id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070507.1 Rolnummer: C.06.0145.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-07-03 06:41 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070507.1 Fiche 1 Het behoud van de algemene grond tot herroeping van een schenking wegens geboorte van kinderen zoals formeel nog bepaald in artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek, is onverenigbaar met de opheffing van de artikelen 960 tot 966 van dit wetboek
(1)zie de conclusie van de O.M. Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Onherroepelijkheid Vrije woorden: Schenking - Herroeping wegens geboorte van kinderen - Burgerlijk Wetboek - Opheffing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 953 Fiche 2 Concl. adv.-gen. m.o. CORNELIS, Cass., 7 mei 2007, AR C.06.0145.N, A.C., 2007, nr... Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Onherroepelijkheid Vrije woorden: Schenking - Herroeping wegens geboorte van kinderen - Burgerlijk Wetboek - Opheffing Tekst van de beslissing Nr. C.06.0145.N S.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- S. A., en zijn echtgenote,
- D. S., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 december 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 16 april 2007 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. FEITEN De feiten kunnen blijkens het bestreden arrest als volgt worden samengevat. Bij notariële akte verleden op 7 april 1988 heeft de eerste verweerder aan de eiser, zoon uit zijn eerste huwelijk, een onroerend goed geschonken. Naderhand is de eerste verweerder opnieuw getrouwd (met de tweede verweerster). Op 16 januari 1993 wordt V. S. geboren. Inmiddels was (door de eerste verweerder) een dagvaarding in herroeping van voormelde schenking uitgestuurd in 1990, naderhand uitgebreid tot een herroeping wegens geboorte van een kind overeenkomstig artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek. III. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 de Gecoördineerde Grondwet; - artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 77 van de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming (hierna: de wet van 31 maart 1987). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest: - verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk doch wijst het af als (lees:) ongegrond; - bevestigt dienvolgens de bestreden vonnissen, namelijk het tussenvonnis van 28 juni 1996 en het eindvonnis van 19 november 2002 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, 14de kamer, in al hun beschikkingen; - dus tevens waar de vordering van de verweerders in herroeping van de schenking van de eerste verweerder aan de eiser, zoals vermeld in de notariële akte van 7 april 1988 verleden voor notaris Engels te Gent, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, bij toepassing van artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek, wegens de geboorte van V.S. op 16 januari 1993 als kind van de eerste verweerder met de tweede verweerster; - met dien verstande dat de bestreden uitspraak, als titel geldend, in toepassing van artikel 3, tweede lid, van de wet van 16 december 1851 op de voorrechten en de hypotheken, zal dienen ingeschreven te worden achter de inschrijving van de vorderingen van de eerste verweerder, zoals gerandmeld in de overgeschreven akte van schenking van 7 april 1988 inzake het onroerend goed te 9040 Gent (Sint-Amandsberg), (¿), bij de bevoegde bewaarder van de hypotheken te Gent; - zegt voor recht dat de eerste verweerder terug in het volle bezit en in de volle eigendom wordt gesteld van wat hij aan de eiser bij akte van 7 april 1988 heeft geschonken; - veroordeelt de eiser in de kosten; (bestreden arrest, p. 7; vonnis a quo van 19 november 2002, p. 6). De bestreden beslissing steunt op de volgende overwegingen: ¿Conform artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek, dat de algemene gronden van herroeping opsomt, wordt in fine bepaald dat een schenking onder levenden niet kan worden herroepen dan (...) ¿wegens geboorte van kinderen'. Ingevolge artikel 77 van de wet van 31 maart 1987 op de afstamming werden de toepassingsbepalingen vermeld in de artikelen 960 t.e.m. 966 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de modaliteiten voor een herroeping van rechtswege door de geboorte van een (eerste) kind bepaald waren, afgeschaft. Artikel 960 van het Burgerlijk Wetboek (afgeschaft) bepaalde immers dat elke schenking onder de levenden gedaan door iemand die geen kinderen of afstammelingen (zie artikel 914 van het Burgerlijk Wetboek) in leven heeft op het ogenblik van de schenking van rechtswege herroepen wordt door de geboorte van een wettig kind van de schenker. Bijzondere vereiste was bijgevolg dat de schenker geen kinderen of afstammelingen in leven had op het ogenblik dat hij schonk. De verwijzing naar ¿wettig kind' hield een verschil in behandeling in tussen wettige en natuurlijke kinderen en diende alleszins, gelet op de doelstelling van de wet om deze discriminatie weg te werken, te verdwijnen. (De eiser) betwist niet dat artikel 953 in fine van het Burgerlijk Wetboek nog steeds in het Burgerlijk Wetboek ¿vermeld staat', doch houdt ten stelligste staande dat ingevolge artikel 77 van de wet van 31 maart 1987 op de afstamming dit wetsartikel 953 in fine van het Burgerlijk Wetboek impliciet zou afgeschaft zijn. Hij verwijst daarvoor uitgebreid naar rechtsleer en naar zijn oordeel althans zou deze behouden wetsbepaling in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van de wet van 31 maart
- Het hof van beroep is niet bij machte om, desgevallend zich beroepend op bepaalde rechtsleer en parlementaire besprekingen bij de totstandkoming van de wet van 31 maart 1987 op de afstamming, een duidelijke wetsbepaling die verder geen uitleg behoeft en op zichzelf beschouwd nog steeds ¿inhoud en zin' heeft, in casu artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek - waaromtrent gesteld wordt dat de tekst slechts ¿uit vergetelheid' in het Burgerlijk Wetboek zou blijven staan - buiten toepassing te laten, waar geenszins enige andere concurrerende en/of hogere rechtsnorm in het geding is. Dit klemt des te meer nu het vaststaat dat heden, anno 2005, de wetgever reeds lang de tijd had, mocht het een loutere vergetelheid zijn dit artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek te laten bestaan, quod non, om eraan te remediëren. Als ratio legis van artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek, en het behoud ervan door de wetgever in 1987 en sindsdien, dient aangenomen te worden uit de duidelijke bewoordingen ervan dat de wetgever de mogelijkheid wilde voorzien dat de schenker na een schenking - weze het aan een eigen kind of een derde - naar aanleiding van de geboorte van een volgend kind de mogelijkheid heeft om de schenking te herroepen zodat en waarbij al zijn kinderen (onafgezien of ze wettelijk, natuurlijk of geadopteerd zijn) op gelijke voet behandeld worden. Waar voor de in voege treding van artikel 77 van de wet van 1987 op de afstamming de herroeping van de schenking van rechtswege zich beperkte tot de schenkingen van personen die nog geen kinderen hadden op het ogenblik van de schenking, is het sedert 1987 derhalve zo dat iedere schenker iedere schenking onder de levenden kan herroepen wegens de navolgende geboorte van kinderen. Dat dit, zoals (de eiser) voorhoudt, ten koste gaat van rechtszekerheid wat betreft het eigendomsstatuut van het geschonken goed, nu ondermeer telkens dient nagegaan te worden of er al dan niet (want niet langer van rechtswege) herroeping door de schenker gebeurde en of er mogelijks verjaring is van de vordering terzake, is een afweging van belangen die de wetgever toekomt. De opwerping van (de eiser) dat ¿er een fundamentele ongelijkheid ontstaat c.q. het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt naar gelang er al dan niet kinderen geboren worden na datum schenking. De erfgenaam die na de schenking opdaagt, wordt immers bevoordeeld' (¿), kan geenszins aangenomen worden. De situatie waarbij een kind/kinderen geboren worden na de schenking is immers een totaal verschillende toestand in vergelijking met deze waarbij een kind/kinderen reeds geboren is/zijn vóór de schenking gebeurt. In dit laatste geval kan de schenker ten volle rekening houden met (de erfelijke toestand van) zijn kinderen en binnen de perken van zijn vrij beschikkingsrecht een schenking doorvoeren, wat niet het geval is terzake kinderen die nadien geboren worden. De herroeping van rechtswege van een schenking vóór de totstandkoming van de wet van 1987 op de afstamming belette de schenker trouwens ook niet om na de geboorte van het kind een nieuwe schenkingsakte (uiteraard binnen de perken van zijn vrij beschikkingsrecht, rekening houdend met de geboorte van het kind) op te maken. De overige opwerpingen van (de eiser) en verwijzingen naar andere wettelijke bepalingen zijn niet ter zake dienend. besluit: Aldus heeft de eerste rechter dan ook terecht de vordering tot herroeping van de schenking van (de eerste verweerder) aan (de eiser), zoals vermeld in de notariële akte van 7 april 1988 verleden voor notaris Engels te Gent, ingewilligd op grond van de geboorte van V. S. op 16 januari 1993 als kind van (de eerste verweerder), zonder dat het hof (van beroep) verdere beweegredenen terzake dient na te gaan, nu dit louter gegeven en de wil van (de eerste verweerder) als schenker ter zake conform artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek volstaan¿. Grieven
- Eerste onderdeel Schending van de artikelen 953 van het Burgerlijk Wetboek en 77 van de wet van 31 maart
- 1.
- Artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek, waarop de bestreden beslissing steunt, bepaalt in algemene bewoordingen: ¿Een schenking onder de levenden kan niet worden herroepen dan wegens niet-vervulling van de voorwaarden waaronder zij gedaan is, wegens ondankbaarheid en wegens geboorte van kinderen¿. De artikelen 954 tot en met 959 van dit wetboek regelen in het bijzonder de herroeping wegens niet-vervulling van de voorwaarden en wegens ondankbaarheid. De vroegere artikelen 960 tot en met 966 van hetzelfde wetboek, die werden opgeheven bij de wet van 31 maart 1987, bepaalden in het bijzonder de toepassingsvoorwaarden voor de herroeping van de schenking onder de levenden wegens ¿geboorte van kinderen'. Anders dan het appelgerecht in strijd met deze bepaling oordeelt (bestreden arrest, p. 5, al. 4-5, p. 6, eerste alinea), is bedoeld artikel 953 dus geen op zichzelf staande wetsbepaling en kan het slechts toepassing vinden samen met de erop volgende wetsartikelen, thans tot en met artikel 959, voorheen tot en met artikel
- Uit de artikelen 953 juncto, 960 tot en met 966 van het Burgerlijk Wetboek volgde, vóór de opheffing bij de wet van 31 maart 1987, dat de herroeping van de schenking onder de levenden wegens geboorte van kinderen aan strikte regels was onderworpen. De schenking diende namelijk gedaan te zijn door een persoon die ten tijde van de schenking geen kinderen of afstammelingen in leven had. Ingevolge de geboorte van een wettig kind van de schenker had de herroeping van rechtswege plaats. Artikel 77 van de wet van 31 maart 1987 heft uitdrukkelijk de artikelen 960 tot en met 966 van het Burgerlijk Wetboek op. De wetgever heeft echter nagelaten om artikel 953, in fine, van dit wetboek aan te passen, namelijk de woorden ¿wegens geboorte van kinderen¿ te schrappen. 1.
- Anders dan het bestreden arrest in strijd met de ratio legis van voormelde artikelen 953 en 77 overweegt (p. 5, alinea's 4-5, p. 6, alinea 1), is dit laatste duidelijk aan een vergetelheid van de wetgever toe te schrijven, zoals uit het voorgaande en het volgende blijkt. Zoals hierboven reeds aangehaald, is het in algemene bewoordingen gestelde artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek geen op zichzelf staande wetsbepaling. Bijgevolg kan de erin opgesomde grond tot herroeping van de schenking onder de levenden wegens geboorte van kinderen geen toepassing meer vinden sinds de opheffing, bij artikel 77 van de wet van 31 maart 1987, van de artikelen 960 tot en met 966 van het Burgerlijk Wetboek die de toepassingsvoorwaarden van deze grond tot herroeping bepaalden. Er anders over oordelen, zoals het bestreden arrest (p. 5, alinea's 4-5, p. 6, alinea 1) met schending van gezegde artikelen 953 en 77 doet, impliceert echter de aanvaarding van de onwettige stelling dat de wetgever de regels voor de herroeping van de schenking wegens geboorte van kinderen zou gewijzigd hebben, quod non. Zoals hierboven gesteld, bestond er vóór de wetswijziging immers slechts één en strikt gereglementeerde wijze van herroeping van de schenking wegens geboorte van kinderen, met name: de herroeping van rechtswege van de schenking gedaan door een persoon die ten tijde van de schenking geen kinderen of afstammelingen in leven had ingevolge de geboorte van een wettig kind van de schenker (vroegere artikelen 960-966 van het Burgerlijk Wetboek). Het verkeerdelijk aanvaarden, zoals het appelgerecht doet, dat artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek geldingskracht heeft niettegenstaande de opheffing van de artikelen 960 tot en met 966 van dit wetboek, leidt tot de volgende onwettige gevolgen. In strijd met gezegde artikelen 953 en 77, wordt dan aangenomen dat sedert de wet van 31 maart 1987 ook de persoon, die ten tijde van de schenking reeds één of meerdere kinderen had, bij de geboorte van een volgend kind de schenking kan herroepen. Bovendien zou de herroeping, in die onwettige hypothese, facultatief zijn. Dergelijke wetswijziging lag geenszins in de bedoeling van de wetgever. De wetsgeschiedenis van de wet van 31 maart 1987, meer bepaald artikel 77, toont integendeel aan dat de wetgever ervoor geopteerd heeft de herroeping van de schenking wegens de geboorte van kinderen volledig af te schaffen, zoals uit het volgende blijkt. 1.
- Het Verslag namens de Commissie voor de Justitie - Senaat (Part. St. Senaat, 1984-85, 18 juni 1985, nr. 904/2, p. 157) stelt immers uitdrukkelijk: ¿Het ontwerp van wet stelde oorspronkelijk in een artikel 92 voor, enkel 960 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen ten einde een discriminatie op te heffen tussen de wettige en de andere kinderen. De bespreking die daarop volgde heeft de problematiek van de herroeping van een testament gevoelig verruimd. Opgemerkt werd dat er ter zake drie mogelijke oplossingen bestaan. Ofwel kan de herroeping van rechtswege van schenkingen ingevolge de geboorte van een kind worden behouden met het gevolg dat er zich voor de instrumenterende notaris een probleem van beroepsverantwoordelijkheid kan stellen, wanneer hij een schenkingsakte verlijdt op verzoek van een schenker die op dat ogenblik nog geen kinderen heeft. Ofwel kunnen de bepalingen die op de herroeping betrekking hebben, eenvoudig worden opgeheven. Een derde oplossing bestaat erin een regeling uit te werken die is afgestemd op deze die geldt voor de herroeping wegens ondankbaarheid of het niet-uitvoeren van de lasten, doch in dit laatste geval kan de herroeping slechts geschieden wanneer de schenker zelf daarom verzoekt. Meerdere leden opteerden voor de eenvoudige opheffing van de desbetreffende bepalingen. Er kan niet worden ontkend dat zij een ongelijkheid in het leven roepen en meteen een onzekerheid omtrent de goederen doen ontstaan. Het behoud van deze bepalingen heeft in werkelijkheid tot gevolg dat de erfgenaam die na de schenking opdaagt, wordt bevoordeeld. Bovendien wordt daardoor een te grote ommekeer in de nalatenschap teweeggebracht. De bepalingen kunnen nog bijkomende moeilijkheden doen ontstaan in verband met het tijdstip van de herroeping, de vraag namelijk of de geboorte of de erkenning van het natuurlijk kind daarvoor in aanmerking moet worden genomen. De artikelen 960 en volgende van het Burgerlijk Wetboek dateren trouwens uit een periode waarin de verkregen fortuinen nog zeer belangrijk waren, hetgeen in de huidige tijd voor het overgrote deel van de bevolking niet meer het geval is. Wel moet worden rekening gehouden met het feit dat de opheffing van bedoelde bepalingen tot gevolg heeft dat de gemeenrechtelijke regels van de inkorting van toepassing zullen zijn. Een lid merkte hierbij op dat dit wel enige moeilijkheid kan veroorzaken, gelet op de verplichting om de inkorting in eerste orde in natura uit te voeren. De Commissie was van mening dat dit een probleem betreft dat verder reikt dan het thans besproken ontwerp. Met eenparigheid van de 12 aanwezige leden besliste de Commissie de artikelen 960 tot en met 966 van het Burgerlijk Wetboek op te heffen. Tengevolge van deze beslissing vervalt meteen artikel 93 van het ontwerp van wet, dat voorstelde artikel 962 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen¿. Uit de voorbereiding van artikel 77 van de wet van 31 maart 1987 blijkt dus uitdrukkelijk en anders dan het bestreden arrest (p. 5, alinea's 4-5, p. 6, alinea 1), in strijd met dit artikel en 953 van het Burgerlijk Wetboek oordeelt, dat de wetgever heeft geopteerd voor de volledige opheffing van de mogelijkheid tot herroeping van de schenking onder de levenden wegens geboorte van kinderen. Er volgt bovendien duidelijk uit dat de wetgever dus helemaal niet een regeling heeft uitgewerkt die is afgestemd op deze die geldt voor de herroeping wegens ondankbaarheid of het niet-uitvoeren van de lasten. 1.
- De rechter heeft tot taak de regel, in casu de artikelen 953 van het Burgerlijk Wetboek en 77 van de wet van 31 maart 1987, uit te leggen aan de hand van de ratio legis of de bedoeling van de wetgever. Zoals hierboven gesteld bestaat te dezen de bedoeling van de wetgever erin de herroeping van een schenking onder de levenden wegens geboorte van kinderen volledig af te schaffen. De opheffing van de artikelen 960 tot en met 966 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de toepassingsregels van de herroeping van de schenking wegens geboorte van kinderen nader werden omschreven, heeft de, zij het impliciete, opheffing van de bewoording ¿wegens de geboorte van kinderen¿ in het algemene artikel 953 van dit wetboek, tot logisch gevolg. Nu de wetgever uit vergetelheid nagelaten heeft deze bewoording te schrappen is er hooguit een formele inconsistentie opgetreden doch geen wetswijziging in die zin dat de geboorte van kinderen als grond tot herroeping van de schenking onder de levenden zou voortbestaan en zelfs uitgebreid zou zijn. Het bestreden arrest (p. 5, alinea 4) overweegt bijgevolg onwettig en in strijd met de ratio logis van voormelde artikelen 953 en 77 dat artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek een duidelijke wetsbepaling is die geen verdere uitleg behoeft, op zichzelf beschouwd nog steeds inhoud en zin heeft en dat het hof niet bij machte is deze buiten toepassing te laten. 1.
- Uit al het voorgaande volgt: - dat artikel 77 van de wet van 31 maart 1987 de geboorte van kinderen als grond tot herroeping van de schenking onder de levenden volledig heeft afgeschaft en de bewoordingen ¿wegens de geboorte van kinderen¿ in artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek impliciet heeft opgeheven; - dat artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek geen grond vormt tot herroeping van de schenking onder de levenden wegens geboorte van kinderen; dat evenmin een andere wetsbepaling daartoe kan worden ingeroepen; - dat het bestreden arrest, in strijd met de ratio legis van artikel 77 van de wet van 31 maart 1987, op grond van de in het middel aangevochten overwegingen (meer bepaald: bestreden arrest, p. 5, alinea's 4-5, p. 6, alinea 1) onwettig oordeelt dat sedert 1987 iedere schenker iedere schenking onder de levenden kan herroepen wegens de navolgende geboorte van kinderen (schending van de artikelen 953, meer in het bijzonder in fine, van het Burgerlijk Wetboek en 77 van de wet van 31 maart 1987); - dat het hof van beroep bijgevolg onwettig beslist, met bevestiging van de vonnissen a quo, dat de vordering van de verweerders in herroeping van de schenking van de eerste verweerder aan de eiser, zoals vermeld in de notariële akte van 7 april 1988 verleden voor notaris Engels te Gent, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, bij toepassing van artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek, wegens de geboorte van V. S. op 16 januari 1993 als kind van de eerste verweerder met de tweede verweerster (schending van de artikelen 953, meer in het bijzonder in fine, van het Burgerlijk Wetboek en 77 van de wet van 31 maart 1987).
- In ondergeschikte orde: tweede onderdeel Voor het geval het Hof het eerste onderdeel niet zou aannemen, voert de eiser volgende grief aan. Grieven Schending van de artikelen 10 en 11 de Gecoördineerde Grondwet. 2.
- Artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek, waarop de bestreden beslissing steunt, luidt als volgt: ¿Een schenking onder de levenden kan niet worden herroepen dan wegens niet-vervulling van de voorwaarden waaronder zij gedaan is, wegens ondankbaarheid en wegens geboorte van kinderen¿. In de mate dat dit wetsartikel bepaalt dat de schenking onder de levenden kan worden herroepen ¿wegens geboorte van kinderen¿ schendt het zowel het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 Grondwet) als het discriminatieverbod (artikel 11 Grondwet). Deze ongelijkheid en discriminatie bestaan hierin dat aldus de kinderen die na de schenking worden geboren worden bevoordeeld tegenover de kinderen die vóór de schenking werden geboren. Dit wordt overigens bevestigd in de parlementaire voorbereiding van artikel 77 van de wet van 31 maart 1987, weergegeven in het eerste onderdeel en om herhaling te vermijden hier als overgenomen beschouwd (supra, nr. 1.3.). Deze stelt inderdaad onder meer: ¿Meerdere leden opteerden voor de eenvoudige opheffing van de desbetreffende bepalingen. Er kan niet worden ontkend dat zij een ongelijkheid in het leven roepen en meteen een onzekerheid omtrent de goederen doen ontstaan. Het behoud van deze bepalingen heeft in werkelijkheid tot gevolg dat de erfgenaam die na de schenking opdaagt, wordt bevoordeeld. Bovendien wordt daardoor een te grote ommekeer in de nalatenschap teweeggebracht¿. (Verslag namens de Commissie voor de Justitie - Senaat, Parl. St. Senaat, 1984-85, 18 juni 1985, nr. 904/2, p. 157; benadrukking alleen in het citaat). Voor deze fundamentele ongelijkheid tussen de kinderen bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording. Overeenkomstig artikel 26, §1-3° en §2, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, staat het aan het Hof van Cassatie aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen omtrent de door de eiser opgeworpen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek. Te dezen luidt de te stellen vraag als volgt: ¿Schendt artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het dient uitgelegd te worden in die zin dat iedere schenker iedere schenking onder de levenden kan herroepen wegens de navolgende geboorte van kinderen met als gevolg dat de schenking onder de levenden aan, onder andere, een kind kan herroepen worden wegens een kind geboren na de schenking, dat er zonder objectieve en redelijke verantwoording een fundamentele ongelijkheid wordt gecreëerd tussen, enerzijds het kind geboren voor de schenking en anderzijds, het kind geboren na de schenking, dat het kind geboren na de schenking wordt bevoordeeld ten opzichte van dit geboren vóór de schenking vermits enkel de schenking onder de levenden aan dit laatste kan herroepen worden, dat bovendien een schenking onder de levenden aan het laatstgeboren kind niet kan herroepen worden, de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet wegens de ongelijkheid tussen en de discriminatie van het kind geboren vóór de schenking ten opzichte van dit geboren ná de schenking of het (of de) eerder geboren kind (of kinderen) ten opzichte van het laatst geboren kind?". 2.
- Het bestreden arrest (p. 6, al. 2-3) overweegt bijgevolg ongrondwettig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 Grondwet) en het discriminatieverbod (artikel 11 Grondwet) dat de kwestieuze bepaling van artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek deze algemene rechtsbeginsels en grondwettelijke bepalingen niet schendt. Uit het voorgaande volgt dat het hof van beroep niet wettig, met bevestiging van de vonnissen a quo, de vordering van de verweerders in herroeping van de schenking van de eerste verweerder aan de eiser, zoals vermeld in de notariële akte van 7 april 1988 verleden voor notaris Engels te Gent, ontvankelijk en gegrond verklaart, bij toepassing van artikel 953 in fine van het Burgerlijk Wetboek, wegens de geboorte van V. S. op 16 januari 1993 als kind van de eerste verweerder met de tweede verweerster (schending van de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek, kan een schenking onder de levenden niet worden herroepen dan wegens niet-vervulling van de voorwaarden waaronder zij gedaan is, wegens ondankbaarheid en wegens geboorte van kinderen. De daaropvolgende artikelen 954 van het Burgerlijk Wetboek en 955 tot en met 959 van dat Wetboek specificeren achtereenvolgens de regeling betreffende de eerste twee gronden tot herroeping, met name wegens niet-vervulling van de voorwaarden en deze wegens ondankbaarheid.
- Ingevolge artikel 77 van de wet van 31 maart 1987 werden de artikelen 960 tot en met 966 van het Burgerlijk Wetboek opgeheven. Deze opgeheven artikelen bepaalden op hun beurt onder meer de voorwaarden, het toepassingsgebied, de aard en gevolgen van de herroeping, een regeling omtrent de vruchten, de onmogelijkheid tot afstand van het recht tot herroeping en de verjaring inzake de derde grond tot herroeping wegens geboorte van kinderen.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat aanvankelijk enkel een aanpassing werd overwogen ten einde de discriminatie op te heffen tussen kinderen, maar dat de problematiek naderhand werd verruimd tot de vragen of de rechtsfiguur van de herroeping van rechtswege ingevolge de geboorte van een kind zou worden behouden, ofwel zou worden aangepast tot een herroeping op verzoek van de schenker, ofwel eenvoudig zou worden opgeheven. Uiteindelijk werd geopteerd voor de opheffing.
- Het behoud van de algemene grond tot herroeping wegens geboorte van kinderen zoals formeel nog bepaald in artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek, is onverenigbaar met de opheffing van de artikelen 960 tot 966 van het Burgerlijk Wetboek. Er anders over oordelen zou aan die grond tot herroeping een draagwijdte geven die de wetgever uitdrukkelijk heeft willen uitsluiten.
- Het arrest oordeelt ¿Als ratio legis van artikel 953, in fine, van het Burgerlijk Wetboek, en het behoud ervan door de wetgever in 1987 en sindsdien, dient aangenomen te worden uit de duidelijke bewoordingen ervan dat de wetgever de mogelijkheid wilde voorzien dat de schenker na een schenking - weze het aan een eigen kind of een derde - naar aanleiding van de geboorte van een volgend kind de mogelijkheid heeft om de schenking te herroepen zodat en waarbij al zijn kinderen ((on)afgezien of ze wettelijk, natuurlijk of geadopteerd zijn) op gelijke voet behandeld worden. Waar voor de in voege treding van artikel 77 van de wet van 1987 op de afstamming de herroeping van de schenking van rechtswege zich beperkte tot de schenkingen van personen die nog geen kinderen hadden op het ogenblik van de schenking, is het sedert 1987 derhalve zo dat iedere schenker iedere schenking onder de levenden kan herroepen wegens de navolgende geboorte van kinderen¿.
- De appelrechters die aldus oordelen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht en schenden de in het onderdeel aangehaalde wetsbepalingen. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van zeven mei tweeduizend en zeven uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070507.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070507.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130322.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div