id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070504.1 Rolnummer: C.06.0403.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 160 - laatst gezien 2026-07-03 06:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Motivering Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.06.0403.N IVERLEK, coöperatieve vennootschap, met zetel te 2800 Mechelen, Grote Markt 21, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de minister-president, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Een rechterlijke beslissing is niet tegenstrijdig wanneer in het overwegende gedeelte de argumentatie van de ene partij wordt verworpen en in het dictum niet al de gevolgen zijn opgenomen die aan deze verwerping zijn verbonden wanneer deze niet door de andere partij werden gevorderd.
- De appelrechters verwerpen de argumentatie van de eiseres dat de interesten slechts kunnen worden aangerekend vanaf de betekening van de gedinginleidende dagvaarding, dit wil zeggen vanaf 25 maart 1998, met de overweging dat inzake een verbintenis, die bestaat uit de betaling van een geldsom, de wettelijke intrest verschuldigd is vanaf de aanmaning tot betaling, die ten deze is opgenomen in een brief van 24 november 1969, en dat de respectieve betalingsdata, die zich situeren tussen 24 november 1969 en 25 maart 1998, in dit geval geen belang hebben. In het dictum van het arrest wordt het bestreden vonnis, dat intrest toekende met ingang van de respectieve data van de betalingen, hetzij met ingang van 15 oktober 1973, 24 maart 1975 en 4 april 1975, evenwel bevestigd, nu de verweerder de bevestiging vorderde van het bestreden vonnis, behoudens wat de kapitalisatie van de intresten betreft.
- Deze redenen zijn niet tegenstrijdig, zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 508,68 euro jegens de eisende partij en op de som van 302,75 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 4 mei 2007 uitgesproken door raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070504.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div