← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070504.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070504.5 Rolnummer: C.06.0381.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-02 Raadplegingen: 199 - laatst gezien 2026-07-03 06:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche Indien er geen misbruik van recht is, kan het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om de exploitatie van het verpachte goed geheel of gedeeltelijk over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen, worden aanvaard als ernstige reden omwille waarvan de verpachter bij het verstrijken van elke pachtperiode een einde kan maken aan de pacht, ook in het geval de zittende pachter een verwant is die behoort tot de voormelde in artikel 7, sub 1°, van de Pachtwet opgesomde verwanten. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Opzegging Vrije woorden: Opzegging door de verpachter - Ernstige redenen - Overdracht van de exploitatie aan verwanten - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Art. 7, 1° Tekst van de beslissing Nr. C.06.0381.N B.M., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. M.J., en
  2. M.L. verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 18 november 2005 in hoger geroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 7, inzonderheid sub 1°, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling III van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen door de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen (hierna sporadisch verkort tot ¿de Pachtwet¿), het aangehaalde artikel 7 zoals gewijzigd door de wet van 7 november 1988; - artikel 1134, inzonderheid het derde lid, van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik. Aangevochten beslissingen De eiseres komt op tegen de bestreden beslissing in zoverre de rechtbank van eerste aanleg daarin haar hoger beroep als ongegrond afwijst en dienvolgens het beroepen vonnis van de vrederechter bevestigt waarbij de vordering van de eiseres tot geldigverklaring van de door haar als verpachter overeenkomstig artikel 7, sub 1°, van de Pachtwet aan de verweerders gedane pachtopzegging ongegrond wordt verklaard. De appelrechters stoelen hun beslissing op volgende gronden: ¿Feiten Er is een pachtovereenkomst tot stand gekomen tussen E.D. en (de verweerders) met betrekking tot twee percelen landbouwgrond, het ene gelegen te Kluisbergen en het andere te Melden langs de Schelde op datum van 23.12.1986 voor een periode van 18 jaar ingaande op 25.12.
  3. (De verweerders) zijn woonachtig te Avelgem-Kerkhove. Bij overlijden van E.D. gaan de landbouwgronden in eigendom over naar (de eiseres), moeder van de pachter (de eerste verweerder). Bij aangetekend schrijven dd. 27.07.2001 betekent (de eiseres) de opzegging van de pacht van beide percelen in toepassing van artikel 7 van de Pachtwet en verzoekt zij de pachter en zijn echtgenote (...) beiden (verweerders) om de percelen vrij te laten en ter beschikking te stellen op Kerstmis
  4. (De eiseres) vermeldt in haar brief: ¿Ik ben immers voornemens om deze percelen te laten exploiteren door mijn dochter en schoonzoon, met name door:
  5. Mevr. M. C. V. L. M., landbouwster (...),
  6. en haar echtgenoot de Hr. G. G. C. C., landbouwer (¿)'. (De verweerders) hebben nagelaten om hun schriftelijke instemming te geven binnen de 30 dagen zoals voorgeschreven door de wet. (De eiseres) heeft dan de geldigverklaring van de pachtopzegging gevraagd aan de Vrederechter. Procedure voor de Vrederechter Alvorens het geding ten gronde te voeren, werd een verzoek gericht tot de Vrederechter om de (verweerders) in verzoening op te roepen overeenkom¬stig art. 1345 Ger. W. Uit het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schikking blijkt dat voor de Vrederechter op datum van 13.09.2001 geen minnelijke schikking is kun¬nen tot stand komen. (De eiseres) ging vervolgens over tot dagvaarding van (de verweerders) en vor¬derde voor de Vrederechter de geldigverklaring van de hoger vermelde pachtopzegging en de veroordeling van (de verweerders) om de betrokken percelen land uiterlijk tegen Kerstmis 2004 te verlaten en ter vrije beschikking te stellen van (de eiseres) en ingeval (de verweerders) dit niet vrijwillig deden (de eise¬res) te zien en horen machtigen om (de verweerders) uit de onroerende goederen te laten zetten. Door (de verweerders) wordt een valsheidsvordering ingesteld met betrekking tot de opzegbrief. In subsidiaire orde wordt betwist dat in hoofde van de nieuwe exploitanten aangeduid in de opzegbrief de exploitatie van de betrokken percelen een overwegend deel van de beroepsactiviteit zal uitmaken zoals opgelegd door artikel 12.6, lid 2, Pachtwet en wordt artikel 12.7 van de Pachtwet ingeroepen krachtens hetwelk de rechter kan weigeren om de opzegging geldig te verklaren wanneer de totale geëxploiteerde oppervlakte van het landbouwbedrijf van de aanstaande exploitanten boven een door de Koning te bepalen maximale oppervlakte komt te liggen. Bij tussenvonnis dd. 04.03.2003 wordt een persoonlijke verschijning van partijen bevolen door de Vrederechter met het oog op een onderzoek van de valsheidsvordering. Ingevolge de persoonlijke verschijning is komen vast te staan dat de valsheidsvordering ongegrond was. De Vrederechter merkt op in het vonnis a quo voor wat de opzegging van de pachtovereenkomst betreft, dat voor zover de opzeg betekend wordt ten voordele van bepaalde in de wet aangeduide verwanten, het de wet zelf is die toelaat dat de verpachter door het betekenen van een opzeg schade toebrengt aan de zittende pachter, zonder dat de verpachter daar zelf enig bedrijfseconomisch of geldelijk voordeel bij heeft. De mogelijkheid om in bepaalde gevallen ten voordele van derden een opzeg te betekenen zonder dat die opzeg als rechtsmisbruik kan beschouwd worden, wordt door de wetge¬ver zelf geregeld, meer bepaald door het vaststellen van categorieën van personen waarvoor de zittende pachter moet wijken. De ratio legis van deze wettelijke bepaling is duidelijk: ten voordele van bepaalde verwanten moet het recht om na het verstrijken van bepaalde pachtperiode op te zeggen zonder beperking kunnen uitgeoefend worden. Het vonnis a quo vervolgt en stelt dat deze ratio legis echter ontbreekt wanneer de zittende pachter verwant is aan de verpachter op dezelfde wijze als de derde ten voordele van wie de opzeg wordt betekend. De vraag die aan de orde is, is niet zozeer of er rechtsmisbruik gepleegd wordt wanneer bij middel van de uitoefening van het recht om op te zeggen een zittende pachter onredelijk benadeeld wordt ten voordele van een nieuwe pachter of wanneer bij middel van de uitoefening van dat recht een zittende pachter gestraft wordt voor een handelwijze die ervaren wordt als een aantasting van de eer van de familie maar of de verpachter wel het recht heeft om bij toepassing artikel 7, 1°, van de Pachtwet ten voordele van een verwant een opzeg te betekenen aan een zittende pachter die op dezelfde wijze verwant is als diegene ten voordele van wie de opzeg wordt betekend. De Vrederechter merkt op dat het wegvallen van de grondslag van een norm, ook een einde maakt aan het bestaan van de norm en citeert de rechtsspreuk ¿Cessante ratione legis, cessat ipsa dispositio'. Het vonnis a quo meent dat in casu de spreuk moet toegepast worden en de vrederechter neemt aan dat de opzeg ongeldig is omdat de regel van artikel 7, 1°, van de Pachtwet niet van toepassing is wegens het wegvallen van de ratio legis die ten grondslag ligt aan die regel. Daardoor wordt elk rechtsmisbruik ten voordele van een nieuwe pachter die op dezelfde wijze verwant is als de zittende pachter vanzelfsprekend uitgesloten. Het vonnis a quo stelt dat uit het proces-verbaal van persoonlijke verschijning er overigens blijkt dat de opzeg wel degelijk werd betekend om de eerste (verweerder) te straffen voor een handelwijze die ervaren werd als een aantasting van de eer van de familie en niet omdat, na afweging van de gezinssituatie van de verweerders en deze van de aanstaande exploitanten, voorrang gegeven werd aan deze laatsten. Het betekenen van een opzeg om de pachter te straffen is wel degelijk rechtsmisbruik tenzij wanneer de opzeg betekend wordt bij toepassing van artikel 7, 7°, van de Pachtwet. De opzeg werd niet betekend bij toepassing van artikel 7, 7°, van de Pachtwet. De Vrederechter besluit ook nog in het vonnis a quo dat de debatten niet moeten heropend worden om toe te laten te concluderen over het ambtshalve opgeworpen middel op grond waarvan de opzeg ongeldig verklaard wordt, meer bepaald de voormelde rechtsspreuk. Zelfs zonder die rechtsspreuk moet de opzeg ongeldig verklaard worden wegens rechtsmisbruik. Omtrent de overige ingeroepen middelen wordt niet meer verder gestatueerd. De vordering van (de eiseres) wordt afgewezen als ongegrond en deze werd veroordeeld tot de gerechtskosten. Beroepsgrieven (De eiseres) tekent hoger beroep aan tegen het vermeld vonnis van de Vrederechter dd. 19.10.
  7. De volgende grieven worden ingeroepen:
  8. De rechten van de verdediging werden geschonden. Art. 774, lid 2, Ger. W. bepaalt dat de rechter de heropening van de debatten moet bevelen, alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen, op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen. De eerste rechter heeft immers de vordering afgewezen op grond van door hem ambtshalve gemaakte overwegingen m.b.t. de ratio legis gekoppeld aan de door hem eveneens ambtshalve opgeworpen rechtsspreuk ¿Cessante ratione legis, cessat ipsa dispositio'. Het feit dat de vordering op grond van een tweede middel nl. rechtsmisbruik werd afgewezen, neemt niet weg dat hij de debatten had moeten heropenen, gezien volgens (de eiseres) de twee middelen samenhangen zoals blijkt uit de overweging op p. 5 van het vonnis a quo.
  9. Volgens (de eiseres) laat artikel 7, 1°, Pachtwet toe om de pacht op te zeggen om de exploitatie over te dragen aan de in de wet genoemde naaste verwanten. (De eiseres) maakt de vergelijking met de regels inzake het recht van voorkoop waar de wet geen uitzondering maakt voor het geval de pacht van een verwant wordt opgezegd om de exploitatie over te dragen aan een verwant van dezelfde graad. Artikel 52, 2°, eerste alinea, Pachtwet, sluit het recht van voorkoop uit wanneer de pachter opkomt samen met de in de wet genoemde naaste verwanten van de eigenaar of van één van de mede-eigenaars. De eerste rechter kan niet gevolgd worden waar hij artikel 7, 1°, Pachtwet niet toepast ofschoon alle voorwaarden daartoe niet vervuld zijn en dit op grond van een interpretatieregel die verwoord is in het adagium ¿Cessante ratione legis, cessat ipsa dispositio'. (De eiseres) meent dat het de rechter niet is toegelaten om de Pachtwet niet toe te passen op grond van rechtsspreuken die niet eens kracht van wet hebben.
  10. Volgens (de eiseres) heeft de uitgedrukte reden van de litigieuze opzegging eveneens een dieper liggende reden en is deze geoorloofd d.w.z. niet strijdig met de openbare orde noch met de goede zeden. Het gaat erom dat de opzegging gegeven werd omwille van het volledig gebrek aan respect en erkentelijkheid van de (verweerders) t.a.v. (de eiseres) waardoor deze laatste zich verplicht heeft gezien om een correctie uit te voeren gelet op de voordelen die (de verweerders) in het verleden reeds genoten hebben.
  11. De eerste rechter heeft ten onrechte gemeend op grond van de achterliggende motieven dat de opzegging als een misbruik van recht moet worden beschouwd. De hier voorliggende casuspositie is evenwel onder geen enkel van de in de rechtspraak erkende gevallen van misbruik van recht onder te brengen. Bij de beoordeling van de zaak heeft de eerste rechter het moreel en redelijk belang van verzoekster volledig buiten beschouwing gelaten.
  12. (De eiseres) verzoekt in hoger beroep om het vonnis a quo dd. 19.10.2004 van de Vrederechter te vernietigen, om de pachtopzegging bij aangete¬kend schrijven dd. 27 juli 2001 geldig en van waarde te verklaren tegen Kerstmis 2004 of elke andere dienende datum door de wet toegelaten en voor recht te zeggen dat de kwestieuze percelen vanaf Kerstmis 2004 zonder recht noch titel gebruikt worden, om (de verweerders) te veroordelen om de kwestieuze percelen land tegen Kerstmis 2004 te verlaten en ter beschikking te stellen van (de eiseres) om akte te horen verlenen van het voorbehoud van (de eiseres) betreffende de verschuldigde bezettingsvergoe¬ding vanaf Kerstmis 2004 en (de verweerders) te horen veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Beoordeling
  13. De afwijzing van de vordering van (de eiseres) door de eerste rechter op grond van een rechtsspreuk is enigszins verwonderlijk nu deze rechtsspreuk niet door partijen ter beoordeling van de eerste rechter werd voorgelegd. In casu diende evenwel geen ambtshalve heropening van de debatten bevolen te worden conform artikel 774, lid 2, Ger. W. gezien dit artikel de ambtshalve heropening van de debatten verplicht oplegt aan de rechter wanneer deze de vordering afwijst op grond van een exceptie van onbevoegdheid, nietigheid, verjaring, verval of niet-ontvankelijkheid. Het dient te gaan om een aangele¬genheid die de openbare orde raakt. In casu zijn de voorwaarden niet vervuld opdat de eerste rechter verplicht ambtshalve de debatten diende te herope¬nen. De rechten van de verdediging zijn in onderliggend geval evenmin geschon¬den doordat de eerste rechter toepassing gemaakt heeft van een rechtsspreuk die louter en alleen erop wijst dat de ratio legis van de terzake toepasselijke wettelijke bepalingen dient aanwezig te zijn bij de toepassing van die bepalin¬gen op concrete feitelijke gegevens.
  14. Om te beoordelen of (de eiseres), verpachter van twee percelen grond, een opzegging kon geven aan de zittende pachters waarvan de geldigverklaring gevorderd wordt door de rechtbank, dient nagegaan te worden of de Pachtwet wel degelijk voorziet in de mogelijkheid om in het voorliggend geval de pacht te beëindigen door middel van een opzeg. De beëindiging is immers zeer re¬strictief geregeld en kan enkel in de door de Pachtwet voorziene gevallen.
  15. Artikel 7 Pachtwet bepaalt dat de verpachter bij het verstrijken van elke pachtperiode een einde kan maken aan de pacht, indien hij van een ernstige reden doet blijken. Als ernstige reden kan aanvaard worden: het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan geheel of gedeeltelijk over te dragen aan zijn echtgenoot, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. Het is precies dit artikel dat (de eiseres) heeft ingeroepen om de pachtovereenkomst met (de verweerders) te beëindigen. Dit artikel veronderstelt noodzakelijkerwijze dat de grond verpacht is aan een derde die niet behoort tot de naaste familie die geviseerd wordt in het vermeld artikel.
  16. De stelling van (de verweerders) dient gevolgd te worden dat de wetgever met het invoeren van het artikel 7, 1°, Pachtwet nooit bedoeld heeft dat de opzegreden gebruikt kan worden om de pachtersrechten van het ene kind van de (men leze: verpachter) af te nemen teneinde ze te geven aan een ander kind van de (men leze: verpachter). De overdracht van pachtersrechten om zelf te exploiteren of om de exploitatie door afstammelingen te laten doen veronderstelt noodzakelijkerwijze dat de pachtersrechten in handen zijn van een derde. De reden van opzegging vermeld in artikel 7, 1°, Pachtwet dient beperkend te worden geïnterpreteerd, net zoals de andere redenen van opzegging die hier evenwel niet aan de orde zijn gezien de opzegging in onderliggend geval gebaseerd is op artikel 7, 1°, en deze reden van opzegging omvat geenszins de mogelijkheid om de opzeg te doen indien er reeds een eigen exploitatie of een exploitatie van naaste familieleden is ten voordele van andere familieleden.
  17. Deze hypothese is evenmin voorzien in de andere opzegredenen van artikel 7 die overigens een limitatieve opsomming zijn van de mogelijke opzegredenen.
  18. In casu kon er geen opzeg gebeuren op grond van de reden voorzien in artikel 7 (zodat) het hoger beroep en de vordering van (de eiseres) ongegrond worden verklaard.
  19. Gelet op het feit dat geen geldige opzegreden werd ingeroepen en op die grond de vordering ongegrond wordt verklaard, is het overbodig de andere ingeroepen beroepsgrieven te ontmoeten en om verder onderzoek te doen naar de toepasselijkheid van artikel 12,7 van de Pachtwet¿ (¿). Grieven Bij toepassing van artikel 7 van de Pachtwet kan de verpachter bij het verstrijken van elke pachtperiode een einde maken aan de pacht indien hij van een ernstige reden doet blijken, waarbij krachtens artikel 7, sub 1°, van de Pachtwet als ernstige reden onder meer wordt aanvaard het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan geheel of gedeeltelijk over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde af¬stammelingen of aangenomen kinderen. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat er te dezen door partijen niet werd betwist dat de opzegging die door de eiseres als verpachter bij toepassing van het voormelde artikel 7, sub 1°, werd meegedeeld aan de verweerders, gemotiveerd was door het voornemen van de eiseres om de exploitatie van de verpachte goederen over te dragen aan haar dochter en haar schoonzoon, nl. de echtgenoten M. en G. M. - d. C., die aldus afstammeling, respectievelijk echtgenoot van een afstammeling van de eiseres zijn. Artikel 7, sub 1°, van de Pachtwet laat de verpachter zonder meer toe om de pacht bij het einde van elke pachtperiode op te zeggen wanneer hij van plan is om het verpachte goed zelf te exploiteren of te laten exploiteren door welbepaalde andere personen, waaronder de afstammelingen van de verpachter en hun echtgenoten. Aan deze opzeggingsmogelijkheid wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de opgezegde pachter zelf ook behoort tot de categorie van personen ten voordele van wie de pacht bij toepassing van het voormelde artikel 7, sub 1°, kan worden opgezegd, nu deze omstandigheid niet als negatieve voorwaarde in de wet wordt gesteld. De verpachter kan bij toepassing van deze bepaling de pacht aldus ook opzeggen met het oog op de exploitatie door een van zijn kinderen en diens echtgenoot, wanneer de opgezegde pachter zelf ook een kind van de verpachter is - althans in zoverre de verpachter hierbij geen rechtsmisbruik pleegt. De appelrechters gaan er te dezen dan ook niet wettig van uit dat de in artikel 7, sub 1°, van de Pachtwet bedoelde opzeggingsmogelijkheid in het onderhavige geval niet van toepassing zou zijn op grond van de overweging dat ¿(d)it artikel (...) noodzakelijkerwijze (veronderstelt) dat de grond verpacht is aan een derde die niet behoort tot de naaste familie die geviseerd wordt in het vermeld artikel¿ (randnr. 3 in fine op p. 4 in fine alsook de gelijkaardige overweging in randnr. 4 op p. 5 van het bestreden vonnis), waarbij de appelrechters voorts niet wettig oordelen dat deze opzeggingsmogelijkheid ¿geenszins de mogelijkheid (omvat) om de opzeg te doen indien er reeds een eigen exploitatie of een exploitatie van naaste familieleden is ten voordele van andere familieleden¿ (randnr. 4 in fine op p. 5 van het bestreden vonnis). Dienaangaande merken de appelrechters voorts niet pertinent op dat de opzeggingsmogelijkheden van artikel 7 van de Pachtwet beperkend moeten worden geïnterpreteerd en ¿dat de wetgever met het invoeren van het artikel 7, 1°, Pachtwet nooit bedoeld heeft dat de opzegreden gebruikt kan worden om de pachtersrechten van het ene kind van de (men leze: verpachter) af te nemen teneinde ze te geven aan een ander kind van de (men leze: verpachter)¿ (randnr. 4 op p. 5 van het bestreden vonnis), nu de wet m.b.t. deze opzeggingsmogelijkheid geen beperkende voorwaarden in hoofde van de opgezegde pachter voorziet. De loutere omstandigheid dat de verweerders, als opgezegde pachters, zelf de zoon en de schoondochter zijn van de eiseres, liet de appelrechters dan ook niet toe om wettig tot het besluit te komen dat de eiseres de pacht niet kon opzeggen bij toepassing van artikel 7, sub 1°, van de Pachtwet. Nu de appelrechters in de bestreden beslissing niet vaststellen dat de eiseres misbruik zou hebben gemaakt van haar recht om de pacht bij toepas¬sing van artikel 7, sub 1°, van de Pachtwet op te zeggen, en meer in het bijzonder niet te kennen geven dat de eiseres op een kennelijk onredelijke wijze de pacht zou hebben opgezegd of in dit verband zou hebben gehandeld in strijd met de door artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde goede trouw, is de beslissing volgens welke de door de eiseres aan de verweerders gegeven opzegging niet rechtsgeldig is, niet naar recht verantwoord en schenden de appelrechters artikel 7, inzonderheid sub 1°, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling III, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen door de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen (¿de Pachtwet¿), het aangehaalde artikel 7 zoals gewijzigd door de wet van 7 november 1988, en voor zoveel als nodig ook artikel 1134, inzonderheid het derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  20. Artikel 7 van de Pachtwet bepaalt dat de verpachter bij het verstrijken van elke pachtperiode, een einde kan maken aan de pacht, indien hij van een ernstige reden doet blijken. Dit artikel geeft de redenen aan die, ongeacht de in artikel 6 bedoelde redenen, uitsluitend als ernstige redenen kunnen worden aanvaard en in het bijzonder sub 1°: het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan geheel of gedeeltelijk over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen.
  21. De toepasselijkheid van artikel 7, sub 1°, is onverminderd een misbruik van recht, niet beperkt tot het geval dat de zittende pachter geen verwant is die voorkomt in de in die bepaling opgesomde verwanten.
  22. Het vonnis stelt niet vast dat er te dezen misbruik was van recht. Het oordeelt dat artikel 7, sub 1°, van de Pachtwet beperkend dient geïnterpreteerd te worden en geenszins de mogelijkheid bevat om op te zeggen voor een van in de in die bepaling opgesomde verwanten als de pachter reeds een dergelijke verwant is en derhalve door de eiseres als verpachtster geen opzegging kon worden gegeven aan de verweerders, haar zoon en zijn echtgenote, om het goed te laten exploiteren door haar dochter en dezes echtgenoot.
  23. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 4 mei 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070504.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.