← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007

Artt. 26, § 1, eerste lid, en 31, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 601ter, 3°, 616, en 1050 Vrije woorden: Sportwedstrijden - Voetbalwedstrijden - Veiligheid - Inbreuken - Administratieve sancties opgelegd door de bevoegde ambtenaar - Beroep bij de politierechtbank - Aard Wettelijke bepalingen:

Artt. 26, § 1, eerste lid, en 31, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 601ter, 3°, 616, en 1050 Fiches 3 - 5 De bepaling dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep, is niet toepasselijk in het raam van het beroep ingesteld bij de politierechtbank tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar tot het opleggen van een administratie sanctie wegens inbreuken op de veiligheid bij voetbalwedstrijden; de politierechter kan vorderingen tot tussenkomst en vrijwaring die voor de eerste maal voor hem worden gesteld niet als ontoelaatbaar afwijzen. Thesaurus CAS: SPORT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tussenkomst BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Beslissingen waartegen hoger beroep STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Sport - Gewelddaden rond sportevenementen - Algemeen Vrije woorden: Voetbalwedstrijden - Veiligheid - Inbreuken - Administratieve sancties opgelegd door de bevoegde ambtenaar - Beroep bij de politierechtbank - Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen:

Art. 31, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt.

601ter, 3°, en 812 Vrije woorden: Sportwedstrijden - Voetbalwedstrijden - Veiligheid - Inbreuken - Administratieve sancties opgelegd door de bevoegde ambtenaar - Beroep bij de politierechtbank - Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen:

Art. 31, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt.

601ter, 3°, en 812 Thesaurus CAS: TUSSENKOMST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tussenkomst BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Beslissingen waartegen hoger beroep STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Sport - Gewelddaden rond sportevenementen - Algemeen Vrije woorden: Voetbalwedstrijden - Veiligheid - Inbreuken - Administratieve sancties opgelegd door de bevoegde ambtenaar - Beroep bij de politierechtbank - Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen:

Art. 31, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt.

601ter, 3°, en 812 Fiche 6 De bepaling dat iedere verbintenis om iets te doen of niet te doen wordt opgelost in schadevergoeding, ingeval de schuldenaar de verbintenis niet nakomt, sluit niet uit dat de vergoedingsplicht zich kan uitstrekken tot een administratieve geldboete die krachtens artikel 18 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden kan worden opgelegd aan de organisator van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd of aan de overkoepelende sportbond die de in de wet bedoelde verplichtingen niet naleeft. Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tussenkomst BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Beslissingen waartegen hoger beroep STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Sport - Gewelddaden rond sportevenementen - Algemeen Vrije woorden: Niet-nakoming - Vergoedingsplicht - Omvang - Administratieve geldboete wegens inbreuk op de veiligheid bij voetbalwedstrijden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1142

Art. 18Tekst van de beslissing Nr.

C.04.0347.N KONINKLIJKE LIERSE SPORTKRING, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2500 Lier, Voetbalstraat 4, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnen-landse Zaken, met kantoren te 1000 Brussel, Wetstraat 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  2. ARCHITECTENBUREAU STEFAN PEETERS & C°, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2018 Antwerpen, Lange Leemstraat 3,
  3. ARCADE, naamloze vennootschap, met zetel te 2610 Wilrijk, Rucaplein 2,
  4. BOUWONDERNEMING VOORUITZICHT, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Leopold de Waelplaats 26,
  5. AANNEMINGEN VAN WELLEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2950 Kapellen, Klinkaardstraat 198,
  6. ERGON, naamloze vennootschap, met zetel te 2500 Lier, Marnixdreef 5, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 28 april 2004 in laatste aanleg gewezen door de Politierechtbank te Mechelen. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 5 maart 2007 verwezen naar de derde kamer. Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.
  7. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1142, 1146, 1147, 1149, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 601ter, 3°, 616, 812, 1050, eerste lid, en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 3, 4, 18, 26, eerste lid, en 31 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden (de artikelen 26, eerste lid, en 31 vóór de nummering bij de wet van 10 maart 2003). Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart de vorderingen van de eiseres om de tweede tot en met de zesde verweersters te veroordelen om tussen te komen in het geding en om de eiseres volledig te vrijwaren en te vergoeden voor alle veroordelingen die tegenover de eiseres zouden worden uitgesproken, ontoelaatbaar op de volgende gronden: ¿Onze rechtbank dient van het geschil kennis te nemen in hoger beroep en in laatste aanleg in het kader van een administratieve beslissing. Overeenkomstig artikel 812, §2, van het Gerechtelijk Wetboek kan een gedwongen tussenkomst niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep (ook de principes van de dubbele aanleg zouden dan worden geschonden). Bovendien is de opgelegde administratieve boete geen schade die verhaalbaar zou zijn op een partij die zelf geen boete heeft opgelopen. De eisen in tussenkomst en vrijwaring (¿) zijn dus ontoelaatbaar¿. Grieven Eerste onderdeel Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan krachtens artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep. Een rechter doet uitspraak in hoger beroep in de zin van dit artikel wanneer hij uitspraak doet over het hoger beroep tegen een vonnis dat in eerste aanleg gewezen werd. Wanneer de politierechtbank krachtens de artikelen 601ter, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en 31 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden kennis neemt van het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie door de ambtenaar bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet van 21 december 1998, dan doet de politierechtbank geen uitspraak over een hoger beroep tegen een vonnis en dan doet zij bijgevolg geen uitspraak in hoger beroep in de zin van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De Politierechtbank te Mechelen deed in het bestreden vonnis uitspraak over het beroep van de eiseres tegen de beslissing van 9 oktober 2001 waarbij aan de eiseres een administratieve sanctie opgelegd werd door de ambtenaar bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet van 21 december
  8. De Politierechtbank te Mechelen heeft dan ook ten onrechte beslist dat de vorderingen in tussenkomst en vrijwaring van de eiseres ontoelaatbaar zijn ingevolge artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermits de politierechtbank geen uitspraak deed in hoger beroep in de zin van dit artikel (schending van de artikelen 601ter, 3°, 616, 812, tweede lid, en 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, 26, eerste lid, en 31 van de wet van 21 december 1998). Tweede onderdeel De administratieve geldboete, bedoeld in artikel 18 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, opgelegd in uitvoering van artikel 26, eerste lid, van deze wet aan de organisator van een voetbalwedstrijd die de verplichtingen voorgeschreven door of krachtens de artikelen 3 of 5 van deze wet niet naleeft, kan voor de organisator schade uitmaken die verhaalbaar is op zijn medecontractant wanneer die administratieve geldboete veroorzaakt werd doordat die medecontractant zijn verbintenissen tegenover de organisator niet is nagekomen, ook al heeft die medecontractant zelf geen boete opgelopen. Het bestreden vonnis heeft dan ook ten onrechte beslist dat de opgelegde administratieve boete geen schade is die verhaalbaar zou kunnen zijn op een partij die zelf geen boete heeft opgelopen (schending van de artikelen 1142, 1146, 1147 en 1149 van het Burgerlijk Wetboek, 3, 4, 18 en 26, eerste lid, van de wet van 21 december 1998). Derde onderdeel De administratieve geldboete, bedoeld in artikel 18 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, opgelegd in uitvoering van artikel 26, eerste lid, van deze wet aan de organisator van een voetbalwedstrijd die de verplichtingen voorgeschreven door of krachtens de artikelen 3 of 4 van deze wet niet naleeft, kan voor de organisator schade uitmaken die verhaalbaar is op degene die door zijn fout of nalatigheid de administratieve geldboete veroorzaakt heeft, ook al heeft deze laatste zelf geen boete opgelopen. Het bestreden vonnis heeft dan ook ten onrechte beslist dat de opgelegde administratieve boete geen schade is die verhaalbaar zou kunnen zijn op een partij die zelf geen boete heeft opgelopen (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 3, 4, 18 en 26, eerste lid, van de wet van 21 december 1998).
  9. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden vonnis verklaart de vorderingen van de eiseres om de tweede tot en met de zesde verweersters te veroordelen om tussen te komen in het geding en om de eiseres volledig te vrijwaren en te vergoeden voor alle veroordelingen die tegenover de eiseres zouden worden uitgesproken, ontoelaatbaar op de volgende gronden: ¿Onze rechtbank dient van het geschil kennis te nemen in hoger beroep en in laatste aanleg in het kader van een administratieve beslissing. Overeenkomstig artikel 812, §2, van het Gerechtelijk Wetboek kan een gedwongen tussenkomst niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep (ook de principes van de dubbele aanleg zouden dan worden geschonden). Bovendien is de opgelegde administratieve boete geen schade die verhaalbaar zou zijn op een partij die zelf geen boete heeft opgelopen. De eisen in tussenkomst en vrijwaring (¿) zijn dus ontoelaatbaar¿. Grieven De eiseres vorderde in haar synthesebesluiten in ondergeschikte orde, indien de politierechter zou oordelen dat hij niet bevoegd was om kennis te nemen van de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring, om het vonnis gemeen te verklaren aan de tweede tot en met de zesde verweersters stellende dat het immers niet opgaat dat deze partijen later zouden aanvoeren dat het te wijzen vonnis hen niet tegensprekelijk is wegens de relativiteit van het gezag van gewijsde en stellende dat de vordering in tussenkomst en gemeenverklaring bovendien in elke stand van het geding kan worden ingesteld zodra een partij er belang bij heeft dat een te wijzen beslissing tegenwerpelijk wordt gemaakt aan een derde zodat niets de gemeenverklaring van het vonnis in de weg staat (zie de syntheseconclusie van eiseres, neergelegd op 12 januari 2004, p. 6, litt. c en p. 7, eerste lid). In het beschikkend gedeelte van haar synthesebesluiten herhaalde de eiseres haar vordering om de tweede tot en met de zesde verweersters te veroordelen om tussen te komen in het geding en om het tussen te komen vonnis opzichtens hen gemeen te verklaren (zie de syntheseconclusie van eiseres, neergelegd op 12 januari 2004, p. 17 en 18, randnr. 2.3, onder de titel ¿ondergeschikt¿). De Politierechtbank te Mechelen heeft in het bestreden vonnis nagelaten uitspraak te doen over deze vordering (schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek).
  10. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart het beroep ingesteld door eiseres tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie, Voetbal, meer bepaald van de waarnemend directeur-generaal bij de Algemene Rijkspolitie, van 9 oktober 2001, slechts gedeeltelijk gegrond, veroordeelt de eiseres voor de inbreuken, 4, 5, 6, 15, 24 en 34 tot een geldboete van 2.500,00 euro en legt aan de eiseres ondermeer de volgende termijn op: - inbreuk 4 dient verholpen te zijn voor 1 februari 2002; - inbreuk 32 (vervanging verlichtingsmasten) dient verholpen te zijn binnen de zes maanden na kennisgeving van de beslissing van 9 oktober 2001, op de volgende gronden: ¿Gelet op het feit dat de vastgestelde inbreuken voldoende bewezen zijn, op de aard en de ernst van deze inbreuken en op het feit dat aan eiseres een termijn werd toegekend om aan de gebreken te verhelpen, komt het aan de rechtbank billijk en gepast voor de administratieve boete te herleiden tot 2.500,00 euro¿. Grieven
  11. Eerste onderdeel De eiseres heeft in haar synthesebesluiten in verband met inbreuk 4 uitdrukkelijk en op geargumenteerde wijze aangevoerd dat volgens het proces-verbaal van 11 april 2001 de in artikel 52.5.4 van het ARAB voorgeschreven evacuatienorm niet zou worden gehaald in de business ruimte, tribune 2, terwijl bovendien de evacuatiedoorgangen beperkt worden doordat zij wegens een schuifsluiting in de tweede vleugel maar voor 50 pct. kunnen worden geopend, dat artikel 2, 8°, van de wet van 21 december 1998 de tribune echter definieert als volgt: Plaats, grenzend aan het speelveld, bestemd om zittende of staande toeschouwers te ontvangen, en die oplopende rijen of een of meer onbeweegbare elementen omvat. Dat artikel 3.3, §1, van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 2 juni 1999 bepaalt dat de breedte van de trappen, doorgangen en toegangen minstens 1,20 m. bedraagt, dat de totale nuttige breedte dient berekend op grond van het ARAB waarbij tevens dient rekening gehouden met de volgende reductiefactoren: Voor de nieuwe tribunes en de bestendig verbruikte evacuatiewegen onder deze tribunes: reductiefactor
  12. Dat het gegeven dat de kwestieuze ruimten overdekt en niet bestendig verlucht zijn, dus niet belet dat deze ruimten op grond van artikel 2, 8°, van de wet van 21 december 1998 als tribunes kunnen beschouwd worden en dat bijgevolg reductiefactor 3 kan toegepast worden, dat de kwestieuze ruimte in casu zonder twijfel als tribune dient beschouwd nu zij een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de rijen zitplaatsen ervoor en bijgevolg dient beschouwd als een integraal onderdeel van de tribune, dat de nieuwe tribune immers de zogenaamde seats en loges herbergt die uitsluitend bereikbaar zijn doorheen de restaurantruimte die uitsluitend kan betreden worden door personen met een geldig toegangsbewijs voor de daarachter gelegen tribune, dat ook na de wedstrijd enkel houders van een geldig toegangsticket voor de seats of de loges tot de betreffende ruimte worden toegelaten hetgeen inhoudt dat er in de kwestieuze ruimte en de tribune samen slechts evenveel personen kunnen aanwezig zijn als er zitplaatsen zijn in de daarachter gelegen tribune 2 waarbij de aanwezigen zich tijdens de wedstrijd in de tribune bevinden zodat er niet de minste twijfel kan over bestaan dat in casu de reductiefactor 3 ook geldt voor de kwestieuze ruimte nu deze reductiefactor anders alle belang verliest (zie de syntheseconclusie van de eiseres neergelegd op 12 januari 2004, p. 10-12, litt. a). Het bestreden vonnis heeft de eiseres veroordeeld tot een geldboete van 2.500,00 euro en heeft aan de eiseres een termijn opgelegd tot 1 februari 2002 om te verhelpen aan inbreuk 4, zonder te antwoorden op de syntheseconclusies waarin de eiseres op gemotiveerde wijze staande hield dat de kwestieuze ruimten voldeden aan de gestelde evacuatienormen (schending van artikel 149 van de Grondwet).
  13. Tweede onderdeel De eiseres heeft in haar synthesebesluiten in verband met inbreuk 32 uitdrukkelijk en op geargumenteerde wijze aangevoerd dat deze inbreuk volgens de beslissing van 9 oktober 2001 dient verholpen door de aanwezige verlichtingsmasten te vervangen binnen de zes maanden na kennisgeving van die beslissing, dat deze beslissing echter genomen werd op grond van een louter visuele controle zonder fundamenteel onderzoek naar de stabiliteit van de kwestieuze verlichtingsmasten, dat het nochtans past terzake een grondig onderzoek uit te voeren alvorens de vervanging van de lichtmasten aan de eiseres op te leggen vermits deze vervanging een zeer belangrijke investering vergt, dat de eiseres naar aanleiding van het proces-verbaal van 11 april 2001 reeds verwees naar het technisch verslag van Seco - zijnde een technisch controlebureau voor het bouwwezen - van 14 juli 1998 waaruit is gebleken dat mits de behandeling van de metalen ladders tegen roestvorming, de betonnen verlichtingsmasten zelf voldoen aan de voorgeschreven veiligheidsvoorschriften, dat de eiseres na de visuele inspectie door de eerste verweerder een nieuwe keuring door Seco bevolen heeft teneinde een gefundeerde beslissing te kunnen nemen, dat deze keuring in tegenstelling tot de keuring van de eerste verweerder, gebeurde met inbegrip van het uitvoeren van de nodige metingen en boringen en dat het aangestelde ingenieursbureau in haar verslag van 25 maart 2002 tot het volgende besluit is gekomen: - de algemene stabiliteit van de lichtmasten is normaal; - om lokale foutjes te verhelpen (boorgaatjes, pluggen, kabelgoten, naakte wapening, verwering) en de rest van de constructie voor een langere periode te vrijwaren is het aangewezen om een beschermde coating op mortelbasis aan te brengen; - in de toekomst dient men te vermijden dat er bijkomende boringen en gaten worden uitgevoerd in de masten. Om de bekabeling naar boven te brengen kan bijvoorbeeld de ladders gebruikt worden als basis; - er is volgens ons inziens geen enkele technische reden waarom de lichtmasten vervangen moeten worden. Op grond van dit verslag stelde de eiseres dat het dan ook duidelijk is dat de vervanging van de lichtmasten volkomen ten onrechte werd bevolen, dat de eerste verweerder dit verslag van een onafhankelijk ingenieursbureau tracht te weerleggen op grond van twee ¿bijkomende nota's¿ waarvan de herkomst en de wetenschappelijke waarde zeer vaag blijven, waarvan de auteur met vele vragen worstelt, waarvan de auteur voortgaat op herinneringen en niet op wetenschappelijke vaststellingen en dit terwijl het verslag van Seco van 25 maart 2002 aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, zodat het beroep van de eiseres dan ook gegrond dient verklaard en dat er minstens een deskundig onderzoek dient bevolen ten einde door middel van een grondige studie met behulp van proefnemingen na te gaan of de lichtmasten in het stadion voldoende veilig zijn dan wel dienen vervangen te worden (syntheseconclusie van de eiseres, neergelegd op 12 januari 2004, vanaf p. 13, litt. f, inbreuk 32 tot en met het eerste lid van p. 16 en het beschikkend gedeelte van deze conclusies, meer bepaald p. 18, randnr. 3.1.2). De politierechter heeft de eiseres in het bestreden vonnis veroordeeld om de verlichtingsmasten te vervangen binnen de zes maanden na de kennisgeving van de beslissing van 9 oktober 2001 zonder te antwoorden op deze omstandige gemotiveerde conclusies (schending van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde middel Eerste onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel
  14. De eerste verweerder voert aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang in zoverre de eiseres opkomt tegen de beslissing waarbij haar mede ingevolge het bewezen verklaren van ¿inbreuk 4¿, een administratieve geldboete van 2.500,00 euro wordt opgelegd, omdat die boete gerechtvaardigd blijft door het bewezen verklaren van de vijf andere inbreuken, waartegen de eiseres geen kritiek aanvoert.
  15. De eiseres werd veroordeeld, enerzijds, tot een administratieve geldboete van 2.500,00 euro op grond van 6 inbreuken waaronder ¿inbreuk 4¿ en, anderzijds, om de onregelmatige toestand ingevolge, onder meer, ¿inbreuk 4¿ te verhelpen. In het onderdeel komt de eiseres niet alleen op tegen de veroordeling voor de ¿inbreuk 4¿ als dusdanig, maar tegelijk ook tegen de verplichting om de onregelmatige toestand ingevolge die inbreuk te verhelpen.
  16. Gezien de beslissing die de eiseres verplicht om te verhelpen aan de onregelmatige toestand die voortvloeit uit de veroordeling wegens de inbreuk als dusdanig, heeft zij belang om ook op te komen tegen de beslissing waarbij haar een administratieve geldboete van 2500,00 euro wordt opgelegd voor alle vastgestelde inbreuken samen. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Het onderdeel zelf
  17. De eiseres heeft het in het onderdeel bedoelde verweer gevoerd. De bestreden beslissing beantwoordt dat verweer niet. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  18. De eiseres is in het bestreden vonnis tevens veroordeeld om de onregelmatige toestand ingevolge ¿inbreuk 32¿ te verhelpen.
  19. De eiseres heeft dienaangaande het in het onderdeel weergegeven verweer gevoerd. De politierechter heeft dit verweer niet beantwoord. Het onderdeel is gegrond. Eerste middel Eerste onderdeel
  20. Krachtens artikel 31, §1, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, kan de overtreder die de beslissing van de in artikel 26, §1, eerste lid, bedoelde ambtenaar betwist, bij verzoekschrift, beroep aantekenen bij de politierechtbank. Krachtens het tweede lid van diezelfde bepaling, staat tegen de beslissing van de politierechtbank geen hoger beroep open. Artikel 601ter, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de politierechtbank kennisneemt van het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie door voormelde ambtenaar voor feiten omschreven in de wet van 21 december
  21. De aldus bepaalde mogelijkheid om tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie beroep in te stellen bij de politierechter, staat niet gelijk met een hoger beroep in de zin van de artikelen 616 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat artikel 812, tweede lid, van hetzelfde wetboek, dat bepaalt dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep, niet toepasselijk is in het raam van het voormelde beroep bij de politierechtbank.
  22. De politierechter, die oordeelt dat hij van het geschil kennisneemt in hoger beroep en in laatste aanleg en bij toepassing van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de vorderingen tot tussenkomst en vrijwaring als ¿ontoelaatbaar¿ afwijst, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  23. Krachtens artikel 1142 van het Burgerlijk Wetboek, wordt iedere verbintenis om iets te doen of niet te doen opgelost in schadevergoeding, ingeval de schuldenaar de verbintenis niet nakomt. Deze bepaling sluit niet uit dat de vergoedingsverplichting zich kan uitstrekken tot een administratieve geldboete die, krachtens artikel 18 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, kan worden opgelegd aan de organisator van een nationale voetbalwedstrijd of van een internationale voetbalwedstrijd of aan de overkoepelende sportbond die de in de wet bedoelde verplichtingen niet naleeft.
  24. De politierechter stelt vast dat de eiseres ¿de vennootschappen die belast waren met de studie en uitvoering der werken¿ in tussenkomst en vrijwaring heeft gedagvaard. De politierechter gaat er zodoende van uit dat de verhouding tussen de eiseres enerzijds, en de tot tussenkomst en vrijwaring gedagvaarde vennootschappen anderzijds, contractueel is.
  25. De politierechter die de vorderingen tot tussenkomst en vrijwaring als ¿ontoelaatbaar¿ afwijst omdat ¿de opgelegde administratieve boete geen schade (is) die verhaalbaar zou zijn op een partij die zelf geen boete heeft opgelopen¿, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  26. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het uitspraak doet over de inbreuken 4 en 32, de eiseres veroordeelt tot een administratieve geldboete van 2.500,00 euro, de vorderingen tot tussenkomst en vrijwaring ontoelaatbaar verklaart, nalaat uitspraak te doen over de vordering tot gemeenverklaring en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Politierechtbank te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig april tweeduizend en zeven uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.