id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.6 Rolnummer: D.06.0014.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2007-06-21 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 06:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 3, E.V.R.M. geldt ook voor straffen die worden uitgesproken tijdens een tuchtonderzoek. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten Vrije woorden: Straffen - Tuchtonderzoek - Gelding Tekst van de beslissing Nr. D.06.0014.N K.M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, met kantoren te 1000 Brussel, Poelaertplein 1, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 19 juni 2006 gewezen door de tuchtraad van beroep van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt de bestreden beslissing niet dat wat overbleef van de tenlasteleggingen veel onderzoek vergde maar oordeelt zij dat, al de dienstige elementen in aanmerking genomen, waaronder de complexiteit van het lastens de eiser geopend tuchtdossier en de erin aangewende rechtsmiddelen, de redelijke termijn niet was overschreden. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat artikel 6.1 EVRM wordt geschonden door de beslissing dat de tuchtprocedure binnen een redelijke termijn werd gevoerd, mede op grond van de vaststelling dat het tuchtdossier complex was, is het afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Voor het overige sluit de bestreden beslissing in haar beoordeling niet uit dat de eiser terecht gebruik heeft gemaakt van zijn recht de beslissingen die hem veroordeelden, te laten toetsen, maar oordeelt zij dat het tuchtonderzoek en de tuchtprocedure een normaal tijdsverloop kenden, gelet op het recht van verdediging dat moest gevrijwaard worden. Het onderdeel berust in zoverre op een onvolledige lezing van de bestreden beslissing en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de tuchtvervolging gebaseerd is op een strafrechtelijke veroordeling, door het Hof van Beroep te Brussel uitgesproken op 28 maart
- De tuchtvervolging werd uitsluitend op grond van die veroordeling, op 17 oktober 2002 uitgebreid.
- Het onderdeel gaat ervan uit dat de termijn onredelijk is gelet op de afwezigheid van complexiteit van de zaak en op de houding van de rechterlijke overheden. De bestreden beslissing laat evenwel haar oordeel ook steunen op de houding van de eiser, terwijl de beoordeling over de complexiteit van de zaak tevergeefs in het eerste onderdeel werd bestreden. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van de beslissing en is voor het overige gebaseerd op een stelling die de feitenrechter niet heeft aangenomen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand onderworpen worden aan onmenselijke of vernederende handelingen of straffen in de zin van die bepaling. Deze bepaling geldt ook voor straffen die worden uitgesproken tijdens een tuchtonderzoek.
- De sanctie van negen maand schorsing is, gelet op de door de bestreden beslissing vastgestelde feiten en omstandigheden, en ondanks het tijdsverloop sedert het plegen ervan, niet kennelijk onevenredig met de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 436,76 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Albert Fettweis en Alain Smetryns, en op de openbare terechtzitting van 27 april 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div