← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.3 Rolnummer: C.06.0097.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 762 - laatst gezien 2026-07-03 23:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Tussenkomst is een incident in een reeds aangangig geding. Thesaurus CAS: TUSSENKOMST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tussenkomst Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 15 en 16 Fiche 2 De akte waarin de vrijwillige tussenkomst geschiedt maakt geen akte van rechtsingang uit. Thesaurus CAS: TUSSENKOMST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tussenkomst Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Vrijwillige tussenkomst - Akte waarin de vrijwillige tussenkomst geschiedt - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 15, 16, en 813, eerste lid Fiche 3 Het verzoekschrift waarin de vrijwillige tussenkomst geschiedt, moet niet aan dezelfde voorwaarden voldoen als een gedinginleidend verzoekschrift

(1).
(1)Zie S. CNUDDE, "Tussengeschillen voortvloeiend uit de wijziging van de partijen en hun aanspraken", in E. BREWAEYS (ed.), Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, II, Mechelen, Kluwer, af. 5 (juni 2004), p. VII.3-42, nr 27030; P. THION, "De tegenvordering en de vordering tot tussenkomst", in Goed procesrecht - goed procederen, XXIXe postuniversitaire cyclus Willy Delva 2002-2003, Mechelen, Kluwer, 2004, pp. 288-289. Thesaurus CAS: TUSSENKOMST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tussenkomst Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Vrijwillige tussenkomst - Verzoekschrift - Vormvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 15, 16, en 813, eerste lid Fiche 4 Wanneer een partij vrijwillig is tussengekomen in het geding, conclusies neemt ten aanzien van de andere partijen en zich verdedigt ten aanzien van de andere partijen die tegen haar, nog voor zij tussenkwam in het geding, hebben geconcludeerd en vorderingen ingesteld, en de partijen vervolgens voor de rechter verschijnen om een vonnis te vragen zonder op te werpen dat de voortijdige vordering op die grond niet ontvankelijk zou zijn, vermag de rechter uitspraak te doen over die vordering
(1).
(1)Zie Cass., 22 okt. 2004, AR C.02.0518.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.19, nr
  1. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tussenkomst Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Rechtsingang - Tussenvordering tussen partijen in het geding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 809 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0097.N
  2. HANNOVER INTERNATIONAL, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 65, bus 11,
  3. DAIMLER CHRYSLER FINANCIAL SERVICES, naamloze vennootschap, met zetel te 1800 Vilvoorde, Luchthavenlaan 27, die in de rechten en plichten treedt van de NV MB FINANCE CAR TECHNIC, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  4. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, voor wie optreedt de minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  5. V.E., verweerder,
  6. AGF BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, verweerster, minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 15 februari 2005 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 20 maart 2007 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan.
  7. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 13, 15, 16, 742, 745, 746, 813, 1034bis, 1034ter en 1034quater van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart de vorderingen van de eerste en de tweede verweerders tegen de eerste eiseres ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiseres aldus tot betaling aan de eerste verweerder van een bedrag van 25.608,49 euro in hoofdsom (meer interesten en gerechtskosten) en aan de tweede verweerder van een bedrag van 14.723,61 euro in hoofdsom (meer interesten en gerechtskosten), dit na de rechtsgeldigheid en tijdigheid van deze vorderingen te hebben gestoeld op de daaraan voorafgaande en als volgt gemotiveerde beslissing dat de vrijwillige tussenkomst van de eiseres rechtsgeldig was gebeurd bij op 31 januari 1997 neergelegde conclusie: ¿Zo in artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek weliswaar gesteld wordt dat vrijwillige tussenkomst ¿geschiedt bij verzoekschrift dat op straffe van nietigheid de middelen en conclusie bevat', dient vastgesteld te worden dat een dergelijk ¿verzoekschrift' niet dient te beantwoorden aan de vormvereisten voorzien voor het eenzijdig verzoekschrift (de artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek) noch van de bepalingen voorzien in artikel 1344bis van het Gerechtelijk Wetboek inzake huurgeschillen. Er bestaat in feite in het Gerechtelijk Wetboek geen wettelijke definitie van ¿verzoekschrift' noch van ¿conclusie' (artikel 741 van het Gerechtelijk Wetboek) zij het dat in artikel 742 van het Gerechtelijk Wetboek bepaald wordt dat conclusies opgestuurd of neergelegd dienen te worden (en volgens artikel 32 zoals gewijzigd bij wet van 20 oktober 2000 waarbij deze ¿neerlegging' ook bij fax of elektronische post kan gebeuren), terwijl besluiten ook bepaalde vermeldingen dienen in te houden (de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek) waaruit aldus blijkt dat een conclusie wel schriftelijk dient te gebeuren. Dit betekent dat een partij niet noodzakelijk alleen bij een afzonderlijke akte met bovenaan een aanhef of titel ¿verzoekschrift' vrijwillig kan tussenkomen maar dat een partij ook bij besluiten, opgesteld terzelfdertijd voor een (rechts)persoon die reeds partij is in het geschil, bij diezelfde besluiten vrijwillig kan tussenkomen voor zover dit duidelijk blijkt uit deze besluiten. Overeenkomstig artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek moet de vrijwillig tussenkomende partij immers noodzakelijkerwijze, op straffe van nietigheid, zijn middelen bij conclusie uiteenzetten zodat een tussenkomst bij conclusie mogelijk is. Het feit dat in het beschikkend gedeelte van dit besluitschrift (aldus zonder bovenaan een afzonderlijk aanhef (¿verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst'), maar waarbij onder de naam van een welbepaalde partij duidelijk vermeld wordt: ¿vrijwillig tussenkomende partij' is terzake niet relevant, nu, dergelijke vordering ingelast in deze besluiten niet noodzakelijkerwijze nogmaals herhaald dient te worden in het beschikkend gedeelte van dit geschrift dat een geheel uitmaakt (Cassatie, 30 september 1996, A.C., 1996, nr. 337). Zo vrijwillige tussenkomst niet voor de eerste maal, in graad van beroep kan gebeuren om een veroordeling te bekomen (artikel 812, tweede alinea, van het Gerechtelijk Wetboek) wordt in graad van eerste aanleg niet bepaald tot op welk ogenblik vrijwillige tussenkomst kan geschieden hetgeen in feite mogelijk is totdat de debatten gesloten worden en aldus ook na neerlegging van de besluiten, waarbij aldus aanvaard wordt dat de vrijwillig tussenkomende partij aanvaardt tussen te komen in dit geschil in de staat waarin het zich bevindt, met inbegrip van de vorderingen die bij besluiten reeds neergelegd werden jegens deze partij, naar analogie met artikel 819 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de hervatting van het geding (Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nr. 580, blz. 415). (¿) Nu in het geval terzake in de besluiten neergelegd op 31 januari 1997 voor de NV Thilly Van Eessel, alsmede voor Hannover en MB Finance telkens onder de naam van Hannover en van MB Finance vermeld werd ¿vrijwillig tussenkomende partij' duidelijk was dat deze beide partijen in het geding vrijwillig tussenkwamen, hetgeen overigens ook uit de verdere inhoud van dit besluitschrift bleek, ook al werd er niet uitdrukkelijk in het dispositief aan de politierechter akte gevraagd van hun vrijwillige verschijning, in de mate dat Hannover zich verweerde tegen de vordering van V. en dat MB Finance zelf een vordering instelde tegen AGF. In de mate Hannover rechtsgeldig vrijwillig tussengekomen was bij besluiten van 31 januari 1997, zoals hierboven beslist, was de vordering van het Vlaams Gewest bij besluiten van 7 juli 1997 rechtsgeldig en tijdig ingesteld tegen Hannover. Neerlegging van besluiten geldt als betekening (artikel 746 van het Gerechtelijk Wetboek) en V. had ook zijn besluiten al neergelegd en Hannover aanvaardde vrijwillig tussen te komen in dit debat waarin deze vordering jegens haar ingesteld werd¿. (bestreden vonnis p. 8 t/m p. 9, eerste alinea; p. 9, tweede alinea en p. 10, voorlaatste alinea). Grieven Artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek definieert de tussenvordering als iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken. Artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek handelt over de tussenvordering ertoe strekkende derden in het geding te betrekken waar het de tussenkomst definieert als een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding en die ertoe strekt, hetzij de belangen van die persoon te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen. Artikel 16 maakt een onderscheid tussen de vrijwillige tussenkomst, waarbij een derde opkomt om zijn belangen te verdedigen en de gedwongen tussenkomst, waarbij de derde in de loop van een rechtspleging door één of meer partijen wordt gedagvaard. Artikel 813 regelt de wijze waarop de vordering in tussenkomst wordt ingesteld. Het eerste lid heeft betrekking op de vrijwillige tussenkomst en bepaalt dat deze geschiedt bij verzoekschrift dat, op straffe van nietigheid, de middelen en conclusie bevat. Het tweede lid betreft de gedwongen tussenkomst, waarbij een onderscheid gemaakt wordt naargelang de vordering in tussenkomst gericht is tegen een derde, dan wel tegen partijen in het geding. In het eerste geval geschiedt de gedwongen tussenkomst bij dagvaarding, in het tweede geval kan zij bij gewone conclusies worden aangebracht. Uit artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dus dat de vrijwillige tussenkomst, anders dan de gedwongen tussenkomst die naargelang het geval, hetzij bij dagvaarding, hetzij bij gewone conclusies wordt ingesteld, bij verzoekschrift moet worden ingesteld. Met verzoekschrift wordt bedoeld een akte die, naar de vorm, in essentie moet beantwoorden aan de voorschriften die gelden voor het verzoekschrift op tegenspraak (artikelen 1034bis t/m 1034quater van het Gerechtelijk Wetboek), naar inhoud, de middelen ter ondersteuning van de tussenkomst en het besluit van de tussenkomende partij moet bevatten, en op het vlak van de kennisgeving tenslotte, zoals gewone conclusies, overeenkomstig de artikelen 742, 745 en 746 van het Gerechtelijk Wetboek aan de partijen moet worden meegedeeld en ter griffie moet worden neergelegd, waarbij de neerlegging geldt als betekening (artikel 746 Gerechtelijk Wetboek). Uit dit alles volgt dat de tussenkomende derde slechts op rechtsgeldige en dus ontvankelijk wijze partij wordt in het geding op het ogenblik waarop hij het bedoelde verzoekschrift, dat tevens de conclusie bevat, ter griffie heeft neergelegd. Een vordering die niet is ingesteld op de door de wet voorziene wijze, is niet rechtsgeldig ingesteld en dus niet ontvankelijk Niet naar vorm en inhoud beantwoordend aan het verzoekschrift bedoeld in artikel 813, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en dus niet van aard de vordering in vrijwillige tussenkomst aanhangig te maken, is de akte opgesteld in de vorm van een gewone conclusie die enkel onder de naam van de persoon in wiens naam de conclusie wordt neergelegd de vermelding ¿vrijwillige tussenkomst¿ draagt en die zich in het corpus en in het dispositief beperkt tot het voeren van verweer tegen een (voortijdige) vordering of tegen een tegen de oorspronkelijke verweerder ingestelde vordering, zonder ook maar ergens een vordering in tussenkomst te formuleren en de redenen van die vordering op te geven. Uit de stukken van de rechtspleging evenals uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat de eerste eiseres pas op 10 oktober 2000 een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst had neergelegd en op 31 januari 1997 slechts een conclusie had neergelegd waarin enkel onder de naam van de eerste eiseres gewag werd gemaakt van de vermelding ¿vrijwillig tussenkomende partij¿ (vonnis p. 8, onderaan) en waarin nergens werd aangegeven om welke redenen werd tussengekomen en nergens aan de rechtbank werd gevraagd akte te verlenen van de vrijwillige tussenkomst van de eiseres (vonnis p. 9, tweede alinea). Door desondanks te besluiten dat de eiseres op 31 januari 1997 partij geworden was in het geding en van dit besluit te vertrekken om de rechtsgeldigheid en tijdigheid van de vorderingen van de eerste en de tweede verweerder te beoordelen, miskent het bestreden vonnis de hoger vermelde regels inzake de wijze van instellen van de vordering in vrijwillige tussenkomst en schendt het dus de artikelen 13, 15, 16 , 742, 745, 746, 813 en 1034bis t/m 1034quater van het Gerechtelijk Wetboek. Minstens miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van de op 31 januari 1997 neergelegde conclusie van de eiseres en schendt het dus de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek door, zich steunend op de vermelding van ¿vrijwillig tussenkomende partij¿ onder de naam van de eiseres en op het gevoerde verweer tegen de (voorbarige) vordering van de tweede verweerder (vonnis p. 9, tweede alinea), in die conclusie een gemotiveerde vordering tot vrijwillige tussenkomst te lezen.
  8. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 13, 15, 16, 742 t/m 746, 809, 812, 813 en, voor zoveel als nodig, 815 t/m 819 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 34, §2, van de wet van 25 juni 1992 betreffende de landverzekerings-overeenkomst. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart de vordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eerste eiseres aldus tot betaling aan de tweede verweerder van een bedrag van 14.723,61 euro in hoofdsom (meer intresten en gerechtskosten), dit na de bij conclusie van 23 januari 1997 ingestelde vordering van de tweede verweerder rechtsgeldig en tijdig te hebben verklaard op grond van volgende motivering: ¿(¿) Zo vrijwillige tussenkomst niet voor de eerste maal, in graad van beroep kan gebeuren om een veroordeling te bekomen (artikel 812, tweede alinea, van het Gerechtelijk Wetboek) wordt in graad van eerste aanleg niet bepaald tot op welk ogenblik vrijwillige tussenkomst kan geschieden hetgeen in feite mogelijk is totdat de debatten gesloten worden en aldus ook na neerlegging van de besluiten, waarbij aldus aanvaard wordt dat de vrijwillig tussenkomende partij aanvaardt tussen te komen in dit geschil in de staat waarin het zich bevindt, met inbegrip van de vorderingen die bij besluiten reeds neergelegd werden jegens deze partij, naar analogie met artikel 819 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de hervatting van het geding (Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nr. 580, blz. 415). Nu in het geval terzake in de besluiten neergelegd op 31 januari 1997 voor de NV Thilly Van Eessel, alsmede voor Hannover en MB Finance telkens onder de naam van Hannover en van MB Finance vermeld werd ¿vrijwillig tussenkomende partij' duidelijk was dat deze beide partijen in het geding vrijwillig tussenkwamen, hetgeen overigens ook uit de verdere inhoud van dit besluitschrift bleek, ook al werd er niet uitdrukkelijk in het dispositief aan de politierechter akte gevraagd van hun vrijwillige verschijning, in de mate dat Hannover zich verweerde tegen de vordering van V. en dat MB Finance zelf een vordering instelde tegen AGF. In de mate V. enkele dagen ervoor een ¿besluit vrijwillige tussenkomst' neergelegd had, en hij op grond van artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek ook middelen en besluiten moest ontwikkelen, kon V., in de mate de andere bestuurder S. niet inzake was, logischerwijze enkel een vordering instellen tegen de verzekeraar en niet de makelaar op gevaar zelf ook rechtsplegingsvergoedingen te moeten betalen aan de makelaar Th. Van Eessel. Vragen dat de advocaten in volgorde besluiten opstellen en tussenvorderingen instellen naarmate de andere partijen hun besluiten met vrijwillige tussenkomst van nieuwe partijen reeds neergelegd hebben, zou van elk advocaat een voorafgaandelijk opzoekingswerk in het dossier of telefonisch via de griffie vergen en komt neer op een te letterlijke interpretatie van artikel 809 van het Gerechtelijk Wetboek, die bovendien niet op straffe van nietigheid (artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek) voorgeschreven is en daarbij geen rekening houdt met het feit dat alle partijen, vertegenwoordigd door hun advocaten naderhand (en hier zelfs twee maal) de zaak ten gronde gepleit hebben waarbij zodus V. tijdens zijn pleidooien zijn vordering ¿hernam' tegen Hannover net zoals MB Finance haar eigen vordering (en Hannover haar verweer) ook bij pleidooien hernam zoals ook het Vlaams Gewest haar beide vorderingen bij pleidooien ¿hernam'. Bovendien werd in het geval ter zake nadat MB Finance en Hannover na tussenvonnis een, volgens de rechtbank overbodig, ¿verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst' hadden neergelegd, deze zaak andermaal herpleit ten gronde, waarbij alle partijen jegens elkaar nogmaals voor zover als nodig hun wederzijdse vorderingen ¿hernamen'. Bovendien werd ook reeds na de eerste pleidooien op het zittingsblad van de politierechtbank geacteerd dat deze of gene advocaat optrad voor onder meer V., en voor Hannover en MB Finance, (net zoals dit ook na de tweede pleidooien zal gebeuren) en aldus de tussenkomst van deze vrijwillig tussenkomende partijen geacteerd. In de mate Hannover rechtsgeldig vrijwillig tussengekomen was bij besluiten van 31 januari 1997, zoals hierboven beslist, was de vordering van het Vlaams Gewest bij besluiten van 7 juli 1997 rechtsgeldig en tijdig ingesteld tegen Hannover. Neerlegging van besluiten geldt als betekening (artikel 746 van het Gerechtelijk Wetboek) en V. had ook zijn besluiten al neergelegd en Hannover aanvaardde vrijwillig tussen te komen in dit debat waarin deze vordering jegens haar ingesteld werd. (¿)¿ (bestreden vonnis p. 8, onderaan t/m p. 10, derde alinea en p. 10, voorlaatste alinea). Grieven Artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek definieert de tussenvordering als iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken. Personen die nog geen partij zijn in het geding kunnen erin betrokken worden door middel van de rechtspleging van de tussenkomst zoals gedefinieerd in de artikelen 15 en 16 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek regelt de wijze waarop de vordering in tussenkomst wordt ingesteld. Overeenkomstig artikel 813, eerste lid, geschiedt de vrijwillige tussenkomst bij verzoekschrift, terwijl de gedwongen tussenkomst overeenkomstig artikel 813, tweede lid, in de regel bij dagvaarding gebeurt. Artikel 809 van het Gerechtelijk Wetboek regelt de wijze waarop tussenvorderingen tussen partijen in het geding worden ingesteld. Aldus bepaalt artikel 809 van het Gerechtelijk Wetboek dat tussenvorderingen tussen partijen in het geding worden ingesteld bij conclusies die ter griffie worden neergelegd en aan de overige partijen worden overgelegd zoals bepaald is in de artikelen 742 tot 746 van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 746 van het Gerechtelijk Wetboek geldt de neerlegging ter griffie als betekening. Een vordering die niet is ingesteld op de door de wet voorziene wijze is niet rechtsgeldig ingesteld en dus niet ontvankelijk. De ontvankelijkheid van de vordering wordt beoordeeld op het ogenblik van het instellen van de vordering, dit is op het ogenblik waarop de conclusie overeenkomstig artikel 746 van het Gerechtelijk Wetboek ter griffie wordt neergelegd. Uit dit alles volgt dat een tussenvordering slechts op ontvankelijke wijze bij conclusie kan worden ingesteld, wanneer de persoon tegen wie de tussenvordering is gericht ten laatste op het ogenblik van de neerlegging van de conclusie op regelmatige wijze partij is geworden in het geding. Eerste onderdeel Zolang een persoon niet regelmatig partij is geworden in het geding, kan een tussenvordering tegen die persoon slechts bij dagvaarding in gedwongen tussenkomst worden ingesteld. Is derhalve niet ontvankelijk, de bij conclusie ingestelde tussenvordering tegen een persoon die pas na de neerlegging van de conclusie door (vrijwillige) tussenkomst partij wordt in het geding. Aan het voormelde wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de vordering wordt ingesteld tegen een persoon van wie na de oorspronkelijke dagvaarding is komen vast te staan dat deze, en niet de oorspronkelijk gedagvaarde persoon (in casu de NV Thilly Van Eessel), hoedanigheid en belang had bij het geschil. De rechtspleging van de (gedwongen of vrijwillige) tussenkomst is precies van aard aan deze situatie te verhelpen. Ook de omstandigheid dat de vordering wordt ingesteld door een persoon die zelf door vrijwillige tussenkomst partij wordt in het geding (in casu de tweede verweerder) en die in zijn verzoek tot vrijwillige tussenkomst de middelen en conclusie van zijn tussenkomst moet vermelden, doet evenmin afbreuk aan het hoger vermelde. Het instellen van een tussenvordering is uiteraard niet wat wordt bedoeld onder de in artikel 813, eerste lid, bedoelde ¿middelen en conclusie¿. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat de eerste eiseres ten vroegste op 31 januari 1997 (bij conclusie) en ten laatste op 10 oktober 2000 (bij verzoekschrift) in het geding is tussengekomen, terwijl de tweede verweerder al op 23 januari 1997 een conclusie had neergelegd waarin een vordering tegen de eerste eiseres was ingesteld en na die datum geen enkele conclusie meer heeft neergelegd. Hieruit blijkt dat de vordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres werd ingesteld op een ogenblik dat de eerste eiseres nog geen partij was in het geding. Door desondanks, verwijzend naar de verplichting voor de tweede verweerder om in zijn conclusie de middelen en conclusie van zijn verzoek in vrijwillige tussenkomst te vermelden (vonnis p. 9, derde alinea) en verwijzend naar een beweerde noodzaak tot niet-letterlijke interpretatie van artikel 809 Gerechtelijk Wetboek (vonnis p. 9, laatste alinea), te oordelen dat de op 23 januari 1997 bij conclusie ingestelde vordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres rechtsgeldig en ontvankelijk was, miskent het bestreden vonnis de hoger vermelde regels inzake het instellen van tussenvorderingen en schendt het dus de artikelen 13, 15, 16, 742 t/m 746, 809 en 813 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Een tussenvordering die op onregelmatige wijze tegen een derde is ingesteld, is onontvankelijk en kan niet ontvankelijk worden in de loop van het geding, ook niet doordat die derde nadien vrijwillig in het geding tussenkomt. Krachtens artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek impliceert de vrijwillige tussenkomst, onder voorbehoud van vrijwaring van het recht van verdediging, dat de vrijwillig tussenkomende partij het geding aanvaardt in de staat waarin het zich bevindt. De aanvaarding van het geding in de staat waarin het zich bevindt, staat echter niet gelijk met het aanvaarden van onontvankelijke vorderingen en kan niet tot gevolg hebben dat een oorspronkelijk onontvankelijke vordering ontvankelijk wordt, noch retroactief, noch op het ogenblik van de tussenkomst. Anders dan bij een gedinghervatting (de artikelen 815 t/m 819 van het Gerechtelijk Wetboek), komt de vrijwillig tussenkomende partij niet in de plaats van een procespartij die door overlijden of verandering van staat of wijziging van hoedanigheid uit het geding verdwijnt. Door, zich inspirerend op de regels van de gedinghervatting, te oordelen dat de eiseres door haar vrijwillige tussenkomst de (voorbarige) tussenvordering van de tweede verweerder heeft aanvaard en door zich (mede) hierop te steunen om die tussenvordering rechtsgeldig en ontvankelijk te beschouwen, schendt het bestreden vonnis de artikelen 13, 15, 16, 742 t/m 746, 809 en 813 van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het instellen van tussenvorderingen, artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek inzake de gevolgen van de vrijwillige tussenkomst, en, voor zoveel als nodig, de artikelen 815 t/m 819 van het Gerechtelijk Wetboek over de gedinghervatting. Derde onderdeel Een tussenvordering die op onregelmatige wijze tegen een derde is ingesteld, is onontvankelijk en kan niet ontvankelijk worden in de loop van het geding, ook niet door pleidooien in aanwezigheid van alle partijen. Weliswaar kan de tussenvordering ter gelegenheid van de pleidooien worden hernomen, doch dan wordt de vordering geacht op dat ogenblik te zijn ingesteld. Bovendien moet de tussenvordering, om op dat ogenblik rechtsgeldig te zijn ingesteld, voldoen aan het voorschrift van artikel 809 van het Gerechtelijk Wetboek. De vordering moet dus in een nieuwe conclusie worden neergelegd, minstens moet in het proces-verbaal van de zitting of in het vonnis melding worden gemaakt van een uitdrukkelijke mededeling van de betrokken partij dat zij haar oorspronkelijke (onregelmatig ingestelde) vordering herneemt. Door uit het enkele feit van de pleidooien af te leiden dat de tweede verweerder haar vordering tegen de eerste eiseres had hernomen, zonder vaststelling van een uitdrukkelijke mededeling hiervan (noch in de processen-verbaal van de terechtzitting, noch in het vonnis) en door zich (mede) hierop te steunen om de tussenvordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres rechtsgeldig en ontvankelijk te beschouwen, miskent het bestreden vonnis de regels inzake de wijze van instellen van tussenvorderingen en schendt het dus de artikelen 13, 742 t/m 746, 809 en 813 van het Gerechtelijk Wetboek. Zelfs indien het bestreden vonnis op wettige wijze tot herneming van de vordering zou hebben besloten - quod non - , dan nog miskent het bestreden vonnis de regels inzake het ogenblik van het instellen van tussenvorderingen en schendt het dus de artikelen 13, 742 t/m 746, 809 en 813 van het Gerechtelijk Wetboek, door de tussenvordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres ontvankelijk te achten vanaf de neerlegging van de conclusie van de tweede verweerder op 23 januari 1997 of minstens vanaf de (volgens het vonnis) geldige vrijwillige verschijning van de eiseres op 31 januari 1997 (vonnis p. 9, laatste alinea, p. 10, voorlaatste alinea en p. 13, dispositief waar de gerechtelijke intresten worden toegekend vanaf die datum) en door van voormelde tijdstip(pen) te vertrekken om de verjaring van de vordering te berekenen. Vierde onderdeel In de mate de motieven die een verwijzing inhouden naar de pleidooien van de tweede verweerder (waaruit de rechtbank afleidde dat de tweede verweerder zijn vordering tegen de eerste eiseres had hernomen) (p. 9, laatste alinea en p. 10, tweede alinea), naar het op 10 oktober 2000 neergelegde verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst van de eerste eiseres (p. 10, tweede alinea) en naar de vermelding op het zittingsblad dat advocaten voor de tweede verweerder en de eerste eiseres op de twee pleitzittingen waren opgetreden (waaruit de rechtbank afleidde dat hiermee ook de tussenkomst van die beide partijen was geacteerd), in die zin moeten worden gelezen dat de rechtbank van oordeel was dat de vordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres ontvankelijk was ingesteld op datum van de eerste pleidooien op 15 juni 2000 of minstens op datum van de tweede pleidooien op 19 april 2001, zijn deze motieven tegenstrijdig met de motieven waarin de rechtbank te kennen geeft dat de kwestieuze vordering reeds ontvankelijk was op het ogenblik van de neerlegging van de conclusie van de tweede verweerder op 23 januari 1997 of tenminste op het ogenblik van de (door het vonnis geldig verklaarde) vrijwillige tussenkomst van de eerste eiseres op 31 januari 1997 (vonnis p. 9, eerste alinea; p. 10, voorlaatste alinea en p. 13, dispositief, laatste alinea). Met deze tegenstrijdigheid in zijn motieven behept, is het bestreden vonnis niet regelmatig gemotiveerd en houdt het dus schending in van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Vijfde onderdeel In de mate de motieven van het bestreden vonnis niet toelaten met voldoende zekerheid uit te maken of de rechtbank de vordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres ontvankelijk heeft geacht op het ogenblik waarop ze bij conclusie van 23 januari 1997 was ingesteld (zie p. 9, derde en laatste alinea), op het ogenblik waarop de eerste eiseres de vordering in haar conclusie van 31 januari 1997 zou hebben aanvaard (zie p. 9, eerste alinea; p. 10, voorlaatste alinea en p. 13, dispositief waarin de gerechtelijke intresten vanaf voormelde datum worden toegekend), op het ogenblik waarop de partijen via hun advocaten op de eerste zitting van 15 juni 2000 zijn verschenen en hebben gepleit (p. 9, laatste alinea en p. 10, tweede en derde alinea), of nog op het ogenblik waarop de partijen op de tweede zitting, en dus na het verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst van de eerste eiseres van 10 oktober 2000, hebben gepleit (p. 10, tweede alinea), maakt het bestreden vonnis het niet mogelijk de wettigheid te toetsen van het vonnis, noch op het vlak van de rechtsgeldigheid van de vordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres, noch op het vlak van de verjaring. Derhalve houdt het bestreden vonnis schending in van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet evenals van de artikelen 746, 809 en 813 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 34, §2, van de wet van 25 juni 1992 betreffende de landverzekeringsovereenkomst.
  9. Derde middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart de vorderingen van de eerste en de tweede verweerders tegen de eerste eiseres ontvankelijk en gegrond, veroordeelt de eerste eiseres aldus tot betaling aan de eerste verweerder van een bedrag van 25.608,49 euro in hoofdsom (meer interest en gerechtskosten) en aan de tweede verweerder van een bedrag van 14.723,61 euro in hoofdsom (meer interest en gerechtskosten), en verklaart de vordering van de tweede eiseres tegen de verweerders gericht ongegrond, dit na de heer S. alleen en volledig aansprakelijk te hebben gesteld voor het ongeval op grond van de volgende motieven : ¿Uit de hierboven geciteerde verklaringen van beide bestuurders blijkt dat elke bestuurder beweert dat het verkeerslicht op de groene fase stond voor hem. Er zijn (geen) getuigen van dit ongeval bekend, ondanks het feit dat V. schreef dat hij niet alleen 5 of 6 wagens volgde voor wie het licht ook voor hun rijrichting op groen gesprongen was zodat hij deze wagens gewoon volgde, maar dat hij ook door een aantal tegenliggers gekruist werd; geen van deze bestuurders, voor zover één ervan dit ongeval gezien had, maakten zich bekend. De bewering op grond van de laatste verklaring van V. aan de politierechter dat er voor hem nog 5 à 6 wagens waren zodat in de mate het groen werd, na een voorafgaandelijk rode fase, voor deze 5 à 6 wagens, het noodzakelijkerwijze opnieuw rood werd voor V. wordt niet bewezen. De tijdschema van de verkeerslichten zoals toen werkzaam wordt niet neergelegd, maar beweren dat op een dergelijke belangrijke as als de Bergensesteenweg er slechts een 6-tal wagens na stilstand, door een groen verkeerslicht kunnen rijden, blijkt niet realistisch. Er wordt ook in hoofde van V. geen inbreuk op artikel 61.1.
  10. van de Wegcode bewezen, evenmin als dit bewezen voorkomt in hoofde van de heer S.. Ten onrechte wordt door V. opgeworpen dat de Bergensesteenweg een voorrangsbaan is en dat in de mate S. zelf beweert dat hij zijn wagen opnieuw bij de groene fase in beweging bracht hij een manoeuvre in de zin van artikel 12.4 van de Wegcode uitvoerde en voorrang verschuldigd was aan de andere weggebruikers. Er waren inderdaad op dit kruispunt verkeerstekens (B9 voorrangsweg aan de Bergensesteenweg en B5 (stop) aan de Van Cotthemstraat), maar overeenkomstig artikel 6.3 van de Wegcode gelden de verkeersborden betreffende de voorrang niet op de kruispunten die geregeld worden door verkeerslichten (tenzij het enkel oranjeknipperlichten betreft). De normale werking van de verkeerslichten kon niet nagegaan worden, beide bestuurders hebben het over een rode en nadien groene fase, zodat de verkeerslichten blijkbaar normaal functioneerden zodat artikel 6.3, eerste lid, van de wegcode toepasselijk blijft. Anderzijds, is de regel volgende dewelke verkeerstekens boven verkeersregels gaan (artikel 6.2, van de Wegcode) enkel begrijpelijk wanneer er een tegenstrijd voorhanden is tussen de verkeersignalisatie (waartoe ook de verkeerslichten behoren) en de verkeersregels (Cassatie, 6.02.1985, R.W., 1985-86, 1572). Artikel 14.2 van de Wegcode blijft toepasselijk. Meer bepaald diende S. bij, volgens hem groen verkeerslicht, voorrang te verlenen aan V. die reeds 18 meters afgelegd had na de stopstreep voor zijn eigen verkeerslichten. Door volgens S. zijn wagen in gang te brengen na een rode fase van een verkeerslicht zonder aldus rekening te houden met de nog aanwezige voertuigen op dit kruispunt, werd door S. een inbreuk gepleegd op artikel 14.2 van de Wegcode, fout die in oorzakelijk verband staat met het ongeval¿ (bestreden vonnis p. 11 t/m p. 12, eerste alinea). Grieven In hun op 21 januari 2004 neergelegde ¿samenvattende beroepsconclusie¿ hadden de eiseressen aangevoerd dat de tweede verweerder aansprakelijk was voor het ongeval wegens een dubbele inbreuk, enerzijds, een inbreuk op artikel 61.1.1°, van het Wegverkeersreglement (door het rood licht rijden) en anderzijds een inbreuk op artikel 12.2 van het Wegverkeersreglement (niet de dubbele voorzichtigheid aan de dag leggen vooraleer het kruispunt op te rijden). Aldus hadden de eiseressen, na de inbreuk op artikel 61.1.1° te hebben toegelicht, als volgt geconcludeerd over de inbreuk op artikel 12.2 van het Wegverkeersreglement: ¿Overwegende dat zelfs al was het verkeerslicht voor de heer V. groen, quod non, dan nog had hij de verplichting een dubbele voorzichtigheid in acht te nemen bij het oprijden van het kruispunt. Dat het groene verkeerslicht, die een toelating en niet een verplichting geeft aan bestuurders om dit verkeerssignaal voorbij te rijden, bestuurders niet vrijstelt van de verplichting tot naleving van de regels van dubbele voorzichtigheid die gelden zo men een kruispunt oprijdt¿. (samenvattende conclusie eiseressen p. 11, derde en vierde alinea). Ook de eerste verweerder - met wie de eiseressen op het punt van de aansprakelijkheid van de tweede verweerder gelijklopende belangen hebben - had in zijn op 10 augustus 2003 gedateerde ¿conclusie in hoger beroep¿ de aansprakelijkheid van de tweede verweerder ingeroepen. Ook de eerste verweerder had de aansprakelijkheid van de tweede verweerder gesteund op een inbreuk op de artikelen 61.1.1° en 12.2 van het Wegverkeersreglement, maar ook op artikel 10.1.3° van het Wegverkeersreglement (het niet kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis). Aldus had de eerste verweerder met betrekking tot de inbreuken op de artikelen 12.2 en 10.1.3° van het Wegverkeersreglement als volgt geconcludeerd: ¿Het is onbetwistbaar dat de heer V. artikel 10.1.3., 12.2 en 61.1.
  11. van het wegverkeersreglement heeft geschonden, evenals artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. De heer V. verklaarde over de aanrijding het volgende: ¿Ik bereed de Steenweg op Bergen in de richting van Halle en reed aan een snelheid van 40 à 50 km/u. Op het ogenblik dat ik de verkeerslichten die op faze groen stonden, voorbij reed en op het kruispunt kwam, kwam een bestelwagen uit de Van Cotthemstraat gereden op de Bergensesteenweg¿. Uit deze verklaring die onmiddellijk na het ongeval werd afgelegd blijkt dat de heer V. geen bijzonder voorzichtigheid aan de dag heeft gelegd bij het oprijden van het kruispunt. Krachtens een vaste rechtspraak zijn de bestuurders die geen bijzondere aandacht - dubbele voorzichtigheid - aan de dag leggen bij het oprijden van een kruispunt aansprakelijk voor de ongevallen die het gevolg zijn van dit foutief nalaten: ¿Luidens artikel 12.2 van de Wegcode dient elke bestuurder die een kruispunt oprijdt dubbel voorzichtig te zijn teneinde alle ongevallen te voorkomen; deze verplichting geldt ook op een kruispunt uitgerust met verkeerslichten, en zulks ongeacht de stand van die lichten¿. (Cass., Damschotter / De Almeida Pereirae, 18 oktober 1994, Verkeersrecht 1995, 34; Arr. Cass. 1994, 853; Pas. 1994, I, 835). (¿) Waar het groene verkeerslicht de toelating geeft aan de bestuurder om dit verkeerssignaal voorbij te rijden, stelt hem dit niet vrij van de naleving van de regels van voorzichtigheid, meer nog het Wegverkeersreglement legt aan de bestuurder een dubbele voorzichtigheid op wanneer hij een kruispunt oprijdt. Bestuurders die een kruispunt oprijden - zoals de heren V. en S. - zijn niet ontslagen van de verplichting tot bijzondere voorzichtigheid die door het wegverkeersreglement is voorgeschreven. De overtreding ervan levert een fout op (zie o. a. Cass., D./F. en Axa Royale Belge, 23 juni 2000, Verkeersrecht 2000, 383; Verkeersrecht 2001, afl. 6, 254). Indien de heer V. als een normaal voorzichtig autobestuurder bij het oprijden/oversteken van het kruispunt niet alleen zijn aandacht zou hebben gericht op het voor hem liggend weggedeelte, maar ook op het verkeer dat de door hem gevolgde rijweg dwarste, zou de aanrijding nooit plaatsgevonden hebben. De heer V. heeft reeds vóór het oversteken van het kruispunt, de andere bestuurder, de heer S., opgemerkt of moest deze opmerken zodat deze voor hem een voorziene hindernis vormde en zijn gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg een inbreuk uitmaakt op artikel 10.1.3 van het Wegverkeersreglement (de verplichting om te kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis). De fout van de heer V. staat in oorzakelijk verband met de aanrijding en de schadelijke gevolgen ervan voor concluante. Bijgevolg is de heer V. aansprakelijk voor de beschadigingen aan het openbaar domein op grond van onder andere de artikelen 10.1.3, 12.2 en 61.1.
  12. van het Wegverkeersreglement en 1382 van het van het Burgerlijk Wetboek, en is zijn verzekeraar wettelijk gehouden om de aldus door haar verzekerde veroorzaakte schade te vergoeden¿. (conclusie Vlaams Gewest p. 4, midden t/m p. 5, laatste alinea). In verband met de aansprakelijkheid van de tweede verweerder is in het bestreden vonnis enkel een weerlegging te vinden van de aangevoerde inbreuk op artikel 61.1.1° (negeren van het rode licht) (p. 11, tweede alinea). Nergens maakt het bestreden vonnis echter gewag van of weerlegt het de eveneens ingeroepen inbreuken op artikel 12.2 en 10.1.3° van het Wegverkeersreglement. Bij gebrek aan antwoord op deze concrete middelen uit de conclusie van de eiseressen en van de tweede verweerder, is het bestreden vonnis niet regelmatig gemotiveerd en schendt het dus artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  13. Overeenkomstig artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek is de tussenkomst een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding en die ertoe strekt hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen. Overeenkomstig artikel 16 van het Gerechtelijk Wetboek is de tussenkomst hetzij, vrijwillig, wanneer de derde opkomt om zijn belangen te verdedigen hetzij, gedwongen, wanneer de derde in de loop van een rechtspleging gedagvaard wordt door een of meer partijen. Overeenkomstig artikel 813, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt de vrijwillige tussenkomst bij verzoekschrift, dat op straffe van nietigheid de middelen en conclusie bevat.
  14. Uit die bepalingen volgt dat de tussenkomst een incident is in een reeds aanhangig geding, zodat de akte waarin de vrijwillige tussenkomst geschiedt geen akte van rechtsingang uitmaakt. Hieruit volgt tevens dat het verzoekschrift waarbij de vrijwillige tussenkomst geschiedt niet aan dezelfde voorwaarden moet voldoen als een gedinginleidend verzoekschrift.
  15. Het middel dat ervan uitgaat dat, om ontvankelijk te zijn, de vorm waarin de vrijwillige tussenkomst wordt geformuleerd, dient te beantwoorden aan de voorschriften inzake het verzoekschrift op tegenspraak als gedinginleidende akte, faalt naar recht.
  16. Voor het overige geeft het bestreden vonnis geen uitlegging van de in het middel bedoelde conclusie, maar beoordeelt het de juridische gevolgen ervan, zodat het de bewijskracht van die conclusie niet miskent. Het middel mist feitelijke grondslag in zoverre het miskenning van bewijskracht van akten aanvoert. Tweede middel Eerste onderdeel
  17. Wanneer een partij vrijwillig is tussengekomen in het geding, conclusies neemt ten aanzien van de andere partijen en zich verdedigt ten aanzien van de andere partijen die tegen haar, nog voor zij tussenkwam in het geding, hebben geconcludeerd en vorderingen ingesteld, en de partijen vervolgens voor de rechter verschijnen om een vonnis te vragen zonder op te werpen dat de voortijdige vordering op die grond niet ontvankelijk zou zijn, vermag de rechter uitspraak te doen over die vordering.
  18. Het onderdeel dat er van uitgaat dat een bij conclusie ingestelde tussenvordering tegen een partij die pas nadien ingevolge een vrijwillige tussenkomst partij is geworden in het geding zonder meer niet ontvankelijk is, faalt naar recht. Tweede en derde onderdeel
  19. De beide onderdelen gaan uit van de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde stelling dat de tussenvordering niet ontvankelijk is. De beide onderdelen zijn mitsdien niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  20. Het onderdeel gaat er van uit dat het bestreden vonnis oordeelt dat de vordering van de tweede verweerster tegen de eerste eiseres ontvankelijk werd ingesteld op de datum van de pleidooien voor de eerste rechter. Het bestreden vonnis bevat dergelijk oordeel niet. Het onderdeel berust derhalve op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, zodat het feitelijke grondslag mist. Vijfde onderdeel
  21. Het bestreden vonnis overweegt: ¿Nu in het geval terzake in de besluiten neergelegd op 31 januari 1997 voor de NV Thilly Van Eessel, alsmede voor Hannover en MB Finance telkens onder de naam van Hannover en van MB Finance vermeld werd ¿vrijwillig tussenkomende partij' duidelijk was dat deze beide partijen in het geding vrijwillig tussenkwamen, hetgeen overigens ook uit de verdere inhoud van dit besluitschrift bleek, ook al werd er niet uitdrukkelijk in het dispositief aan de politierechter akte gevraagd van hun vrijwillige verschijning, in de mate dat Hannover zich verweerde tegen de vordering van V. en dat MB Finance zelf een vordering instelde tegen AGF¿. Aldus geven de appelrechters te kennen dat de vordering van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres ontvankelijk dient geacht op 31 januari
  22. In zoverre het onderdeel er van uitgaat dat niet met voldoende zekerheid kan uitgemaakt worden op welke datum het bestreden vonnis de vordering van de tweede verweerder tegen de eerste verweerster ontvankelijk heeft geacht zodat het Hof niet vermag de wettigheid van het bestreden vonnis te toetsen, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  23. Voor het overige is het onderdeel geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet en is het in zoverre niet ontvankelijk. Derde middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
  24. De eerste verweerder voert aan dat het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is in zoverre het tegen hem gericht is omdat het niet kan leiden tot de vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre het zijn vordering tegen de eerste eiseres gegrond heeft verklaard.
  25. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eerste verweerder de vergoeding heeft gevorderd in solidum ten laste van de eerste eiseres, verzekeraar van het voertuig bestuurd door S., en de derde verweerster, verzekeraar van de tweede verweerder. In die omstandigheden heeft de eerste eiseres er belang bij om, ook ten aanzien van de eerste verweerder wat diens schade betreft, te laten vaststellen dat de tweede verweerder tevens een fout heeft begaan die, naast de vaststaande fout van S., mede de oorzaak is van die schade. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Het middel zelf
  26. Het in het middel bedoelde verweer werd voor de appelrechters gevoerd en, in zoverre dat verweer in de conclusies van de eerste verweerder werd gevoerd hadden de eiseressen hierbij belang. Het bestreden vonnis beantwoordt dat verweer niet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre het de hogere beroepen en de vrijwillige tussenkomsten ontvankelijk verklaart, en vaststelt dat bestuurder S. een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met het ongeval. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiseressen tot twee derden van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zetelend in hoger beroep. De kosten begroot op de som van 561,24 euro jegens de eisende partijen en op de som van 278,98 euro jegens de verwerende partij sub
  27. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig april tweeduizend en zeven uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120907.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240104.1N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.