← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070424.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070424.2 Rolnummer: P.07.0061.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2007-06-21 Raadplegingen: 494 - laatst gezien 2026-07-04 03:33 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Niet ontvankelijk want voorbarig is het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat oordeelt dat het voordeel van de opschorting van de uitspraak in het stadium van de regeling van de rechtspleging niet kan worden toegekend, nu dat arrest geen eindbeslissing is

(1).
(1)Cass., 15 okt. 2002, AR P.02.0885.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021015.17, nr 542; Cass., 20 juni 2006, AR P.06.0425.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060620.5, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Regeling van de rechtspleging - Niet toekenning van de opschorting van de uitspraak Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Regeling van de rechtspleging - Niet toekenning van de opschorting van de uitspraak - Gevolg - Cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0061.N E. C. M. J., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadlieden mrs. Maarten Van Daele en Leo De Broeck, advocaten bij de balie te Brussel, tegen W. H., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 december
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. In zoverre het arrest oordeelt dat er tegen de eiser voldoende bezwaar bestaat en hem wegens de telastleggingen naar de correctionele rechtbank verwijst, is het geen eindbeslissing.
  3. In zoverre het arrest oordeelt dat het voordeel van de opschorting van de uitspraak in het stadium van de regeling van de rechtspleging niet kan worden toegekend, is het arrest evenmin een eindbeslissing. In zoverre het cassatieberoep tegen die beslissingen is gericht, is het voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser op de rechtszitting van 21 september 2006 een conclusie heeft neergelegd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  5. De conclusie neergelegd op de rechtszitting van 29 juni 2006 werd niet hernomen voor de anders samengestelde zetel die op de rechtszitting van 2 november 2006 de zaak opnieuw heeft behandeld en in beraad genomen, zodat de appelrechters die conclusie niet hoefden te beantwoorden.
  6. Voor het overige voert het onderdeel aan dat de eiser in zijn conclusie neergelegd op de rechtszitting van 8 juni 2006 heeft aangevoerd dat het opstellen van een authentiek testament terwijl de opsteller moet weten dat de erflater wegens zijn geestesgezondheid medisch niet in staat is een testament te dicteren, geen strafbare valsheid kan opleveren en dat het arrest diende te antwoorden op dit verweer dat de strafbaarstelling van het ten laste gelegde feit betreft. Het arrest oordeelt dat er voldoende bezwaar bestaat dat het authentiek testament dat eiser heeft opgesteld vals is omdat hij wist dat de erflater niet meer over de vereiste fysieke mogelijkheden zou hebben beschikt om een testament te dicteren en omdat hij de laatste wilsbeschikking van de latere erflater heeft opgetekend zonder de vereiste aanwezigheid van twee getuigen daar waar dit wel zo in het testament is opgetekend. Het arrest oordeelt dus niet dat er medische aanwijzingen zijn dat de erflater niet meer in staat was een testament te dicteren zodat het niet hoefde te antwoorden op eisers verweer met betrekking tot de geestesgezondheid van de erflater. Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden. Tweede onderdeel
  7. Het arrest oordeelt dat er naast de verwijderde onregelmatige stukken, andere bewijselementen zijn die voldoende bezwaren opleveren welke een verwijzing naar de correctionele rechtbank verantwoorden. Aldus oordeelt het arrest dat de onregelmatigheid van de verwijderde bewijselementen de regelmatigheid van de overige bewijsmiddelen niet aantast en geen nietigheid van het gevoerde gerechtelijk onderzoek voor gevolg heeft. Hierdoor beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  8. Het middel, dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen de beslissing waarbij eiser geen opschorting van de uitspraak wordt toegestaan, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 75,93 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 24 april 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070424.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021015.17 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060620.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.