← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.4 Rolnummer: C.06.0321.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 184 - laatst gezien 2026-07-03 06:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De mogelijkheid voor de Vlaamse regering om overeenkomstig het artikel 37 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu aan de Vlaamse Landmaatschappij een machtiging te verlenen om in haar naam, voor haar rekening en volgens de door haar gestelde voorwaarden het recht van voorkoop uit te oefenen en het in uitvoering daarvan genomen artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 hebben betrekking op alle wettelijke modaliteiten die met de uitoefening van het recht van voorkoop gepaard gaan, zo ook op het instellen van de vordering tot indeplaatsstelling in geval van verkoop met miskenning van het recht van voorkoop; deze mogelijkheid tot machtiging strekt zich dus ook uit tot die vordering tot indeplaatsstelling. Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Recht voorkoop Vrije woorden: Milieurecht - Natuurbehoud - Voorkooprecht van het Vlaams Gewest - Vordering bij miskenning van het voorkooprecht - Machtiging door de Vlaamse Regering aan de Vlaamse Landmaatschappij Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 23-07-1998 - Art. 5 Decreet Vlaamse Raad - 21-10-1997 - Artt. 37, § 1, eerste en tweede lid, en 39 Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Recht voorkoop Vrije woorden: Natuurbehoud - Voorkooprecht van het Vlaams Gewest - Vordering bij miskenning van het voorkooprecht - Machtiging door de Vlaamse Regering aan de Vlaamse Landmaatschappij - Omvang - Vordering tot indeplaatsstelling Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 21-10-1997 - Artt. 37, § 1, eerste en tweede lid, en 39 Besluit Vlaamse Regering - 23-07-1998 - Art. 5 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0321.N

  1. V.E., en zijn echtgenote,
  2. M. M.,
  3. G.F., en zijn echtgenote,
  4. V. H. P., eisers, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  5. VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ, burgerlijke vennootschap in de vorm van een naamloze vennootschap, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Gulden-Vlieslaan 72,
  6. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Minister-President, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 maart 2007 verwezen naar de derde kamer. Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 33 en 159 van de Grondwet; - de artikelen 15, 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en het daarin gehuldigd algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen, ook het beschikkingsbeginsel genoemd, volgens welk die partijen de grenzen van het burgerlijk geschil bepalen; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 37, §1, en 39 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; - artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Aangevochten beslissing Na eerst te hebben geoordeeld dat de vrijwillige tussenkomst in het geding van de verweerder, die voor het eerst plaatsvindt in hoger beroep, niet strekt tot het verkrijgen van een veroordeling in de zin van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek nu deze partij het hof van beroep enkel verzocht haar akte te verlenen van het feit dat zij zich aansluit bij de argumenten van de verweerster, beslist het hof van beroep dat de rechtsvordering van de verweerster ontvankelijk is, op grond van volgende motieven: ¿Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid heeft om ze in te dienen. Het is vereist dat er een band is tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt. Die band is hier niet rechtstreeks aangezien (de verweerster) niet voor een eigen recht opkomt. Ze kan ook onrechtstreeks zijn. Krachtens artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 2 (lees: 23) juli 1998 treedt zij in naam en voor rekening van (de verweerder) op (onrechtstreekse band). (De verweerster) heeft wel degelijk bevoegdheid om te vorderen. Zij legt stukken voor, waaruit de machtiging blijkt. (De verweerder) vertegenwoordigd door (de verweerster), heeft dus de vordering ingesteld¿, en zegt het hof van beroep, na deze vordering gegrond te hebben verklaard, voor recht dat ¿(de verweerder), in naam en voor rekening van wie (de verweerster) optreedt, in de plaats dient te worden gesteld van (eisers sub 2)¿. Grieven Eerste onderdeel Artikel 37, §1, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu bepaalt dat de verweerder het recht van voorkoop heeft bij verkoop van onroerende goederen die gelegen zijn in bepaalde gebieden. Het hof van beroep stelt vast dat het voorwerp van de betwiste verkoop gelegen was in een dergelijk gebied dat aan het recht van voorkoop van de verweerder is onderworpen (bestreden arrest, blz. 6, derde alinea). Artikel 37, §1, tweede lid, van hetzelfde decreet bepaalt dat de Vlaamse regering aan de verweerster een machtiging kan verlenen om in haar naam, voor haar rekening en volgens de door haar gestelde voorwaarden dit voorkooprecht uit te oefenen. Artikel 39, eerste lid, van hetzelfde decreet bepaalt dat in geval van verkoop met miskenning van het recht van voorkoop van de verweerder, laatstgenoemde het recht heeft, ofwel in de plaats gesteld te worden van de koper, ofwel van de verkoper een schadevergoeding te eisen ten bedrage van 20 pct. van de verkoopprijs. Artikel 5 van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, bepaalt dat de Vlaamse regering de verweerster machtigt om in haar naam en voor haar rekening binnen de haar daartoe toegekende budgettaire perken het recht van voorkoop bedoeld in de artikelen 37, 38 en 39 van voormeld decreet uit te oefenen. Te dezen werd de vordering tot indeplaatsstelling, bedoeld in voormeld artikel 39 ingesteld door de verweerster, in naam en voor rekening van de verweerder. De bevoegdheid tot uitoefening van het recht van voorkoop, kan evenwel niet worden vereenzelvigd met de bevoegdheid om de vordering tot indeplaatsstelling in te stellen in geval van miskenning van het recht van voorkoop. Behoudens uitdrukkelijke andersluidende bepaling, houdt de bevoegdheid om het recht van voorkoop in naam en voor rekening van een andere partij uit te oefenen, immers niet de bevoegdheid in om ook in geval van miskenning van het recht van voorkoop, de vordering tot indeplaatsstelling in naam en voor rekening van die andere partij in te stellen. Voormeld decreet van 21 oktober 1997 bepaalt niet dat de Vlaamse regering de machtiging kan verlenen aan de verweerster om de vordering tot indeplaatsstelling uit te oefenen. In zoverre de machtiging van artikel 5 van voormeld besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 zo wordt gelezen dat hierin ook de machtiging wordt verleend tot het instellen van de vordering tot indeplaatsstelling, bedoeld in artikel 39 van voormeld decreet, moet deze bepaling buiten toepassing worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet. De appelrechter oordeelt niettemin dat de verweerster wel degelijk bevoegdheid heeft om de vordering in te stellen, en ¿stukken voorlegt waaruit de machtiging blijkt¿. Artikel 33 van de Grondwet staat er niet aan in de weg dat bepaalde bevoegdheden worden gedelegeerd, doch delegatie dient steeds uitdrukkelijk te gebeuren. De ¿stukken¿ van de verweerster bevatten evenwel kennelijk niet een dergelijke rechtsgeldige machtiging van de verweerder aan de verweerster. De eisers voegen bij deze voorziening de inventaris van het dossier dat de verweerster aan het hof van beroep heeft voorgelegd. Uit deze inventaris blijkt dat kennelijk enkel de stukken 9 en 10 van dat dossier in aanmerking zouden kunnen komen om een dergelijke machtiging in te houden. Stuk nr. 9 betreft een brief van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Natuur, van 29 juni 2001 aan de ¿provinciale afdeling Diest¿ van de verweerster. In deze brief wordt gesteld dat ¿Afdeling Natuur¿ gebruik wenst te maken van het recht van voorkoop van de verweerder voor de betrokken gronden. De brief is ondertekend door T. H., adjunct van de directeur. Deze brief kan kennelijk niet beschouwd worden als een machtiging van de verweerder aan de verweerster om de vordering tot indeplaatsstelling uit te oefenen. Stuk nr. 10 betreft een een brief van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Natuur-Limburg, van 2 oktober 2001 aan de verweerster. In deze brief wordt gesteld dat de ¿Afdeling Natuur¿ de verweerster verzoekt de indeplaatsstelling te vorderen met betrekking tot de litigieuze gronden. De brief is ondertekend door T. H., adjunct van de directeur. Uit geen enkel stuk blijkt dat de verweerder aan de heer H. de bevoegdheid heeft gedelegeerd om te beslissen of de vordering tot indeplaatsstelling wordt uitgeoefend. Ook dit stuk nr. 10 kan bijgevolg niet beschouwd worden als een geldige machtiging. Door te oordelen dat de vordering van de verweerster, ertoe strekkend de verweerder, in naam en voor rekening van wie zij in rechte optreedt, te horen in de plaats stellen van de eisers sub 2, ontvankelijk is, schendt het hof van beroep bijgevolg de artikelen 37, §1 en 39 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, artikel 5 van voormeld besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 en artikel 159 van de Grondwet. Door te oordelen dat de verweerster stukken heeft voorgelegd waaruit de machtiging blijkt van de verweerder tot het instellen van de vordering tot indeplaatsstelling, miskent het hof van beroep ook de bewijskracht van de inventaris van het dossier van de verweerster alsook van de stukken nrs. 9 en 10 van dat dossier nu het van deze stukken een interpretatie geeft die kennelijk onverenigbaar is met de daarin gebruikte bewoordingen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), en schendt het artikel 33 van de Grondwet door aan te nemen dat de verweerder aan de heer H. de bevoegdheid heeft gedelegeerd om te beslissen de vordering tot indeplaatsstelling in te stellen. Het hof van beroep kan bovendien niet naar recht beslissen dat de verweerder, vertegenwoordigd door de verweerster, de vordering heeft ingesteld na te hebben vastgesteld dat de vrijwillige tussenkomst van de verweerder in hoger beroep ontvankelijk is, hetgeen noodzakelijk impliceert dat de verweerder geen procespartij was in de procedure voor de eerste rechter, nu een tussenkomst, naar luid van artikel 15, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een rechtspleging is waarbij een derde persoon partij wordt in het geding (schending van deze bepaling). Tweede onderdeel In de inleidende dagvaarding van 23 januari 2002 vorderde de verweerster dat zijzelf (¿verzoeker¿) in de plaats zou worden gesteld van de eisers sub 2 voor de betwiste verkoop. In alle latere conclusies en in de akte van hoger beroep heeft de verweerster steeds gevorderd dat zijzelf in de plaats zou worden gesteld. Zij heeft nooit gevorderd dat de verweerder, in naam en voor rekening van wie zij optrad, in de plaats zou worden gesteld. Krachtens artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en het daarin gehuldigde beschikkingsbeginsel kan de rechter het onderwerp van de vordering niet ambtshalve wijzigen. De enkele omstandigheid dat een partij optreedt in naam en voor rekening van een andere partij, betekent niet dat de vordering van die partij om zelf in de plaats te worden gesteld van de koper, door de rechter ambtshalve kan gewijzigd worden in een vordering om die andere partij, in naam en voor rekening van wie wordt opgetreden, in de plaats te stellen van de koper. Door anders te oordelen schendt het hof van beroep derhalve het beschikkingsbeginsel. In zoverre het arrest zo moet worden gelezen dat het hof van beroep vaststelt dat de verweerster in haar inleidende dagvaarding, in haar akte van hoger beroep of in een conclusie zou hebben gevorderd dat niet zijzelf, doch de verweerder in de plaats zou moeten worden gesteld van de eisers sub 2, miskennen de appelrechters de bewijskracht van de dagvaarding, de akte van hoger beroep en de conclusies van de verweerster nu zij in dat geval van deze processtukken, in het bijzonder van het dictum daarvan, een interpretatie geven die kennelijk onverenigbaar is met de daarin gebruikte bewoordingen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  7. Krachtens artikel 37, §1, eerste en tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu heeft het Vlaams Gewest het recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen in bepaalde natuurgebieden en kan de Vlaamse regering aan de Vlaamse Landmaatschappij een machtiging verlenen om in haar naam, voor haar rekening en volgens de door haar gestelde voorwaarden dit recht van voorkoop uit te oefenen. Krachtens artikel 39, eerste lid, van hetzelfde decreet heeft het Vlaams Gewest, in geval van verkoop met miskenning van zijn recht van voorkoop, het recht ofwel in de plaats gesteld te worden van de koper ofwel van de verkoper een schadevergoeding te eisen ten bedrage van 20 pct. van de verkoopprijs.
  8. Krachtens artikel 5 van het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels tot uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997, machtigt de Vlaamse regering de Vlaamse Landmaatschappij om in haar naam en voor haar rekening binnen de daartoe toegekende budgettaire perken het in voormelde artikelen bedoelde recht van voorkoop uit te oefenen.
  9. De mogelijkheid voor de Vlaamse regering om overeenkomstig het voormelde artikel 37 aan de Vlaamse Landmaatschappij een machtiging te verlenen om in haar naam, voor haar rekening en volgens de door haar gestelde voorwaarden het recht van voorkoop uit te oefenen en het in uitvoering daarvan genomen artikel 5 van het besluit van 23 juli 1998 hebben betrekking op alle wettelijke modaliteiten die met de uitoefening van het recht van voorkoop gepaard gaan, zo ook op het instellen van de vordering tot indeplaatsstelling in geval van verkoop met miskenning van het recht van voorkoop.
  10. Het onderdeel dat er van uitgaat dat de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om aan de Vlaamse Landmaatschappij een machtiging te verlenen om in haar naam, voor haar rekening en volgens de door haar gestelde voorwaarden het bedoelde recht van voorkoop uit te oefenen, zich niet uitstrekt tot het instellen van de vordering tot indeplaatsstelling in geval van verkoop met miskenning van het recht van voorkoop, derwijze dat artikel 5 van het besluit van 23 juli 1998 geen machtiging inhoudt om dergelijke vordering in te stellen en evenmin dergelijke machtiging kan inhouden, faalt in zoverre naar recht.
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de Vlaamse regering ¿afdeling Natuur' bij brief van 29 juni 2001 aan de Vlaamse Landmaatschappij meldt gebruik te willen maken van het recht van voorkoop van het Vlaams Gewest voor het bedoelde perceel grond te Lommel en dat de Vlaamse regering ¿afdeling Natuur' bij brief van 2 oktober 2001, na inzage van het dossier aangaande de verkoop van het bedoelde perceel grond, de Vlaamse Landmaatschappij verzoekt de indeplaatsstelling te vorderen.
  12. Het onderdeel verwijt de appelrechter te oordelen dat de Vlaamse Landmaatschappij de stukken heeft overgelegd waaruit de machtiging blijkt tot het instellen van de vordering tot indeplaatsstelling, terwijl volgens de eisers voormelde stukken noch andere stukken die voorkomen op de door de Vlaamse Landmaatschappij overgelegde inventaris kunnen worden beschouwd als een machtiging om de vordering tot indeplaatsstelling in te stellen. Het onderdeel verwijt de appelrechter aldus niet dat hij beslist dat voormelde stukken iets bevatten dat er niet in staat of dat ze iets niet bevatten dat er wel in staat, maar dat hij van deze stukken een andere uitlegging geeft dan deze die de eisers er zelf van geven. Nu deze grief geen miskenning van bewijskracht van akten kan opleveren, is het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk.
  13. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 33 van de Grondwet, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van bewijskracht van akten en is het derhalve niet ontvankelijk.
  14. De beslissing van de appelrechter dat de Vlaamse Landmaatschappij de vordering tot indeplaatsstelling van het Vlaams Gewest heeft ingesteld, terwijl het Vlaams Gewest voor het eerst in hoger beroep op ontvankelijke wijze vrijwillig is tussenkomen, heeft geen invloed op de wettigheid van de in het onderdeel bekritiseerde beslissing aangaande de machtiging van de Vlaamse regering aan de Vlaamse Landmaatschappij om de vordering tot indeplaatsstelling in te stellen.
  15. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek, is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de vordering van de Vlaamse Landmaatschappij strekt tot indeplaatsstelling gelet op de miskenning van het recht van voorkoop van het Vlaams Gewest bij de verkoop van het bedoelde perceel grond te Lommel; - de Vlaamse Landmaatschappij hierbij aanvoert door de Vlaamse regering te zijn gemachtigd om in haar naam en voor haar rekening de vordering tot indeplaatsstelling in te stellen; - het hierbij gaat om de miskenning van het recht van voorkoop van het Vlaams Gewest en bijgevolg om de indeplaatsstelling van het Vlaams Gewest; - de Vlaamse Landmaatschappij bij appelconclusie benadrukt, gelet op de miskenning van het recht van voorkoop van het Vlaams Gewest, op te treden in naam en voor rekening van het Vlaams Gewest; - het Vlaams Gewest zelf vrijwillig tussenkomt om het voormelde te onderschrijven.
  17. De appelrechter, die vaststelt dat de vordering van de Vlaamse Landmaatschappij strekt tot indeplaatsstelling gelet op de miskenning van het recht van voorkoop van het Vlaams Gewest bij de verkoop van het bedoelde perceel grond te Lommel, oordeelt dat de Vlaamse Landmaatschappij gelet op de miskenning van het recht van voorkoop van het Vlaams Gewest optreedt in naam en voor rekening van het Vlaams Gewest en beslist dat het Vlaams Gewest, in wiens naam en voor wiens rekening de Vlaamse Landmaatschappij optreedt, in de plaats moet worden gesteld van de kopers van het bedoelde perceel grond te Lommel. Anders dan het onderdeel aanvoert, geeft de appelrechter hierbij van de bedoelde processtukken van de Vlaamse Landmaatschappij geen uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en miskent hij derhalve niet de bewijskracht van deze processtukken. Anders dan het onderdeel nog aanvoert, wijzigt de appelrechter hierbij niet het voorwerp van de vordering van de Vlaamse Landmaatschappij en miskent hij derhalve niet het beschikkingsbeginsel. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van 568,11 euro jegens de eisende partijen en op de som van 302,75 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van drieëntwintig april tweeduizend en zeven uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.