← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070502.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070502.1 Rolnummer: P.07.0558.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 413 - laatst gezien 2026-07-03 23:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een verdachte is slechts ter beschikking van de onderzoeksrechter in de zin van artikel 3 Wet Voorlopige Hechtenis wanneer hij zich in het onmiddellijk bereik van die rechter bevindt, zodat deze die verdachte onverwijld kan verhoren

(1).
(1)Zie Cass., 12 dec. 2000, AR P.00.1664.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001212.7, nr 683, en de noot van advocaat-generaal Marc De Swaef; R. Declercq, "Beginselen van strafrechtspleging", 2de editie, 1999, nr 363. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Aanhouding in opdracht van onderzoeksrechter - Bevel tot medebrenging - Verdachte ter beschikking gesteld van de onderzoeksrechter Fiches 2 - 3 Wanneer de verdachte niet ter beschikking van de onderzoeksrechter is gesteld, is cumulatie van een eerste vrijheidsbeneming ingevolge artikel 2, Wet Voorlopige Hechtenis en de daaropvolgende vrijheidsbeneming ingevolge een bevel tot medebrenging, mogelijk
(1).
(1)Zie Cass., 12 dec. 2000, AR P.00.1664.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001212.7, nr 683, en de noot van advocaat-generaal Marc De Swaef; R. Declercq, "Beginselen van strafrechtspleging", 2de editie, 1999, nr
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT MEDEBRENGING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Aanhouding in opdracht van onderzoeksrechter - Voorafgaande vrijheidsbeneming - Bevel tot aanhouding Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 7, eerste lid, en 12 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Aanhouding in opdracht van onderzoeksrechter - Voorafgaande vrijheidsbeneming - Bevel tot medebrenging Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 7, eerste lid, en 12 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0558.N R. J., verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Piet Van Eeckhaut, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest gehecht is, een middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. De eiser heeft op 17 april 2007 in de gevangenis cassatieberoep aangetekend tegen het bestreden arrest. De raadsman van de eiser heeft op zijn beurt op 18 april 2007 ter griffie van het Hof van Beroep te Gent cassatieberoep aangetekend tegen hetzelfde arrest.
  4. In strafzaken is in de regel een tweede cassatieberoep tegen dezelfde beslissing niet ontvankelijk ingevolge artikel 438 Wetboek van Strafvordering. Daar tegen het arrest reeds op 17 april 2007 cassatieberoep werd ingesteld, is het tweede cassatieberoep van 18 april 2007 niet ontvankelijk. Middel
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 1, 3 en 18 Voorlopige Hechteniswet, van de artikelen 12 en 149 Grondwet en van artikel 5.3 EVRM. De eiser voert aan dat: ¿ hij op 28 maart 2007 om 5.30 uur van zijn vrijheid beroofd werd door de politie van Charleroi die hem ter gelegenheid van zijn verhoor op dezelfde dag omstreeks 12.42 uur mededeelde dat hij ter beschikking bleef van de onderzoeksrechter te Veurne; ¿ de onderzoeksrechter te Veurne vervolgens een bevel tot medebrenging uitvaardigde dat aan de eiser werd betekend op 28 maart 2007 om 20.25 uur; ¿ hij eerst op 29 maart 2007 om 10.35 uur door de onderzoeksrechter te Veurne onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst, dit is meer dan 24 uren na zijn aanvankelijke vrijheidsberoving. De eiser leidt hieruit af dat, vermits hij van zijn vrijheid beroofd was op 28 maart 2007 om 5.30 uur en gelet op de mededeling van de politie van Charleroi dat hij ¿ter beschikking bleef van de onderzoeksrechter¿, deze laatste geen bevel tot medebrenging meer kon afleveren om alzo de termijn van 24 uren artificieel te verlengen.
  6. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing inzake voorlopige hechtenis. In zoverre faalt het middel naar recht.
  7. Krachtens artikel 3 Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrechter een met redenen omkleed bevel tot medebrenging uitvaardigen tegen elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan en die niet reeds te zijner beschikking is gesteld. Een verdachte is slechts ter beschikking van de onderzoeksrechter in de zin van het vermelde artikel wanneer hij zich in het onmiddellijk bereik van die rechter bevindt zodat deze die verdachte onverwijld kan verhoren. De omstandigheid dat de politie van Charleroi in een proces-verbaal vermeldt dat de verdachte te Charleroi ¿ter beschikking blijft van de onderzoeksrechter¿ alwaar hij in opdracht van de onderzoeksrechter van Veurne wordt vastgehouden op grond van artikel 2, 6°, Voorlopige Hechteniswet, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
  8. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de rechters dat de eiser niet ter beschikking van de onderzoeksrechter te Veurne was ¿gezien hij zich op dat ogenblik in een ander arrondissement bevond¿, is het niet ontvankelijk.
  9. Krachtens artikel 7, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, wordt het bevel tot medebrenging betekend op het ogenblik van de aanhouding zo hiertoe wordt overgegaan ter uitvoering van dat bevel of uiterlijk binnen vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming indien de aflevering van het bevel is voorafgegaan door een maatregel getroffen door de agenten van de openbare macht of door de procureur des Konings. Krachtens artikel 12 Voorlopige Hechteniswet, dekt het bevel tot medebrenging een periode van vrijheidsbeneming van hoogstens vierentwintig uren, te rekenen van de vrijheidsbeneming ter uitvoering van het bevel tot medebrenging of, indien de verdachte reeds van zijn vrijheid beroofd was, te rekenen van de betekening van het bevel. Uit die bepalingen volgt dat, wanneer de verdachte niet ter beschikking van de onderzoeksrechter is gesteld, dit is in zijn onmiddellijke nabijheid zodat hij de verdachte kan ondervragen, cumulatie van een eerste vrijheidsbeneming ingevolge artikel 2 Voorlopige Hechteniswet en de daaropvolgende vrijheidsbeneming ingevolge een bevel tot medebrenging, mogelijk is. Wanneer de verdachte reeds voorafgaandelijk aan het bevel tot medebrenging van zijn vrijheid is beroofd, moet het bevel tot medebrenging worden betekend uiterlijk binnen 24 uren vanaf de effectieve vrijheidsberoving. Vanaf de betekening van dit bevel tot medebrenging dekt dit bevel een periode van vrijheidsbeneming van 24 uren.
  10. De appelrechters stellen vast dat: ¿ de eiser op 28 maart 2007 om 5.30 uur naar aanleiding van een huiszoeking van zijn vrijheid werd beroofd; ¿ de onderzoeksrechter om 20.14 uur een bevel tot medebrenging heeft uitgevaardigd lastens de eiser dat hem betekend werd om 20.25 uur. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het bevel tot aanhouding aan de eiser werd betekend op 29 maart 2007 om 10.35 uur. De appelrechters die oordelen dat ¿overeenkomstig de wet van de voorlopige hechtenis tot aanhouding van de (eiser) werd beslist¿, verantwoorden hun beslissing naar recht zonder schending van voormelde Grondwets-, verdrags- en wetsartikelen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 96,39 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 2 mei 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070502.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001212.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120117.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120117.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221019.2F.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.