id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7 Rolnummer: C.06.0340.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 585 - laatst gezien 2026-07-04 03:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De bevoegdheid van de afdeling administratie van de Raad van State om, krachtens artikel 14, R.v.St.-Wet, uitspraak te doen op het beroep tot nietigverklaring tegen een akte van een administratieve overheid wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van dat verzoek
(1).
(1)Cass., 10 april 1987, AR 5590 en 5619, nr 477, met concl. adv.-gen. VELU; Cass., 13 juni 2003, AR C.02.0557.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.8, nr 350, met concl. adv.-gen. BRESSELEERS. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Afdeling administratie - Nietigverklaring - Bevoegdheid - Bepaling Fiches 2 - 4 Een geschil met betrekking tot een contractuele rechtsverhouding is een geschil over een burgerlijk recht in de zin van artikel 144 van de Grondwet. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Burgerlijk recht - Contractuele rechtsverhouding - Geschil Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Burgerlijk recht - Artikel 144, Grondwet - Contractuele rechtsverhouding - Geschil Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Algemeen UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Contractuele rechtsverhouding - Geschil Tekst van de beslissing Nr. C.06.0340.N
- ONDERNEMINGEN J. D. N.,
- E., eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- VL. G.,
- VL. G., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 mei 2006 gewezen door de Raad van State. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 144, 145 en 160, van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 7, 14 en 14bis, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het beroep van de eiseressen in de zaak 76.675 onontvankelijk op grond van de volgende motieven : "Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat geen formele beslissing om een onderhandse gunningsprocedure te organiseren voorhanden is; dat voorts de beslissing tot gunnen aan TV R.-V. L. uitvloeisel is van de verwikkelingen rondom het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarde van de overeenkomst met de verzoekende partijen (de eiseressen); dat dienvolgens het enig middel in zijn beide onderdelen de Raad van State noodzaakt tot een uitspraak over de vraag of er al dan niet aan gestelde opschortende voorwaarden is voldaan door de verzoekende partijen (eiseressen), die er in hun middel van uitgaan dat er een contract tot stand gekomen was dat vervolgens verbroken is; dat aldus het werkelijk voorwerp van de gevraagde nietigverklaring in wezen de beslechting is van een geschil over contractuele rechten, waarvoor de Raad van State gelet op de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, geen rechtsmacht heeft; dat het beroep niet ontvankelijk is" (bladzijde 7 van het arrest). Het arrest verklaart vervolgens het beroep van de eiseressen in de zaak A.78.336 eveneens onontvankelijk op grond van de volgende motieven: "Overwegende dat, analoog met hetgeen reeds is vastgesteld bij de bespreking van het beroep in de zaak A.76.675, het werkelijk voorwerp van het beroep in de zaak A.78.336, door de dubbele toewijzing, de betwisting is betreffende de totstandkoming van het betrokken contract en de daarop te betrekken opschortende voorwaarde, en aldus in wezen de beslechting beoogt van een geschil over contractuele rechten waarvoor de Raad van State geen rechtsmacht heeft; dat het beroep niet ontvankelijk is" (bladzijden 8 en 9 van het arrest). Grieven
- De Raad van State stelt in het arrest vast dat de eiseressen in hun memorie van wederantwoord in beide zaken beklemtoonden dat zij in het midden lieten of de opschortende voorwaarde al dan niet vervuld was en de Raad van State enkel verzochten te oordelen of de verweerders, nadat de overeenkomst - al dan niet terecht - beëindigd werd, de afgesloten gunningsprocedure wettig konden heropenen om vervolgens de opdracht eerst voorlopig en nadien definitief te gunnen aan de tweede gerangschikte (bladzijden 7 en 8, randnummers 4.1 en 4.2 van het bestreden arrest). De eiseressen hebben in hun memorie van wederantwoord het voorwerp van hun beroep in beide samengevoegde zaken als volgt verduidelijkt. Het voorwerp van het beroep vereiste niet dat de Raad van State zich zou uitspreken over de vraag of de verweerders konden beslissen dat de opschortende voorwaarde waaronder de opdracht op 14 januari 1997 was gegund aan de eiseressen, niet vervuld was om vervolgens op die grondslag de met de eiseressen tot stand gekomen overeenkomst te verbreken. Het voorwerp van de vordering was daarentegen de vraag of, ervan uitgaande dat de verweerders terecht beslist hadden de op 14 januari 1997 tot stand gekomen overeenkomst met de eiseressen te verbreken, de verweerders gerechtigd waren via een onderhandse gunning de opdracht alsnog toe te wijzen aan de tweede gerangschikte. Hieruit blijkt dat het voorwerp van het beroep van de eiseressen beperkt was tot de rechtmatigheid van de door de verweerders georganiseerde onderhandse gunningsprocedure en de daaruit voortvloeiende gunningsbeslissing ten gunste van de TV R. - V. L..
- Geschillen over burgerlijke rechten behoren op grond van artikel 144 van de gecoördineerde Grondwet bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Indien de vordering daarentegen strekt tot de nietigverklaring van, hetzij, de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, hetzij, de administratieve handeling van wetgevende vergaderingen of van hun organen, dan is krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 uitsluitend de Afdeling Administratie van de Raad van State bevoegd om van dergelijk beroep kennis te nemen. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring.
- Uit de omschrijving van het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring door de eiseressen volgt dat dit niet de vraag naar een eventuele schending van de subjectieve rechten van de eiseressen door de verbreking van de op 14 januari 1997 tot stand gekomen overeenkomst met de verweerders betrof, doch enkel de rechtmatigheid van de door de verweerders na beëindiging van de overeenkomst met de eiseressen georganiseerde onderhandse gunningsprocedure en de daaruit voortvloeiende gunning van de opdracht aan de tweede gerangschikte, daarbij in het midden gelaten of de verbreking van de overeenkomst met de eiseressen al dan niet rechtmatig was. Het voorwerp van het beroep vereiste bijgevolg niet dat de Raad van State uitspraak zou doen over het al dan niet vervuld zijn van de opschortende voorwaarde in de tussen de eiseressen en de verweerders tot stand gekomen overeenkomst, noch dat de Raad van State de geldigheid van de beëindiging van de overeenkomst tussen de eiseressen en de verweerders zou onderzoeken. De loutere verwijzing door de eiseressen naar de beëindiging van de eerder tot stand gekomen overeenkomst met de verweerders als feitelijke toelichting bij het middel heeft niet tot gevolg dat het voorwerp van het beroep van de eiseressen zich uitstrekt tot een beweerde schending van de uit de overeenkomst met de verweerders voortvloeiende rechten van de eiseressen en bijgevolg de beslechting van een contractueel geschil beoogt. Bijgevolg heeft de Raad van State, Afdeling Administratie, de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen geschonden door te oordelen dat het werkelijke voorwerp van de nietigverklaring de beslechting is van een geschil over contractuele rechten waarover de Raad van State geen rechtsmacht heeft en vervolgens op grond hiervan het beroep van de eiseressen in beide samengevoegde zaken onontvankelijk te verklaren, terwijl het werkelijke voorwerp van het beroep integendeel beperkt was tot de rechtmatigheid van de onderhandse gunningsprocedure gevolgd door de gunning aan de tweede gerangschikte. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 144 van de Grondwet, behoren de geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken. Krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, doet de Raad van State inzonderheid uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van, hetzij, substantiële, hetzij, op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Een geschil met betrekking tot een contractuele rechtsverhouding is een geschil over een burgerlijk recht in de zin van artikel 144 van de Grondwet.
- De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het verzoek tot nietigverklaring.
- Het bestreden arrest oordeelt dat: - in de zaak A.76.675 de beslissing tot het gunnen aan de tijdelijke vereniging R.-V. L. uitvloeisel is van de verwikkelingen rondom het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarde van de overeenkomst met de eiseressen zodat het enig middel in zijn beide onderdelen de Raad van State noodzaakt tot een uitspraak over de vraag of er al dan niet aan de gestelde opschortende voorwaarden is voldaan door de eiseressen die er in hun middelen van uitgaan dat er een contract tot stand was gekomen dat vervolgens verbroken is; - in de zaak A.78.336 door de dubbele toewijzing het werkelijk voorwerp van het beroep de betwisting is betreffende de totstandkoming van het betrokken contract en de daarop te betrekken opschortende voorwaarde. De Raad van State leidt hieruit af dat de drie aangevochten beslissingen niet als van de bedoelde overeenkomst afsplitsbare beslissingen te beschouwen zijn.
- Aldus heeft de Raad van State naar recht beslist dat hij niet bevoegd is. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, in verenigde kamers, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd zesenzestig euro vijfenzestig cent jegens de eisende partijen en op de som van driehonderd en twee euro vijfenzeventig cent jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250411.1N.3 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.183 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div