze laatste, dan wel op zijn extracontractuele aansprakelijkheid. Inderdaad, zelfs wanneer de derde-verkrijger zich tegen de fabrikant op een vordering uit overeenkomst beroept, loopt het geschil tussen partijen die zich onderling niet op vrijwillige basis tot elkaar verbonden hebben, zodat, voor wat de toepassing van de regelen van het internationaal privaatrecht betreft, de vordering een quasi-delictuele basis behoudt. Overeenkomstig de regel van internationaal privaatrecht vervat in artikel 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, is de wet toepasselijk op de delictuele of quasi-delictuele aansprakelijkheid deze van de plaats waar de onrechtmatige daad werd begaan. Deze wet beheerst het geheel der vraagstukken die op deze aansprakelijkheid betrekking hebben, met inbegrip van de toelaatbaarheid van de vordering evenals de aard en omvang van de schadevergoeding. In voorliggend geval heeft het bestreden arrest, teneinde de wet te bepalen die toepasselijk is op de vordering waarin de extracontractuele aansprakelijkheid van de eiseres wordt ingeroepen, vastgesteld dat de beweerde onrechtmatige daad in Nederland werd gepleegd en dat het Nederlands recht toepassing vindt. Door, wat de contractuele aansprakelijkheid betreft, te oordelen dat het Belgisch recht bepaalt of de eerste verweerder een rechtstreekse vordering tegen de eiseres kan uitoefenen, schendt het bestreden arrest artikel 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Derde onderdeel Ongeacht de kwalificatie volgens het internationaal privaatrecht kan de toelaatbaarheid van de vordering van de derde-verkrijger tegen de fabrikant onmogelijk beheerst worden door de wet toepasselijk op de overeenkomst tussen de eerste koper en de derde-verkrijger. Immers, de fabrikant is geen partij bij deze overeenkomst, en kent slechts de wet toepasselijk op de overeenkomst die hijzelf met de eerste koper heeft afgesloten. De fabrikant kan zijn contractuele aansprakelijkheid niet beheerst zien door een wet die van toepassing zou worden door latere rechtsbetrekkingen. Bijgevolg kan, zelfs indien de rechtstreekse vordering tegen de fabrikant volgens het internationaal privaatrecht als contractueel moet worden gekwalificeerd, alleen de wet toepasselijk op de initiële overeenkomst tussen de fabrikant en de eerste koper in aanmerking komen om de toelaatbaarheid van deze rechtstreekse vordering te beheersen. In het voorliggend geval heeft het bestreden arrest beslist dat de contractuele relatie tussen de eiseres en tweede verweerster door de Nederlandse wet wordt beheerst. Door te oordelen dat de toelaatbaarheid van de rechtstreekse vordering van de eerste verweerder tegen de eiseres beheerst wordt door de Belgische wet, van toepassing op de overeenkomst tussen tweede verweerster en de eerste verweerder, schendt het bestreden arrest de regelen van internationaal privaatrecht welke de in contractuele aangelegenheden toepasselijke wet bepalen (schending van de artikelen 3 en 4 van het Europees Overeenkomstenverdrag, van artikel 3 van het Verdrag van Den Haag, en van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek waar het een regel van international privaatrecht consacreert). Vierde onderdeel Het Weens Koopverdrag is toepasselijk op de ¿koopovereenkomsten betreffende roerende zaken¿ (artikel 1) en ¿regelt uitsluitend de totstandkoming van koopovereenkomsten en de rechten en verplichtingen van verkoper en koper voortvloeiend uit een zodanige overeenkomst¿ (artikel 4). Uit deze bepaling blijkt dat het Weens Koopverdrag uitsluitend van toepassing is op de betrekkingen tussen partijen die rechtstreeks door de koopovereenkomst zijn verbonden, met uitzondering van de betrekkingen tussen deze partijen en derden. Bijgevolg kan het Weens Koopverdrag niet toepasselijk zijn op de aansprakelijkheid van de fabrikant ten aanzien van de derde-verkrijger, gezien deze niet door een koopovereenkomst zijn verbonden. Door de eiseres te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding op grond van de garantieverplichting krachtens de artikelen 35, 45 en 74 tot 77 van het Weens Koopverdrag, miskent het bestreden arrest deze bepalingen evenals de artikelen 1 en 4 van hetzelfde Verdrag.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 10, inzonderheid 1.c, van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op de verbintenissen uit overeenkomst, ondertekend te Rome en goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987, hierna kortweg Europees Overeenkomstenverdrag; - de artikelen 1 en 5 van het Verdrag van 15 juni 1955 inzake de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet, ondertekend te Den Haag en goedgekeurd bij wet van 21 september 1962, zoals van toepassing vóór de opzegging ervan door België bij bericht verschenen in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 1999, hierna kortweg Verdrag van Den Haag. Aangevochten beslissing Na te hebben vastgesteld dat de eerste verweerder, tuinder te Rumst, plantgoed van de variëteit Trust-tomaten aankocht bij de tweede verweerster te Duffel, die deze tomatenplanten had gekweekt uit zaad door haar aangekocht bij de eiseres te Bergschenhoek in Nederland, alsmede dat de kwestieuze tomatenplanten afstierven ingevolge besmetting vanuit dat zaad door een bacterie en te hebben aanvaard dat, zowel op grond van de bepalingen van het Verdrag van Den Haag, als op basis van deze van het Europees Overeenkomstenverdrag, op de in hoofde van de eiseres lastens de eerste verweerder weerhouden contractuele aansprakelijkheid het Nederlands recht moet worden toegepast en, wat de schadevergoeding aangaat, de eerste verweerder aldus, bij toepassing van artikel 6, 119, eerste lid, van het Nederlands Burgerlijk Wetboek, gerechtigd is op wettelijke rente vanaf 1 oktober 1994, dan wanneer het door hem ingeroepen artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek niet kan worden toegepast omdat dat wetsartikel niet van toepassing is op een naar Nederlands recht geregelde rechtsverhouding, veroordeelt het bestreden arrest de eiseres niettemin ¿tot de betaling aan (de eerste verweerder) van de som van 92.232,23 euro , vermeerderd met de wettelijke rente naar Nederlands recht vanaf 1 oktober 1994 tot op de dag van onderhavige uitspraak, (alsmede met) de moratoire interesten naar rato van de (Belgische) wettelijke rentevoet op voormelde hoofdsom, vermeerderd met de voormelde wettelijke rente, en de hierna bepaalde gedingkosten vanaf de dag van onderhavig uitspraak tot op de dag van de gehele betaling¿. Op grond van het motief dat ¿op de interesten die vervallen na de uitspraak en die de vergoeding vormen voor het uitblijven van de betaling na de uitspraak (¿) het Belgisch recht van toepassing (is)¿. Grieven Artikel 10.1.c van het Europees Overeenkomstenverdrag bepaalt dat het recht dat, bij toepassing van de bepalingen van dat Verdrag, van toepassing is op de overeenkomst, zijnde in casu volgens het bestreden arrest het Nederlands recht, ook de gevolgen beheerst van de gehele of gedeeltelijke tekortkoming, daaronder in het algemeen begrepen de vaststelling van de schade voor zover daarvoor rechtsregels gelden. Overeenkomstig artikel 1 van het Verdrag van Den Haag, is dat verdrag in het algemeen van toepassing op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken. Artikel 5 ervan sluit slechts een beperkt aantal onderwerpen uit die volledig vreemd zijn aan de bepaling van de schadevergoeding, verschuldigd ingevolge een contractuele tekortkoming. Beide bepalingen tesamen genomen leiden ertoe dat het op de overeenkomst toepasselijke recht, zijnde in casu zoals reeds gezegd het Nederlands recht, ook zonder beperking de begroting van de schadevergoeding beheerst. Het bepalen van de schadevergoeding verschuldigd uit hoofde van een contractuele tekortkoming wordt aldus, zonder uitsluiting van enig aspect ervan en derhalve ook niet van de vergoeding van het uitblijven van betaling, weze het vóór, dan wel na het tussenkomen van een rechterlijke beslissing, overeenkomstig voormelde verdragsbepalingen, beheerst door het recht dat van toepassing is op de overeenkomst. Na te hebben aanvaard dat op de door de eerste verweerder lastens haar ingestelde contractuele aansprakelijkheidsvordering het Nederlands recht van toepassing is en dat recht ook te hebben toegepast voor de beoordeling van de toe te kennen rente tot de uitspraak, veroordeelt het bestreden arrest de eiseres, bij toepassing van het Belgisch recht, tot het betalen van moratoire rente vanaf de uitspraak op de toegekende hoofdsom, wettelijke rente en kosten. Door dusdoende te beslissen, schendt het bestreden arrest alle in het middel aangehaalde verdragsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel gaat er van uit dat de appelrechters oordelen dat de eerste verweerder, als derde-verkrijger van een zaak, een contractuele aansprakelijk-heidsvordering instelt ten laste van de eiseres als fabrikant van die zaak, die niet zijn verkoper is, en waarop het Nederlandse recht van toepassing is.
- De appelrechters oordelen evenwel dat ¿(de verweerder) geen rechtstreekse vordering instelt. (Hij) put (zijn) aanspraak enkel uit de rechtsverhouding tussen (hemzelf) en (de verweerster) die uitsluitend naar Belgisch recht te benaderen is. (Hij) oefent de vrijwaringsvordering wegens verborgen gebreken uit die (zijn) verkoper, met name (de verweerster) bezit¿ en dat ¿als eindkoper (de verweerder) naar Belgisch recht gemachtigd is dit te doen omdat de vrijwaringsvordering beschouwd wordt als een accessorium van de verkochte zaak dat met de eigendom wordt overgedragen¿. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Tweede, derde en vierde onderdeel samen
- De onderdelen gaan er van uit dat de vordering van de verweerder tegen de eiseres, een rechtstreekse vordering is van de derde-verkrijger van een zaak tegen de fabrikant ervan.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat zulks niet het geval is. De onderdelen missen derhalve feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het artikel 10.1.c. van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op de verbintenissen uit overeenkomst, ondertekend te Rome en goedgekeurd bij wet van 14 juli 1987 (hierna Europees Overeenkomstenverdrag) bepaalt dat het recht dat ingevolge de artikelen 3 tot en met 6 en 12 van dit Verdrag op de overeenkomst toepasselijk is, de gevolgen beheerst van gehele of gedeeltelijke tekortkoming, daaronder begrepen de vaststelling van de schade, voor zover daarvoor rechtsregels gelden. Het artikel 1 van het verdrag van 15 juni 1955 inzake de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet, ondertekend te Den Haag en goedgekeurd bij wet van 21 september 1962, zoals van toepassing vóór de opzegging ervan door België bij bericht verschenen in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 1990 (hierna Verdrag van Den Haag), bepaalt dat het verdrag in het algemeen van toepassing is op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken. Het artikel 5 van het voormelde Verdrag van Den Haag somt de onderwerpen op die worden uitgesloten omdat zij volledig vreemd zijn aan de bepaling van de schadevergoeding, verschuldigd ingevolge een contractuele tekortkoming.
- De in de voormelde verdragsteksten bedoelde vergoeding die wordt toegekend ingevolge een contractuele tekortkoming, omvat niet alleen de betaling van een geldsom ter vergoeding van de eigenlijke schade, maar tevens de betaling van interest wegens het uitblijven van of de vertraging in de uitvoering van de verbintenis tot schadeloosstelling, zowel voor als na het tussenkomen van een rechterlijke beslissing.
- Ten aanzien van de contractuele aansprakelijkheid oordelen de appelrechters dat zowel het Europees Overeenkomstenverdrag als het Verdrag van den Haag tot de toepassing van Nederlands recht leiden. Vervolgens veroordelen de appelrechters de eiseres ¿tot de betaling aan (de verweerder) van de som van 92.232,23 euro, vermeerderd met de wettelijke rente naar Nederlands recht vanaf 1 oktober 1994 tot op de dag van onderhavige uitspraak, (alsmede met) de moratoire interesten naar rato van de (Belgische) wettelijke rentevoet op voormelde hoofdsom, vermeerderd met de voormelde wettelijke rente, en de hierna bepaalde gedingkosten vanaf de dag van onderhavig uitspraak tot op de dag van de gehele betaling¿.
- Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters derhalve hun beslissing de eiseres te veroordelen tot betaling aan de verweerder van ¿moratoire interesten naar rato van de (Belgische) wettelijke rentevoet op voormelde hoofdsom¿ niet naar recht en schenden zij de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot de betaling aan de verweerder van de moratoire interest naar rato van de Belgische wettelijke rentevoet en uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. De kosten begroot op de som van 947,89 euro jegens de eisende partij en op de som van 107,88 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig april tweeduizend en zeven uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div