← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070504.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070504.4 Rolnummer: C.06.0314.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 502 - laatst gezien 2026-07-03 20:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst wegens het opzettelijk verzwijgen of onjuist mededelen van gegevens betreffende het risico bij het sluiten van de overeenkomst, waardoor de verzekeraar werd misleid bij de beoordeling van dat risico, heeft in beginsel tot gevolg dat die overeenkomst met terugwerkende kracht ongedaan wordt gemaakt. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Verzwijging of onjuiste mededeling - Misleiding van de verzekeraar - Nietigverklaring van de overeenkomst - Gevolgen - Terugwerkende kracht Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Artt. 2, § 1, eerste lid, 5 en 6 Fiche 2 De gevolgen van de nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst strekken zich uit, tussen partijen, tot alle prestaties die de verzekeraar ten gevolge van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst heeft verricht, met inbegrip van de vergoedingen uitgekeerd aan de benadeelden van het ongeval die, op grond van de wet, over een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de verzekeraar beschikken

(1).
(1)Zie Cass., 25 feb. 2005, AR. C.02.0296.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050225.7, nr.
  1. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Verzwijging of onjuiste mededeling - Misleiding van de verzekeraar - Nietigverklaring van de overeenkomst - Gevolgen - Tussen partijen - Prestaties van de verzekeraar Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Artt. 2, § 1, eerste lid, 5 en 6 Fiche 3 De terugvordering door de verzekeraar van de krachtens een nietig verklaarde overeenkomst verrichte prestaties is te onderscheiden van het verhaal van de verzekeraar tegen de verzekeringnemer, en indien daartoe grond bestaat tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, voor zover hij volgens de Wet Landverzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren, en is aldus niet onderworpen aan het verval, doordat de verzekeraar aan de verzekeringnemer, of in voorkomend geval aan de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, geen kennis heeft gegeven van zijn voornemen om dat verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit is gegrond. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Verzwijging of onjuiste mededeling - Misleiding van de verzekeraar - Nietigverklaring van de overeenkomst - Terugvordering van verrichte prestaties door de verzekeraar - Verval Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Artt. 2, § 1, eerste lid, 5, 6 en 88, eerste en tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0314.N ARGENTA ASSURANTIES, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 49-53, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. B.J., en zijn echtgenote,
  3. D.A., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, in hoger beroep op 6 januari 2006 gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, §1, eerste lid, 5 en 6, van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst. Aangevochten beslissingen De eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk besloot in het vonnis van 6 januari 2006 tot het bevestigen van de beslissing in het beroepen vonnis dd. 31 maart 2004 van de Politierechtbank te Kortrijk, zitting houdende in burgerlijke zaken, waarbij de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst gesloten tussen de eiseres en de verweerders werd vastgesteld, maar desondanks de eiseres vervallen werd verklaard van haar vordering, gesteund op artikel 88 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, ten aanzien van de verweerders, op grond van de volgende overwegingen: ¿De rechtbank is dan ook van oordeel dat (de verweerders) opzettelijk verzwegen hebben dat J.B. het voertuig al dan niet regelmatig bestuurde en dat dit verzwijgen ingegeven was door het feit dat J.B. op het moment dat het verzekeringsvoorstel ingevuld werd een strafverleden had dat moeilijk zomaar aanvaardbaar was voor een verzekeraar. Het volstaat niet te stellen dat het vak ¿de andere bestuurder' niet werd ingevuld om te stellen dat de verzekeraar er verder geen belang meer kan aan gehecht hebben. Bij het vak ¿andere bestuurder' wordt uitdrukkelijk de vraag gesteld of dit dan de echtgenoot is van de verzekeringsnemer. Bijgevolg dienden de (verweerders) bij het lezen zelf van de vraag naar de andere bestuurder te weten dat de echtgenoot ook moest vermeld worden indien hij al dan niet op regelmatige basis de wagen bestuurde. De sanctie bij het opzettelijk verzwijgen of onjuist mededelen van gegevens betreffende het risico bij het sluiten van de overeenkomst is de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst. Deze nietigheid geldt ongeacht of het om een aansprakelijkheidsverzekering gaat, zoals een polis B.A. Motorvoertuigen, dan wel om een zaakschadeverzekering, zoals een polis eigen schade. De nietigheid van de waarborg B.A. Motorvoertuigen en de vervaltermijn, voorzien in artikel 88, lid 2, Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten. In casu blijkt uit de gegevens van het dossier dat één en hetzelfde verzekeringsvoorstel aan de basis ligt van de beide kwestieuze waarborgen, met name de waarborg B.A. Motorvoertuigen en de waarborg eigen schade zodat een eventuele opzettelijke verzwijging gevolgen zal ressorteren voor de beide waarborgen. De gevolgen van de nietigheid zijn echter anders gereglementeerd voor de beide types van waarborgen, met name wijken de regels inzake B.A. Motorvoertuigen enigszins af van de regels die gelden in de andere verzekeringsovereenkomsten omdat de wetgever inzake de B.A. Motorvoertuigenpolis er vooral bekommerd om was dat het slachtoffer dat geen fout heeft begaan, niet in de kou zou komen te staan. Vermits de B.A. verzekeraar uitgaven gedaan heeft aan een derde schadelijder en er geen sprake kan zijn van een onverschuldigde betaling heeft de maatschappij een verhaal op haar verzekeringsnemer conform artikel 25, 1, b, van de polis BA Motorvoertuigen ¿ Dit recht van verhaal is echter aan een vervaltermijn verbonden zoals bepaald door artikel 88, lid 2, van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst¿ (vonnis, p. 5 onderaan en p. 6). Grieven Als verzekeraar heeft de eiseres de keuze tussen een regresvordering en een vordering op grond van de nietigheid van de polis. Overeenkomstig de artikelen 5 en 6, eerste lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, is de verzekeringsovereenkomst nietig wanneer het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over het risico door de verzekeringsnemer, de verzekeraar misleidt bij de beoordeling van het risico. Ingevolge artikel 2, §1, eerste lid, van voormelde wet is deze bepaling ook van toepassing op de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen. De nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst heeft in beginsel tot gevolg dat die overeenkomst met terugwerkende kracht wordt ongedaan gemaakt, waardoor hetgeen door de partijen krachtens de overeenkomst werd gepresteerd kan worden teruggevorderd. De gevolgen van de nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst strekken zich ook uit tot alle prestaties die de verzekeraar ten gevolge van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst heeft verricht, met inbegrip van de vergoedingen uitgekeerd aan de benadeelden van het ongeval, die op grond van de wet over een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de verzekeraar beschikken. De omstandigheid dat de benadeelden of hun nabestaanden hoe dan ook recht blijven hebben op dekking, daar overeenkomstig artikel 16 van deze wet excepties, nietigheden en gronden van verval van dekking, hen niet kunnen worden tegengeworpen door de verzekeraar, heeft geenszins tot gevolg dat de verzekeraar zich niet zou kunnen beroepen op de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst ten overstaan van zijn verzekeringsnemer. De rechtbank van eerste aanleg oordeelde echter, na de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst gesloten tussen de eiseres en de verweerders te hebben vastgesteld in toepassing van artikel 6 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, in de overwegingen van de aangevochten beslissing van het vonnis dd. 6 januari 2006 dat de gevolgen van die nietigheid anders gereglementeerd zouden zijn voor de beide types van waarborgen en dat met name de regels inzake B.A. Motorvoertuigen zouden afwijken van de regels die gelden in de andere verzekeringsovereenkomsten omdat de wetgever inzake de B.A. Motorvoertuigenpolis er vooral bekommerd om was dat het slachtoffer dat geen fout heeft begaan, niet in de kou zou komen te staan. Hierop besloten de appelrechters dat de eiseres enkel verhaal op haar verzekeringsnemer zou hebben conform artikel 25, 1, b, van de polis B.A. Motorvoertuigen, maar dat dit recht van verhaal aan een vervaltermijn verbonden zou zijn zoals bepaald door artikel 88, lid 2, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst¿. Zij miskennen hierbij de mogelijkheid tot vordering op grond van nietigheid van de verzekeringsovereenkomst, zoals bepaald in de artikelen 5 en 6 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, waardoor eveneens de vergoedingen uitgekeerd aan de benadeelden van het ongeval, die op grond van de wet over een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de verzekeraar beschikken, kunnen teruggevorderd worden. De terugvordering op grond van de artikelen 5 en 6 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst is niet verbonden aan de eerbiediging van de vervaltermijn van artikel 88, tweede lid, Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst¿. Zij verantwoorden aldus hun beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 2, §1, eerste lid, 5 en 6 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 88 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk besloot in het vonnis van 6 januari 2006 tot het bevestigen van de beslissing in het beroepen vonnis dd. 31 maart 2004 van de Politierechtbank te Kortrijk, zitting houdende in burgerlijke zaken, waarbij de eiseres vervallen werd verklaard van haar regresvordering, gesteund op artikel 88 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, ten aanzien van de verweerders, op grond van de volgende overwegingen: ¿Dat de verzekeringsmaatschappij zich een recht van verhaal voorbehield op grond van verzwijging van bepaalde gegevens bij het aangaan van de polis werd pas voor de eerste maal ingeroepen op 01.10.2001 terwijl de verzekeringsmaatschappij al kennis had van het feit dat B. kennelijk het voertuig bestuurde op 10.04.2001 en zij tevens op die datum kennis kon nemen van het strafdossier en het strafverleden van B. . Artikel 88, lid 2, van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekeraar op straffe van verval van zijn recht van verhaal verplicht is de verzekeringsnemer, of, in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, kennis te geven van het voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is. Niettegenstaande de verzekeringsmaatschappij al op de hoogte was van de feiten waarop zij later haar verhaal heeft gegrond, heeft zij meer dan vijf maanden gewacht om aan te kondigen dat zij regres ging uitoefenen op grond van het opzettelijk verzwijgen van gegevens zodat haar recht op verhaal vervallen is conform artikel 88, lid 2, van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten. (De eiseres) houdt voor dat de aankondiging dat zij zich een recht van verhaal voorbehield niet laattijdig is omdat zij pas volledige zekerheid had toen zij kennis kon nemen van alle voorafgaande vonnissen ten last van B. . Dit kon pas na toestemming daartoe van de procureur des Konings. De rechtbank is het niet eens met die zienswijze gezien (de eiseres) al kennis had van alle relevante stukken op datum van 26.04.2001¿ (vonnis, p. 6). Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, alsook artikel 88 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst. Artikel 88, eerste lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet op de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal kan voorbehouden tegen de verzekeringsnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is. Hiertoe dient hij echter, zoals bepaalt in artikel 88, tweede lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, op straffe van verval de verzekeringsnemer of, in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, kennis te geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is. De verwittigingsplicht van de verzekeraar houdt verband met het recht van verdediging van de verzekerde of de verzekeringsnemer, die zijn persoonlijk verweer moet kunnen organiseren. In geval van regres valt dit verweer immers niet samen met de belangen van de verzekeraar. Bij een eerste schrijven dd. 10 april 2001 uitgaande van de eiseres werd de eerste verweerder reeds kennis gegeven van de omstandigheid dat de eiseres een recht van verhaal voor eventuele uitgaven in burgerlijke aansprakelijkheid wenste uit te oefenen op grond van ondermeer artikel 24 (regresvordering) van de Modelovereenkomst inzake verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen. Dit gegeven werd aangehaald door de eiseres in haar beroepsconclusie dd. 6 april 2005 (p. 3 onderaan - p. 4). Door dit schrijven van 10 april 2001 werd de eerste verweerder tijdig kennis gegeven van de intentie van de eiseres een regresvordering tegen haar in te stellen. De rechtbank van eerste aanleg oordeelde echter in de overwegingen van de aangevochten beslissing van het vonnis van 6 januari 2006 dat de omstandigheid dat de eiseres zich een recht van verhaal voorbehield, slechts voor de eerste maal werd ingeroepen op 1 oktober
  4. Het vonnis miskent hierdoor de bewijskracht van het schrijven van 10 april 2001 uitgaande van de eiseres door een interpretatie ervan te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en laat na zijn beslissing tot het vaststellen van de afwezigheid van tijdige kennisgeving door de eiseres van haar voornemen een verhaal in te stellen tegen de eerste verweerder, naar recht te verantwoorden. De appelrechters laten in het vonnis tevens na te antwoorden op het door de eiseres in haar beroepsconclusie van 6 april 2005 (p. 3 onderaan - p. 4) aangevoerd gegeven dat reeds bij een eerste schrijven dd. 10 april 2001 de eerste verweerder kennis werd gegeven van de omstandigheid dat de eiseres een recht van verhaal wenste uit te oefenen. Door dit motiveringsgebrek schenden zij artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, terwijl zij door de aangehaalde miskenning van de bewijskracht de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek schenden, en hun beslissing niet naar recht verantwoorden (schending van artikel 88 van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst). Tweede onderdeel Schending van artikel 88, tweede lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst.
  5. Artikel 88, tweede lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, bepaalt dat de verzekeraar, op straffe van verval, de verzekeringsnemer of, in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, kennis dient te geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is. Dit houdt in dat kennisgeving door de verzekeraar van zijn voornemen om verhaal in te stellen verplicht is vanaf het ogenblik waarop hij kennis heeft van alle feiten waarop zijn besluit gegrond is en niet vanaf het ogenblik waarop hij van die feiten kennis diende te hebben. De rechtbank van eerste aanleg oordeelde echter in de overwegingen van de aangevochten beslissing van het vonnis van 6 januari 2006 (p. 6, vierde alinea) dat de eiseres reeds op 10 april 2001 ¿kennis kon nemen van het strafbundel en het strafverleden van B. ¿. De appelrechters laten echter na vast te stellen dat de eiseres werkelijk kennis heeft genomen van de stafbundel en het strafverleden van de eerste verweerder. Zij menen ten onrechte te kunnen volstaan met de vaststelling van het ogenblik waarop de eiseres van die feiten kennis diende te hebben in plaats van de door de Wet van 25 juni 1992 in het artikel 88, tweede lid, opgelegde vaststelling van het ogenblik waarop de verzekeraar op de hoogte is geweest van de feiten waarop zijn beslissing gegrond is.
  6. Artikel 88, tweede lid van de Wet van 25 juni 1992 benadrukt eveneens dat de verzekeraar, op straffe van verval, de verzekeringsnemer of, in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, kennis dient te geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit gegrond is. Dit houdt in dat kennisgeving door de verzekeraar van zijn voornemen om verhaal in te stellen verplicht is vanaf het ogenblik waarop hij kennis heeft van alle feiten waarop zijn besluit gegrond is. Ten einde tot deze kennis te komen van alle feiten waarop haar verhaal is gegrond en in het bijzonder inzake alle omstandigheden van de vroegere veroordelingen van de eerste verweerder, een gegeven dat bij het sluiten van de polis was verzwegen geweest, wenste de eiseres afschriften te vragen van alle vonnissen waarbij de eerste verweerder werd veroordeeld, zoals blijkt uit haar beroepsconclusie van 6 april
  7. De toelating tot inzage dient steeds aan de procureur des Konings te worden gevraagd, waarna de afschriften worden ontvangen. De eiseres kon voorafgaand aan de ontvangst van die afschriften geen kennis hebben van de inhoud en omstandigheden van de veroordelingen van de eerste verweerder. Hierdoor is zelfs een kennisgeving door de eiseres aan de eerste verweerder bij schrijven van slechts 1 oktober 2001 tijdig en kan eerstgenoemde niet vervallen worden verklaard van haar regresvordering ten aanzien van de eerste verweerder. De appelrechters menen echter te kunnen oordelen dat de eiseres reeds op 26 april 2001, datum van de strafrechtelijke zitting van de Politierechtbank te Kortrijk, kennis had van alle relevante stukken. Hierdoor beslissen de appelrechters en niet de eiseres zelf, welke feiten belangrijk (relevant) zijn voor de besluitvorming van laatstgenoemde. Het vonnis voegt hierdoor aan de wet een voorwaarde toe, die deze niet bevat, maakt geen wettige toepassing van artikel 88, tweede lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst en laat na zijn beslissing tot het vaststellen van de afwezigheid van tijdelijke kennisgeving door de eiseres van haar voornemen een verhaal in te stellen tegen de eerste verweerder, naar recht te verantwoorden. Het schendt hierdoor artikel 88, tweede lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  8. Krachtens de artikelen 5 en 6, eerste lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, is de verzekeringsovereenkomst nietig, wanneer het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over het risico door de verzekeringsnemer, de verzekeraar misleidt bij de beoordeling van het risico. Overeenkomstig artikel 2, §1, eerste lid, van voormelde wet is deze bepaling ook van toepassing op de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. De nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst heeft in beginsel tot gevolg dat die overeenkomst met terugwerkende kracht wordt ongedaan gemaakt. De gevolgen van de nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst strekken zich uit, tussen de partijen, tot alle prestaties die de verzekeraar ten gevolge van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst heeft verricht, met inbegrip van de vergoedingen uitgekeerd aan de benadeelden van het ongeval die, op grond van de wet over een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de verzekeraar beschikken.
  9. Volgens artikel 88, eerste lid, van voormelde wet kan de verzekeraar zich een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringsnemer, en indien daartoe grond bestaat tegen de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, voor zover hij volgens die wet de prestaties had kunnen weigeren. Krachtens het tweede lid van deze bepaling is de verzekeraar verplicht om op straffe van verval dit recht van verhaal, aan de verzekeringsnemer, of in voorkomend geval, de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, kennis te geven van zijn voornemen om verhaal in te stellen zodra hij op de hoogte is van de feiten waarop dat besluit is gegrond.
  10. De terugvordering door de verzekeraar van de krachtens een nietig verklaarde overeenkomst verrichte prestaties is te onderscheiden van de in artikel 88, eerste lid, bedoelde vordering, en is niet onderworpen aan het verval bedoeld in artikel 88, tweede lid.
  11. De appelrechters die na te hebben geoordeeld dat de ¿polis B.A. Motorvoertuigen¿ nietig is wegens de bedrieglijke verzwijging door de verweerders, beslissen dat de eiseres als verzekeraar niet gerechtigd is de krachtens die polis verrichte prestaties terug te vorderen omdat deze terugvordering plaatsvond buiten de vervaltermijn bedoeld in artikel 88, tweede lid, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
  12. Het middel is gegrond. Overige grieven
  13. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre dit uitspraak doet over de omniumwaarborg. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Albert Fettweis, en op de openbare terechtzitting van 4 mei 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070504.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2009:ARR.20090914.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050225.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.